Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.Introductie vermogensrendementsheffing
HR BNB 2011/297 [11] geoordeeld dat de box 3-heffing geen inbreuk vormt op artikel 1 EP Pro. Dat arrest had betrekking op het forfaitaire karakter van de heffing als zodanig. In
HR BNB 2015/174 [12] en
HR BNB 2016/177 [13] , waar het respectievelijk de jaren 2010 en 2011 betrof, herhaalt de Hoge Raad dit oordeel. In deze arresten voegt de Hoge Raad toe dat dit stelsel pas dan in strijd komt met artikel 1 EP Pro indien een rendement van 4% voor een lange reeks van jaren voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is
enbelastingplichtigen worden geconfronteerd met een buitensporige zware last. Zie punt 2.3.2. van
HR BNB 2015/174:
HR BNB 2011/297waarin hij volstaat met de overweging dat de heffing niet in strijd is met artikel 1 EP Pro. De toevoeging in de eerste zin van punt 2.3.2 opent in theorie de mogelijkheid dat het forfaitaire rendement van 4% in strijd komt met artikel 1 EP Pro.
HR BNB 2016/177is voornoemde rechtsregel opgenomen onder punt 2.4.1.3. In dit arrest gaat de Hoge Raad nog een stapje verder. Hij overweegt namelijk ook dat indien duidelijk zou worden dat het forfaitaire rendement niet meer haalbaar is, van de wetgever mag worden verlangd dat hij de regeling aanpast zodat de regeling meer aansluit bij de werkelijkheid:
2. Rendementen op het box 3-vermogen
HR BNB 2015/174en
HR BNB 2016/177, dient te worden uitgelegd. Het gaat dan om het rechtsoordeel van de Hoge Raad dat het forfaitaire stelsel van box 3 slechts dan in strijd zou komen met artikel 1 EP Pro indien “het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4 percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporige zware last”.
HR BNB 2015/174. Zo schreef de redactie van V-N bij dit arrest: “Al met al een ambigue overweging van de Hoge Raad waar ieder het zijne in kan lezen”. Rozendal geeft in de NTFR 2015/1298 een uitleg aan de door de Hoge Raad gegeven toets, waarbij hij gelijk opmerkt: “Of ik deze cryptische woorden van de Hoge Raad juist heb geïnterpreteerd kan ik echter niet met zekerheid zeggen, (..)”. Ondanks deze onduidelijkheid, die mijn ambtsgenoot Niessen ook naar voren heeft gebracht in zijn conclusie [19] , heeft de Hoge Raad dezelfde toets – zonder nadere uitleg – gehanteerd in
HR BNB 2016/177.
HR BNB 2018/19 [23] , dat geen sprake kan zijn van een schending van artikel 1 EP Pro op regelniveau indien het rendement op één bepaalde bezitting structureel lager is dan 4%. Dit gerechtshof overweegt verder dat voor de vraag of het rendement van 4% haalbaar is, moet worden gekeken naar het rendement op het totale box 3-vermogen, en noemt hierbij als voorbeelden spaargeld, aandelen, obligaties en onroerende zaken. Volgens dit gerechtshof hebben belanghebbenden ‘kennelijk als gevolg van de gezamenlijk met de Belastingdienst (beperkt) geformuleerde rechtsvraag die aan de orde is’ gesteld noch aannemelijk gemaakt dat een rendement van 4% op het totale box 3-vermogen onhaalbaar is gebleken.
Het “destijds door de wetgever veronderstelde rendement van vier percent”: nominaal of reëel?
vaststelling van de omvang van het belastbaar inkomenwordt geen rekening gehouden met inflatie, althans niet direct. Wel indirect, want jaarlijks wordt ingevolge artikel 10.1 Wet IB 2001 een inflatiecorrectie toegepast. Met de invloed van inflatie op het vermogen zelf wordt geen rekening gehouden. Er wordt uitgegaan van een forfaitair rendement van 4% over het vermogen, ongeacht de inflatie. Deze 4% forfaitaire rendementsheffing is gebaseerd op een door iedere belastingplichtige gemiddeld te behalen reëel rendement. Het lijkt mij ook niet meer dan logisch, dat een forfaitaire rendementsheffing wordt gebaseerd op een rendement dat je reëel gezien geacht wordt te kunnen behalen. Maar wat is dan het destijds door de wetgever veronderstelde rendement? Is dit het nominale rendement dat is gehanteerd voor de vaststelling van de omvang van het belastbaar inkomen? Of is dat het reële haalbaar geachte rendement waarop het forfaitaire rendement is gebaseerd? Hier kom ik in hoofdstuk 7 op terug.
Hoe te bepalen of het “destijds door de wetgever (…) veronderstelde rendement van vier percent” haalbaar is?
zonder risico: [33]
zonder risicozou kunnen behalen, in de nota naar aanleiding van het verslag is vermeld dat het gaat om het rendement dat men zou kunnen behalen
zonder daar (veel) risicovoor te hoeven nemen. Verderop in diezelfde nota naar aanleiding van het verslag wordt echter vermeld dat de hoogte van het rendement dat
zonder risicokan worden behaald leidend is. Als voorbeeld worden staatsobligaties genoemd: [34]
Bij de vaststelling van de hoogte van het forfaitair in aanmerking te nemen rendement is voorts rekening gehouden met het feit dat vanwege het ontbreken van een tegenbewijsregeling (…) een incidentele onderschrijding van het gemiddelde rendement zwaarder weegt dan een incidentele overschrijding. Deze benadering heeft ertoe geleid om een forfaitair rendement van 4% voor te stellen. Dit percentage komt overeen met het langjarige rendement dat door een ieder kan worden behaald. De hoogte van het rendement dat zonder risico kan worden behaald – te denken valt aan staatsobligaties – is daarbij leidend. Voor zover er gemiddeld meer rendement kan worden behaald, hangt dit veelal samen met het nemen van meer risico.(…).”
met beleggen risicovrijmoet kunnen behalen: [35]
haalbaar risicovrij rendement: [36]
HR BNB 2016/177echter op het gehele box 3-vermogen. De Hoge Raad heeft in een zaak betreffende de vraag of de forfaitaire rendementsheffing in 2011 in strijd komt met artikel 1 EP Pro geoordeeld dat er geen reden is anders te oordelen over 2011 dan over 2010, nu niet is komen vast te staan dat ‘de gemiddelde opbrengsten uit sparen en beleggen’ lager waren dan in 2010. De ‘gemiddelde opbrengsten uit sparen en beleggen’ impliceert mijns inziens dat de toets over het gehele box 3-vermogen dient te worden uitgevoerd. De Hoge Raad overwoog (cursivering CE):
dat de gemiddelde opbrengsten uit sparen en beleggenlager waren dan in 2010.”
HR BNB 2018/19, punt 3.6.2.
HR BNB 2015/174en
HR BNB 2016/177, is mijns inziens ingegeven door de vraag of het forfaitaire stelsel van box 3 nog wel de werkelijkheid benadert en daarmee of dit forfaitaire stelsel nog wel in overeenstemming is met artikel 1 EP Pro. [40] Dit kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit de context van
HR BNB 2016/177:
5.Toetsingsmoment en -periode
voor het jaar 2010was niet komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers
toenniet meer haalbaar was. Er is geen grond om daarover anders te oordelen voor het onderhavige jaar 2011,
ten aanzien van welk jaar in deze procedure niet is komen vast te staan dat de gemiddelde opbrengsten uit sparen en beleggen lager waren dan in 2010.”
iedereendat rendement over
eenwatlangere periodekan behalen zonder risico: [42]
een langere periodebezien te kunnen behalen: [43]
iedereenwordt geacht te kunnen behalen over een langere periode. Die periode zal zelden een mensenleven bestrijken, zodat een termijn van langer dan een eeuw een te ruime periode zal zijn. Ook A-G Niessen heeft zijn conclusie van 4 februari 2016 [46] opgemerkt dat mensen zelden gedurende hun gehele leven vermogend zijn. Aan welke periode kun je dan denken?
https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2016/26/welvaart-in-nederland-2016.
6.De ‘fair balance’-toets van artikel 1 EP Pro
N.K.M.
v. Hungary [48] kan worden afgeleid dat het EHRM voor de vraag of artikel 1 EP Pro is geschonden het volgende stappenplan doorloopt:
HR BNB 2018/137 [57] betreffende de individuele buitensporige last van een belastingplichtige waarbij onteigende aandelen SNS alsnog in de box 3-heffing werden betrokken, het toetsingskader met betrekking tot de individuele buitensporige last als volgt weergegeven:
HR BNB 2016/177overwogen dat het forfaitaire stelsel van box 3 slechts dan in strijd komt met artikel 1 EP Pro indien “zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporige zware last”. Aangezien de Hoge Raad het hier heeft over het forfaitaire stelsel dat onder bepaalde voorwaarden in strijd is met artikel 1 EP Pro en de Hoge Raad spreekt over een ‘buitensporige zware last’ in plaats van een ‘individuele buitensporige last’, meen ik hieruit op te kunnen maken dat de Hoge Raad het hier heeft over het in dat geval niet doorstaan van de ‘fair balance’-toets op regelniveau. [59] Nu ik in de voorgaande hoofdstukken al ben ingegaan op de haalbaarheidstoets, zal ik in dit hoofdstuk de focus leggen op de vraag wanneer op regelniveau sprake is van een buitensporige zware last. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de Hoge Raad spreekt over een ‘buitensporige zware last’ in tegenstelling tot de ‘buitensporige last’ die bij de individuele toets wordt gehanteerd. Dit kan ermee te maken hebben dat de Hoge Raad de wetgever niet snel buiten spel wil zetten. Dit kan echter ook een ‘slip of the pen’ zijn en voortkomen uit het feit dat de betrokken belastingplichtige in de procedure voor het hof had aangevoerd een ‘buitensporige hoge last’ te ondervinden. [60] Hoe dan ook, naar de exacte reden van het afwijkende woordgebruik kan ik enkel gissen.
HR BNB 1999/271 [62] kwam artikel 14 EVRM Pro in verbinding met artikel 1 EP Pro aan de orde. In dat geval betrof het een belastingplichtige die in 1994 loon uit tegenwoordige arbeid had genoten en die voor een bedrag van f. 2.362 aan op die inkomsten betrekking hebbende aftrekbare kosten had gemaakt. De belastingplichtige heeft in de aangifte deze aftrekbare kosten verhoogd met een bedrag van f. 1.050, zijnde het bedrag waarmee de arbeidskostenforfait sinds 1991 was verhoogd. De inspecteur heeft deze extra opgevoerde aftrek niet geaccepteerd. Vraag is of dat terecht is.
N.K.M. v. Hungaryarrest een abstracte toets uitgevoerd waarbij het EHRM aspecten in aanmerking heeft genomen die niet zien op het individuele geval van de belastingplichtige, maar die gelden voor andere belastingplichtigen die zich in dezelfde situatie bevinden. Aangezien het hier in wezen om een abstracte toets gaat, kunnen de in aanmerking genomen aspecten eveneens worden gebruikt bij ‘onze’ nationaalrechtelijke ‘fair balance’-toets op regelniveau. De door het EHRM genoemde aspecten op het abstracte niveau zijn: (1) de hoogte van het belastingtarief, (2) de inmenging is niet nodig om de doelen te bereiken, (3) discriminatie ‘verhouding tot andere groepen’, (4) belang van het getroffen object, (5) het wel of niet aanwezig zijn van een overgangsperiode, en (6) de retroactieve kenmerken. Pauwels merkt over deze aspecten op dat het EHRM niet aan één van de aspecten doorslaggevende betekenis geeft, maar dat de combinatie van al deze aspecten bij elkaar ervoor zorgt dat artikel 1 EP Pro is geschonden.
HR BNB 2016/177, onder verwijzing naar het arbeidskostenforfaitarrest, vooropgesteld dat van de wetgever mag worden verlangd dat, ondanks dat aan een forfaitair stelsel een zekere ruwheid inherent is, met het forfaitaire stelsel wordt beoogd de werkelijkheid te benaderen. Bij het bepalen van het forfaitaire rendementspercentage op 4% is volgens de Hoge Raad terecht aansluiting gezocht bij het rendement dat iedereen over een langere periode zonder (veel) risico zou moeten kunnen behalen. In zoverre is door de wetgever beoogd de werkelijkheid te benaderen en is er dus geen sprake van strijd met artikel 1 EP Pro.
HR BNB 2015/174als in
HR BNB 2016/177dat het forfaitaire stelsel van box 3 slechts dan in strijd komt met artikel 1 EP Pro indien “komt vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4 percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporige zware last”.
HR BNB 2015/174waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat het enkele feit dat het 4%-rendement op bepaalde bezittingen structureel niet wordt gehaald, niet voldoende is om de haalbaarheidstoets door te komen. Relevant is of het 4%-rendement haalbaar is over de gehele box 3-linie. [72] Voor de vraag of het rendement van 4% nog haalbaar is, dient een belanghebbende aannemelijk te maken dat een gemiddeld rendement van 4% over de gehele box 3-linie niet meer haalbaar is. Hoe iemand zijn vermogen heeft verdeeld (al dan niet geheel op de spaarrekening geplaatst) is dan niet van belang voor de vraag of er sprake is van schending van artikel 1 EP Pro op regelniveau. Van belang is enkel het gemiddelde rendement dat over de gehele box 3-linie behaald zou kunnen worden. In zoverre sluit ik me bij de oordelen van Hof Arnhem-Leeuwarden en Hof ’s-Hertogenbosch aan dat de in het kader van massaal bezwaar geformuleerde rechtsvraag, namelijk “Is de vermogensrendementsheffing zoals vastgelegd in artikel 5.2, eerste lid van de Wet IB 2001, op spaarsaldi naar haar aard in strijd met artikel 1, eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), zonder dat in geschil is of sprake is van een schending van de fair balance op grond van een individuele en excessieve last?” te beperkt is om te kunnen leiden tot strijd met artikel 1 EP Pro op regelniveau. Het beroep op strijd met artikel 1 EP Pro op regelniveau faalt mijns inziens om die reden in de proefprocedures waar deze gemeenschappelijke bijlage betrekking op heeft (zie hierover meer in de individuele conclusies).
EHRM Imbert de Trémiolles v. Frankrijk [81] . In dat arrest heeft het EHRM bepaald dat een Franse solidariteitsheffing over het vermogen, welke was gemaximeerd op 85% van vermogensinkomsten, geen confiscatoir karakter heeft. Er zou dan in de onderhavige jaren mijns inziens geen sprake zijn van schending van artikel 1 EP Pro op regelniveau.
8.Rechtsherstel?
HR BNB 1994/36 [83] en
HR BNB 1999/271(arbeidskostenforfait-arrest).
HR BNB 1994/36ging het om een aanslag IB/PVV over het jaar 1990. Het toen geldende artikel 36, tweede lid, aanhef en letter f van de Wet IB 1964, waarbij de kosten voor een kantoorruimte, waaronder de inrichtingskosten, waren genormeerd, was naar het oordeel van de Hoge Raad in strijd met artikel 26 IVBPR Pro, nu deze regeling leidde tot een verschil in aftrek tussen eigenaren van en huurders van woonhuizen, die een kantoorruimte in hun woning hadden. De huurder-bewoner kon 15% in aftrek brengen van de huur, terwijl de eigenaar-bewoner 15% in aftrek kon brengen van de huurwaarde. De huur van de huurder was het bedrag van de volle huur, terwijl de huurwaarde van de eigenaar gelijk was aan het netto-huurwaardeforfait. Deze regeling had daarom tot gevolg dat een huurder meer in aftrek kon brengen dan een eigenaar. Er was volgens de Hoge Raad sprake van een ongeoorloofde ongelijke behandeling van gelijke gevallen. In artikel 36, tweede lid, aanhef en letter f van de Wet IB 1964 zag de normering van de kosten op zowel het opgeofferde woongenot als op de inrichtingskosten. Uit een eerdere wetswijziging was duidelijk dat de wetgever verschil in behandeling tussen eigenaar-bewoners en huurder-bewoners had beoogd met betrekking tot het opgeofferde woongenot, maar niet voor de inrichtingskosten. Nu voornoemde regeling in strijd was met artikel 26 IVBPR Pro wegens het ongeoorloofde verschil in behandeling met betrekking tot de inrichtingskosten was vervolgens de vraag hoe rechtsherstel voor geboden kon worden. De Hoge Raad stelt dan voorop dat de rechtstreekse werking van artikel 26 IVBPR Pro het effect dient te hebben dat in elk geval met betrekking tot de inrichtingskosten een gelijke behandeling dient te bestaan tussen de eigenaar-bewoner en de huurder-bewoner. Er zijn verschillende opties om deze gelijkheid te bereiken, maar sommige opties gaan verder dan nodig is en sommige opties doen geen recht aan de bedoeling van de wetgever. De Hoge Raad kiest vervolgens voor een optie die de ongelijkheid met betrekking tot de inrichtingskosten opheft en die zoveel als mogelijk tegemoet komt aan de wens van de wetgever te komen tot vereenvoudiging en normering van de aftrek van kosten. Deze oplossing was dat voor het bepalen van de huurwaarde aansluiting werd gezocht bij de huurwaarde van artikel 42a, lid 9, van de Wet IB 1964, in plaats van artikel 42a, lid 1, van de Wet IB 1964. Dus voor de invulling van de huurwaarde werd aansluiting gezocht bij een andere bepaling die meer aansloot bij de bedoeling van de wetgever en die een oplossing bood om de ongeoorloofde discriminatie op te heffen.
HR BNB 2018/137 [84] kwam eveneens aan de orde hoe dient te worden omgegaan met een verdragsschending, zij het dat de Hoge Raad een onderscheid maakt tussen het bieden van een vorm van rechtsherstel en de omvang van het rechtsherstel:
HR BNB 2016/177heeft de Hoge Raad de wetgever al een duidelijk signaal gegeven. De Hoge Raad overweegt:
HR BNB 2016/177en de invoering van het hernieuwde forfaitaire stelsel (iets meer dan zes maanden) kan niet gezegd worden dat de wetgever nalatig is geweest, zodat er in dit geval – met name nu verschillende oplossingen denkbaar zijn –geen reden was voor de Hoven om in geval van geconstateerde schending van artikel 1 EP Pro, zelf in het rechtsherstel te voorzien. Of de invoering van het hernieuwde forfaitaire stelsel al dan niet in strijd is met artikel 1 EP Pro dient aan de orde te komen in een procedure over 2017 of later. Voor zover er dus al sprake zou zijn van strijd met artikel 1 EP Pro, heeft Hof Amsterdam terecht zelf geen rechtsherstel geboden. Ook het hiertegen gerichte middel faalt.