ECLI:NL:PHR:2018:1502
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bescherming pandhouder bij leveringsgebrek cessie ondanks faillissement oorspronkelijke schuldeiser
Deze zaak betreft de vraag of een pandhouder beschermd wordt tegen beschikkingsonbevoegdheid van de pandgever die voortvloeit uit een leveringsgebrek bij een eerdere cessie, terwijl de oorspronkelijke schuldeiser failliet is verklaard vóór de mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar.
De feiten betreffen een vordering uit 2005-2006 van een groothandel ([A]) op een tuinbouwbedrijf ([eiseres 1]), die door cessie werd overgedragen aan [B]. Er werd geen mededeling gedaan aan [eiseres 1], waardoor een leveringsgebrek ontstond. Vervolgens vestigde DVEP een openbaar pandrecht op deze vordering via [B], waarna [A] failliet ging. Mededeling van het pandrecht aan [eiseres 1] vond pas na faillissement plaats, waarna [eiseres 1] weigerde te betalen.
De rechtbank wees de vordering van DVEP af wegens het leveringsgebrek. Het hof oordeelde echter dat DVEP te goeder trouw was en dat het pandrecht geldig was op grond van de derdenbeschermingsbepaling van art. 3:88 jo Pro. 3:98 BW. In cassatie werd dit oordeel bevestigd. De Hoge Raad stelde dat de bescherming geldt indien de onbevoegdheid van de pandgever niet voortkomt uit onbevoegdheid van de vorige vervreemder en dat het faillissement van [A] niet relevant is voor de bescherming van de pandhouder.
De Hoge Raad verwierp de klachten van [eisers] en bevestigde dat het pandrecht geldig is, ondanks het leveringsgebrek in de eerdere cessie en het faillissement van de oorspronkelijke schuldeiser. De goede trouw van de pandhouder wordt beoordeeld ten aanzien van de pandgever en niet de oorspronkelijke schuldeiser.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het pandrecht van de pandhouder is geldig ondanks het leveringsgebrek en het faillissement van de oorspronkelijke schuldeiser.