Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair, dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en haar vorderingen, zoals vermeld onder 1 tot en met 7 van de memorie, zal toewijzen.
primair, dat het Hof haar oorspronkelijke vorderingen zal toewijzen, en
subsidiairdat het Hof:
2.Bespreking van het cassatiemiddel
a contrarioafgeleid dat het de rechter niet is toegestaan de feitelijke grondslag van de vordering, het verzoek of het verweer aan te vullen. [6] Dat verbod wordt in Nederland afgeleid uit art. 24 Rv Pro. [7] Van een inhoudelijk verschil tussen het recht van Nederland en het recht van Sint Maarten is op dit punt dus geen sprake. De bevoegdheid van de Caribische rechter om partijen bij de behandeling van de zaak opmerkzaam te maken op de rechtsmiddelen die zij kunnen aanwenden (art. 118 Rv Pro-SM), door Lewin ook wel aangeduid als de ‘suggestiebevoegdheid’, doet niet af aan het verbod op het aanvullen van de feitelijke grondslag. [8]
de wederpartij [wordt] tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen” heeft de Hoge Raad het verbod mede in het teken van schending van het beginsel van
hoor en wederhoorgezet. [12] Dit fundamentele beginsel van procesrecht is niet alleen neergelegd in art. 6 EVRM Pro - dat ook in het Caribisch deel van het Koninkrijk gelding heeft [13] - maar tevens in art. 119 lid 1 Rv Pro-SM. [14]
niet te rechtvaardigenis en voor [verzoekster]
geen hinder of lastoplevert. Zo schrijft zij in de toelichting op grief 4 het volgende: [22]
disproportioneel, onterecht en hoogst ongebruikelijk” is. Voorts voert zij aan dat het vonnis voor haar “
onevenredig nadelig” is. [23] Hierna heeft [verweerster 1] bij antwoordakte aangevoerd dat weliswaar een gevel van het gebouw over de litigieuze strook grond hangt, maar dat [verzoekster] hiervan
geen enkele hinder of nadeel ondervindt, en het uitzicht noch de wind of het daglicht door het gebouw wordt belemmerd,en dat een inspectie ter plaatse dit zal bevestigen. [24] Hiertegenover heeft de zoon van [verzoekster] tijdens de descente verklaard dat hij het stuk grond waarop en waarboven het gebouwde zich bevindt, wil gebruiken om een woning te bouwen voor zijn kinderen zodat zij geen huur hoeven te betalen, en dat hij daar ook een weg wil aanleggen om toegang te krijgen tot die woning. De gemachtigde van [verweerster 1] , mr. Groenveld, heeft op zijn beurt verklaard dat hij de afbreking van het gebouwde “
onredelijk” vindt, mede gelet op het tijdsverloop en op het feit dat de grond aanvankelijk werd gepacht door [verweerster 1] en het erfpachtrecht door verjaring is overgegaan op [verzoekster] . Voorts heeft de dochter van [verweerster 1] , [betrokkene 2] , verklaard dat alleen de palen, ter ondersteuning van de woning, zijn gebouwd op het terrein van [verzoekster] en dat zij tijdens de descente voor het eerst heeft gehoord dat [verzoekster] daar een weg wenst te construeren. [verweerster 1] zelf heeft nog aangevoerd dat zij in het gebouwde woont en dat haar dochter in het hoofdgebouw woont. De huizen zijn aan elkaar gekoppeld via de ‘gazebo’. Zij hebben toegang tot elkaars woning. Volgens [verweerster 1] zou afbraak van het gebouwde betekenen dat het hele gebouw, inclusief de aansluiting naar het hoofdgebouw, moet worden afgebroken. [25]
gazebote bouwen, ook nog eens zonder bouwvergunning en in strijd met bouwvoorschriften. Met betrekking tot de noodzaak van afbraak stelt [verzoekster] dat het hier niet gaat om een woonhuis, maar om een appartementengebouw, een luxe gebouw. [26]
geen last of hinderveroorzaakt aan de bewoners van het door [verzoekster] over de grenslijn opgetrokken appartementsgebouw. De vordering van [verzoekster] tot afbraak dan wel het betaling van schadevergoeding is volgens haar onredelijk en dient te worden afgewezen. Volgens [verweerster 1] maakt het gebouw
geen inbreuk op het woongenotvan de bewoners/huurders van het appartementsgebouw. De overhang blokkeert absoluut niet het uitzicht noch het daglicht of de lucht toevoer tot het appartementengebouw. [verweerster 1] stelt dat [verzoekster]
geen enkel belangnoch enige rechtsgrond heeft aangevoerd waarop de vordering tot afbraak gestoeld kan worden
en dat de vorderingen kennelijk enkel en alleen bedoeld zijn om [verweerster 1] schade toe te brengen.Bij een eventueel bevel tot het afbreken van het door [verweerster 1] gebouwde zal [verweerster 1]
onevenredig nadeel en schade lijdenvergeleken met het geringe ongemak dat de bewoners van het appartement hebben te verduren van de overhang. Indien [verweerster 1] het overhangende gedeelte moet afbreken, zal dit tot gevolg hebben dat de hele structuur van de rest van het gebouw wordt beschadigd en dusdanig wordt verzwakt dat waarschijnlijk haar hele woning afgebroken zal moeten worden. Gesteld noch gebleken is dat de huurders van het appartement ooit hebben geklaagd over de overhang van het gebouw van [verweerster 1] , zo stelt [verweerster 1] . [27]
uitsluitendop het hiervoor onder (c) genoemde geval van misbruik van bevoegdheid heeft beroepen. Het Hof heeft vervolgens in rov. 2.4 beoordeeld of
ditberoep, dat een belangenafweging behelst, gegrond is. Daarbij heeft het Hof niet miskend dat de stelplicht en bewijslast conform de hoofdregel van art. 129 Rv Pro-SM op [verweerster 1] rustten. Dit kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit de overweging dat [verweerster 1] met betrekking tot haar belang ter descente
onweersprokenheeft
gestelddat afbraak van het [verweerster 1] op en boven de strook gebouwde tot gevolg heeft dat niet alleen het overhangende deel, maar ook de rest van het nieuw gebouwde deel van de woning zal moeten worden afgebroken (rov. 2.4, eerste volzin). Nu het Hof de stellingen van [verweerster 1] heeft opgevat als een beroep op
uitsluitendhet hiervoor onder (c) genoemde geval van misbruik van bevoegdheid, behoefde het Hof, anders dan het subonderdeel betoogt, niet tevens na te gaan of [verzoekster] haar bevoegdheid als erfpachter ook heeft uitgeoefend met geen ander doel dan om [verweerster 1] te schaden (het hiervoor onder a genoemde geval) en/of [verzoekster] haar bevoegdheid heeft uitgeoefend met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid haar is verleend (het hiervoor onder b genoemde geval). De klachten in subonderdeel II stuiten hierop af.
naastdie van art. 3:13 BW Pro.
AVO/ [...]. [37] Dat betekent dat de eigenaar van een overbouw zich zowel kan beroepen op de rechtsgevolgen van art. 3:13 BW Pro (misbruik van recht), als op die van art. 5:54 BW Pro (legalisatie). [38] Dat de eigenaar van een overbouw beide mogelijkheden heeft, blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis, waarin is opgemerkt dat de eigenaar van de overbouw die de weg van art. 5:54 BW Pro te kostbaar acht, kan volstaan met een beroep op art. 3:13 BW Pro. Wel zal in dat geval de belangenafweging als bedoeld in art. 3:13 lid 2 BW Pro in de regel in zijn nadeel uitvallen, nu hem ook de wettelijke weg tot legalisering van de onrechtmatige toestand wordt geboden (art. 5:54 BW Pro). [39] Verder is in de parlementaire geschiedenis te lezen dat afwijzing van de vordering tot amotie wegens misbruik van bevoegdheid, geen invloed heeft op het recht op schadevergoeding dat de eigenaar van het naburige erf op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW Pro) kan doen gelden. [40]
naar redelijkheid niet tot uitoefening van die bevoegdheid had kunnen komen”, komt tot uitdrukking dat geen sprake is van een volledige (‘gewone’) belangenafweging. In beginsel staat het de rechthebbende vrij de bevoegdheden die hij aan zijn recht kan ontlenen uit te oefenen, ook al wordt een derde hierdoor benadeeld. Art. 3:13 BW Pro stelt in beperkte mate grenzen aan die vrijheid, namelijk wanneer – zoals het in de Toelichting Meijers is verwoord – “
geen weldenkend mens in redelijkheid tot de uitoefening der bevoegdheid had kunnen komen.” [42]
in concretomoeten worden afgewogen. [43] In dit verband vermeldt de Toelichting Meijers dat bij de toepassing van het onevenredigheidscriterium mede moet worden gelet op de belangen, die door de bevoegdheidsuitoefening worden benadeeld – waarbij het doorgaans gaat om de ernst van de schade – maar dat voor het overige aan de rechter de nodige vrijheid wordt gelaten om te beoordelen of misbruik van bevoegdheid aanwezig is. [44] Volgens Rodenburg dient daarbij niet te worden geabstraheerd van subjectieve elementen aan de kant van zowel degene die de bevoegdheid uitoefent als de wederpartij. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de vraag of de wederpartij bij het grensoverschrijdend bouwen te goeder trouw is geweest in die zin dat hij niet wist dat hij de grens overschreed. Ook de weigering om genoegen te nemen met een aanbod tot schadevergoeding en het
in plaats daarvaninstellen van een vordering tot afbraak van de overbouw kan een relevante omstandigheid zijn. Verder valt te denken aan omstandigheden als benadelingsopzet; grove schuld; afspraken met de benadeelde over de wijze van bevoegdheidsuitoefening; het gewekte vertrouwen dat een bevoegdheid niet bestaat of dat van een bepaalde bevoegdheid geen bezwarend gebruik zal worden gemaakt. Rodenburg stelt dat de toetsing van al deze subjectieve elementen besloten ligt in de eis dat de rechthebbende
in de omstandigheden van het gevalniet tot uitoefening van de bevoegdheid had kunnen komen. [45]
Grensoverschrijdende garage. [46] In dat arrest – dat overigens voor de invoering van art. 3:13 lid 2 BW Pro is gewezen – overwoog de Hoge Raad dat de eigenaar in beginsel recht heeft de amotie van het op zijn terrein gebouwde gedeelte van de garage te vorderen, ook al zou de wederpartij bij de grensoverschrijding te goeder trouw zijn geweest en een redelijke schadevergoeding hebben aangeboden. Dit sluit volgens de Hoge Raad echter niet uit dat, zo de wederpartij te goeder trouw is geweest, de eigenaar door in plaats van genoegen te nemen met een redelijke schadevergoeding een vordering tot amotie in te stellen, zich schuldig maakt aan misbruik van recht, indien het nadeel dat de wederpartij door de amotie zou lijden, zowel op zichzelf beschouwd als in zijn verhouding tot het belang dat de eigenaar met zijn vordering nastreeft, zo groot zou zijn dat, alle verdere omstandigheden in aanmerking genomen, hij naar redelijkheid niet tot de uitoefening dan zijn recht amotie te vorderen had kunnen komen. In deze zaak werd door de Hoge Raad overigens geen misbruik van recht aangenomen, omdat de wederpartij slechts had aangevoerd dat de schade door afbraak van de garage onevenredig groter is dan het voordeel dat die afbraak aan de eigenaar oplevert. Volgens de Hoge Raad volgt uit deze stelling nog niet dat de eigenaar zich door het instellen van de vordering tot amotie aan misbruik van recht heeft schuldig gemaakt.
eigendomsrechtheeft beroepen en het gebouw in een periode van onzekerheid over de rechthebbende van de grond is geconstrueerd ten nadele van [verzoekster] zou moeten meewegen. Ik begrijp het oordeel van het Hof zo, dat het Hof in het voordeel van [verweerster 1] heeft laten meewegen dat enerzijds [verzoekster] zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij eigenaar was van de strook grond, terwijl anderzijds [verweerster 1] niet te kwader trouw grensoverschrijdend heeft gebouwd. Dit sluit aan bij de stellingen van [verweerster 1] dat zij, op grond van de meetbrief, in de veronderstelling verkeerde dat zij bouwde op grond waarop zij een recht van erfpacht had en dat [verzoekster] nimmer eigenaar van de strook grond is geweest. [47] Dat het hof deze omstandigheid ten voordele van [verweerster 1] heeft meegewogen, is niet onbegrijpelijk.
primaireschadevergoedingsvordering van [verzoekster] die gestoeld was op haar vermeende eigendomsrecht. Ná zijn overweging dat voor het toewijzen van schadevergoeding onvoldoende grond bestaat, merkt het Hof immers op dat [verzoekster] pas bij akte van 8 april 2016 haar op de verkrijging van erfpacht gegronde
subsidiairevorderingen heeft ingesteld. Welke conclusie het Hof daaraan verbindt is echter onduidelijk, nu het op een aantal van die subsidiaire vorderingen wel gemotiveerd heeft beslist, maar, zoals gezegd, niet op de subsidiaire vorderingen tot het verkrijgen van een verklaring voor recht dat [verweerster 1] onrechtmatig heeft gehandeld en schadeplichtig is jegens [verzoekster] .