Conclusie
Advanced Materials Division’.
Research & Development Centerin Istanbul, Turkije. Organik heeft productiefaciliteiten in Turkije en sinds 2007 ook in de Botlek Rotterdam. De activiteiten van Organik omvatten onder andere de ontwikkeling en productie van emulsiepolymeerproducten. Organik is al meer dan 50 jaar actief op dit gebied. Wereldwijd zijn er ongeveer 500 personen werkzaam bij Organik, waarvan er ongeveer 65 werkzaam in de productiefaciliteit aan de Botlek Rotterdam en ongeveer 80 op het gebied van onderzoek en ontwikkeling (R&D) in Istanbul.
particle size’) van de holle deeltjes en de ‘
void fraction’. De
void fractionis de fractie van het volume van de leegtes (
voids) van een totaal volume (uitgedrukt in een percentage). In dit geval is de
void fractionhet percentage van het volume van de leegte ten opzichte van de volume van het polymeer.
void fractionen verbeterde vertroebelende eigenschappen. Gebaseerd op deze nieuwe ontdekking heeft R&H de ROPAQUE Ultra productlijn gelanceerd.
petition for reviewingediend bij het
US Patent and Trademark Office. Deze twee verzoeken zijn afgewezen.
U.S. International Trade Commission(ITC) tegen (één of meer vennootschappen uit de groep van) Organik een octrooi-inbreukprocedure gestart met betrekking tot het importeren in de Verenigde Staten van Organiks opaque emulsiepolymeer ORGAWHITE 2000. In november 2013 heeft Dow haar klacht aangepast zodat deze (ook) zag op de onrechtmatige verkrijging en gebruik van één of meer bedrijfsgeheimen van R&H door Organik ten behoeve van de ontwikkeling en het in de handel brengen op de Europese en Amerikaanse markt van ORGAWHITE 2000. Dow heeft de grondslag voor zover het de gestelde octrooi-inbreuk betrof in de ITC-procedure op enig moment niet langer gehandhaafd.
discovery’-fase van de ITC-procedure en het afnemen van ‘
depositions’ van meer dan 20 personen van de zijde van Organik, heeft de
Administrative Law Judgein die procedure op 20 oktober 2014 een
Initial Determinationuitgevaardigd inhoudende:
spoliationvan bewijsmiddelen door (één of meer vennootschappen uit de groep van) Organik in het gelijk gesteld en Organik een boete en een importverbod in de Verenigde Staten van 25 jaar van opaque polymeren (ORGAWHITE 2000) opgelegd. Op de bewijsstukken in de procedure voor de ITC rust een ‘
ITC Protective Order’. Organik heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de ITC bij de
United States Court of Appeals of the Federal Circuit, welk beroep nog loopt.
Superior Courtin Delaware, Verenigde Staten van Amerika, jegens Organik (behoudens eiseres tot cassatie onder 6 (Chemorg)) een procedure aanhangig gemaakt waarin zij ‘
monetary and worldwide injunctive relief’ vordert ter zake van haar bedrijfsgeheimen. In een dergelijke procedure staat een eiser de mogelijkheid van (verdere) ‘
discovery’ ter beschikking.
Commercial and Technical Manager for Emerging Markets’ voor de R&H polymeer en haar bedrijfsvoering. [betrokkene 1] was contractueel gebonden aan een vertrouwelijkheids- en geheimhoudingsbeding jegens Rohm & Haas España S.A. Na zijn vertrek is [betrokkene 1] bij Organik gaan werken. [betrokkene 1] was betrokken bij het opzetten van de fabriek van Organik in Rotterdam. Thans is hij mede-hoofd van de afdeling R&D van (één van de vennootschappen uit de groep van) Organik in Turkije.
Production Manager’ bij de productiefabriek in Mozzanica, Italië, in de periode van 1994-2000 in de functie van ‘
Plant Manager’ van dezelfde fabriek en in de periode van 2000-2003 als ‘
Plant Manager’ van de productiefabriek in Robechetto, Italië. [betrokkene 2] was contractueel gebonden aan een vertrouwelijkheids- en geheimhoudingsbeding jegens Rohm and Haas Italia SpA. In de periode van 2003-2008 heeft [betrokkene 2] gewerkt voor het Italiaanse bedrijf Vinavil. In september 2008 is hij in dienst getreden van Organik als ‘
Plant Manager’ van haar fabriek in Rotterdam.
2.Ontvankelijkheid
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
rechtsbetrekking
AIB/Novisem).
AIB/Novisem, r.o. 4.1.5).
protective ordervallen. Die
orderverbiedt Dow de onderzoeksresultaten te delen met haar Nederlandse advocaten en in te brengen in deze Nederlandse procedure. Dow kan haar stelling dus niet specificeren aan de hand van deze resultaten. Daar komt bij dat kennis van het productieproces van Organik het probleem van het waarborgen van de vertrouwelijkheid van de bedrijfsgeheimen van Dow in deze procedure niet volledig wegneemt. Daarmee staat namelijk nog niet vast in hoeverre Organik al kennis heeft van de bedrijfsgeheimen van Dow.
derdengeen beschikking krijgen over vertrouwelijke gegevens. De voorschriften van de art. 27-29 Rv voorzien niet in de mogelijkheid om de toegang van een
procespartijtot vertrouwelijke processtukken te beperken.
aparteeis van voldoende aannemelijkheid van de door art. 843a Rv geëiste rechtsbetrekking (in het IE-recht: van de inbreuk) voegt daaraan niets toe. [62] Dit is in zaken betreffende intellectuele eigendom in overeenstemming met hetgeen de Hoge Raad overweegt in HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (
Synthon/Astellas), samengevat in 3.3.4 , namelijk ‘
dat de rechter bij zijn oordeel omtrent de toewijsbaarheid van een exhibitievordering in intellectuele-eigendomszaken in de toetsing van het ‘rechtmatig belang’ de belangen van de verweerder dient te betrekken, waaronder diens belang dat de bescherming van vertrouwelijke informatie is gewaarborgd, maar in het bijzonder ook om verschoond te blijven van de ingrijpende maatregel die exhibitie niet zelden is, ingeval de beweerde inbreuk niet voldoende aannemelijk is, of indien de exhibitie verlangende partij ook andere effectieve, maar voor de verweerder minder belastende middelen tot bewijsgaring ten dienste staan (zoals een voorlopig getuigenverhoor of deskundigenbericht)’. (…)
AIB/Novisem [63] in IE-zaken worden gesteld voor de stelplicht ten aanzien van de rechtsbetrekking in het kader waarvan het bewijsbeslag wordt verzocht. Die eisen sluiten aan bij de Europese rechtspraak in IE-zaken en vooralsnog zien wij geen noodzaak daarbij in het commune recht aan te sluiten, nu die eisen ook niet gelden voor de vordering tot inzage op grond van art. 843a Rv. Verwezen wordt naar wat wij hebben opgemerkt in par. 3.5.8.” [64]
Artikel 11, eerste lid, behoeft geen implementatie omdat de bestaande regelgeving voldoet. Artikel 3:303 BW Pro bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt, op grond waarvan de houder van een bedrijfsgeheim zijn houderschap zal moeten aantonen.Daarnaast geldt dat partijen op grond van artikel 21, eerste lid, Rv verplicht zijn de voor de beslissing relevante feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Indien deze verplichting niet wordt nageleefd, kan de rechter op grond van het tweede lid van genoemd artikel daaruit de gevolgtrekking maken die hij gerade acht. Ook kan de rechter op grond van artikel 22 Rv Pro partijen of een van hen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen.”
subonderdeel 1.2.
subonderdeel 1.3kan niet tot cassatie leiden, nu deze klacht is gericht tegen een rechtsoordeel.
wijze waaropop grond van art. 843a lid 2 Rv inzage dient te worden verschaft, een deskundige aanwijzen, maar de beslissing op grond van welke (juridische)
criteriade inzage kan plaatsvinden, dient m.i. door de rechter te worden genomen nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om zich over deze criteria te kunnen uitlaten. Hetgeen het hof in rov. 4.75 heeft overwogen, is derhalve onjuist omdat de specificatie van de bedrijfsgeheimen wel degelijk ten grondslag ligt aan de beslissing om inzage te verlenen [82] .
subonderdeel 1.4slaagt. Daarin wordt geklaagd dat het door het hof in rov. 4.21 van het tussenarrest hanteren van de AIB/Novisem-maatstaf op de vraag of Dow bedrijfsgeheimen heeft [84] , blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdeel 2.1een motiveringsklacht voor zover het hof zou hebben geoordeeld dat de afzonderlijke elementen of bestanddelen van de recepten en productie-instructies voor de emulsiepolymeren van Dow en voor de zaadpolymeren die worden gebruikt als startmateriaal voor de emulsiepolymeren van Dow, bedrijfsgeheimen zijn.
weleen onderscheid heeft gemaakt (productie 40 van Dow). Bovendien vermeldt het proces-verbaal van de beslaglegging dat beslag is gelegd op ‘mogelijk relevante onderdelen’ uit de papieren administratie en ‘mogelijk relevante digitale bestanden’ (productie 16 van Dow). Daarom moet ervan uit worden gegaan dat er [ten] minste enige selectie heeft plaatsgevonden. In het licht daarvan en gelet op de hiervoor genoemde belangenafweging, kan het gestelde gebrek aan selectie – en het daarop gebaseerde betoog over de schending van de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit – niet leiden tot opheffing van het beslag.”
subonderdeel 5.2is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van de (door Organik onderbouwd gestelde) feiten, te weten dat de in bewaring genomen gegevensdragers 6,4 miljoen bestanden bevatten, ten minste 22 servers volledig zijn gekopieerd en dat IT-deskundigen op basis van deze gegevens concluderen dat niet alleen de volledige bedrijfsvoering van Organik Kimya integraal lijkt te zijn gekopieerd, maar zelfs de volledige IT-omgeving. Volgens het subonderdeel is het niet voor mogelijk te houden dat 6,4 miljoen bestanden binnen 18 uur door de deurwaarder op relevantie zijn beoordeeld: dat zou neerkomen op 5.556 bestanden per minuut en 93 bestanden per seconde.
subonderdeel 6.1getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting en/althans heeft het hof zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat alleen beslag kan worden gelegd op bescheiden die voldoen aan de voorwaarden van art. 843a Rv. Nu het hof in het tussenarrest in rov. 4.9 heeft geoordeeld dat alle bescheiden die zijn beslagen onvoldoende bepaald zijn, in rov. 4.10-4.11 heeft geoordeeld dat slechts de in de subsidiaire vordering beschreven bescheiden (met nader door het hof aangebrachte beperking) voldoende zijn bepaald en in rov. 4.64 heeft geoordeeld dat sprake is van een ontoelaatbare
fishing expeditionvoor zover er geen redelijk vermoeden bestaat dat Organik bedrijfsgeheimen heeft geschonden voor zover de bescheiden waarin Dow inzage heeft gevorderd onvoldoende bepaald zijn, had het hof, aldus het subonderdeel, het beslag op de resterende bescheiden moeten opheffen.
NJ1959, 246, heeft geoordeeld, is onjuist de stelling dat de rechter in kort geding zonder in een beoordeling van de wederzijdse belangen van partijen te mogen treden, de opheffing van een conservatoir beslag zou moeten bevelen indien de beslaglegger niet erin slaagt het bestaan van zijn vordering aannemelijk te maken. In de MvA I Inv. bij art. 705 Rv Pro, Parl. Gesch. Wijziging Rv (Inv. 3, 5 en 6), blz. 314, wordt dit arrest aangemerkt als 'het ene uiterste' bij de door de rechter te verrichten belangenafweging: indien de beslaglegger zijn vordering niet aannemelijk maakt, noopt dit nog niet tot opheffing van het conservatoir beslag; zelfs dan moet nog een belangenafweging plaatsvinden. De memorie gaat dan als volgt verder:
NJ 1984, 180: het kan zich voordoen dat een vordering wel degelijk in zekere mate aannemelijk gemaakt wordt, maar niet voldoende om de ingrijpende gevolgen van het betreffende beslag voor de schuldenaar te rechtvaardigen.’
onderdeel 7, dat drie subonderdelen bevat, is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.1, 5.20, 5.23, 5.24 en 5.51 dat het beslag op het gedeelte van het beslagen materiaal ten aanzien waarvan de vordering tot inzage als bedoeld in art. 843a Rv is afgewezen, niet wordt opgeheven.
subonderdeel 8.2dat voor zover rov. 2.11 aldus moet worden verstaan dat de goede procesorde zich tegen de specificatie van Organik verzet, het oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat dit niet kenbaar is uit het arrest van het hof.
voorshandsniet kan uitgaan van de juistheid van Organiks stelling dat er ook mailboxen zijn beslagen van personen die niet werkten voor of vanuit Rotterdam en dat het aan Organik is om te specificeren om welke personen het gaat. Van een ten aanzien van dit punt uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing van het hof is volgens het subonderdeel derhalve geen sprake.
discoveryheeft moeten overleggen. Dow heeft terecht opgemerkt dat Organik dit verweer eerder had kunnen en moeten voeren. Dow heeft ter onderbouwing van de gestelde schending van bedrijfsgeheimen al in eerste aanleg en bij haar memorie van grieven verwezen naar de conclusies van haar deskundige Cunningham op basis van de bedoelde lijst met 52 bedrijfsgeheimen. Op die bevindingen van Cunningham is Organik voorafgaand aan het tussenarrest ook uitgebreid ingegaan, maar Organik heeft in dat kader nooit het verweer gevoerd dat de lijst is opgesteld met kennis van het productieproces van Organik. Door het verweer pas nu, nadat het hof al heeft moeten beslissen over de gestelde schending van bedrijfsgeheimen, naar voren te brengen, handelt Organik in strijd met de goede procesorde en de tweeconclusieregel.”
onderdeel 10slaagt eveneens voor zover in de hiervoor genoemde (sub)onderdelen terecht is geklaagd over overwegingen van het hof.
4.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
subonderdelen 1.2en
1.3uitgaan van de lezing dat het hof het onderhavige kort geding als de hoofdzaak in de zin van art. 1019c Rv heeft bestempeld.
subonderdeel 1.3is het oordeel dat het onderhavige kort geding en niet de bodemzaak moet worden aangemerkt als hoofdzaak onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast formuleert dit subonderdeel een rechtsklacht voor het geval de lezing zou moeten zijn dat het naar het oordeel van het hof niet mogelijk is om een andere procedure aan te merken als de hoofdzaak in de zin van art. 1019c lid 2 dan de procedure die geldt als de hoofdzaak in de zin van art. 700 lid 3 Rv Pro.
een bodemrechter bij in kracht van gewijsde gegane beslissing anders is beslist;” [curs. A-G]
Kamerstukken II2005-2006, 30 392, nr. 3, p. 7-8). Ook op die lijst komen bedrijfsgeheimen niet voor (Statement by the commission concerning Article 2 of Directive 2004/48/EC of the European Parliament and of the Council on the enforcement of intellectual property rights, 2005/295/EC,
PbEU13 april 2005, L 94/37).
[naam partij]), treft geen doel. In dat arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een combinatie van de artikelen 730 en 843a Rv voldoende grondslag biedt voor het leggen van een bewijsbeslag. Die wettelijke grondslag maakt duidelijk dat de Hoge Raad het bewijsbeslag ziet als een middel tot bewaring (van een recht op afgifte) van bepaald, reeds bestaand bewijsmateriaal. Bij een beschrijving gaat het daarentegen om het creëren van nieuw bewijsmateriaal, bijvoorbeeld door het onderzoeken van een productieproces. Het zou de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaan om een bevoegdheid tot het bevelen van dergelijke maatregelen te creëren op basis van de artikelen 730 en 843a Rv. Het aangehaalde arrest wijst er ook niet op dat de Hoge Raad zover heeft willen gaan.
Kamerstukken II, 2005-2006, 30 392, nr. 3, p. 22). Ook de wetgever ging er dus van uit dat er geen algemene wettelijke basis voor het verlenen van verlof tot het maken een beschrijving bestaat. Kennelijk heeft de wetgever ook geen reden gezien om die basis alsnog te creëren voor andere geschillen dan IE-zaken in de zin van artikel 1019 Rv Pro.”
subonderdeel 2.2deelt in het lot van subonderdeel 2.1.
subonderdelen 3.1-3.3klagen kort gezegd dat het hof in zijn beslissing onder 3.3.11 ten onrechte, althans zonder toereikende motivering een dwangsom aan Dow heeft opgelegd zonder dat Organik dit heeft gevorderd.
5.Conclusie in het principale en incidentele cassatieberoep
in het principale en incidentele cassatieberoep:
in het principale cassatieberoep:
in het incidentele cassatieberoep: