Conclusie
3.Het eerste middel
Mijn subsidiaire verweer
(protestants-)christelijke, rooms-katholieke, gereformeerde en reformatorischeschoolrichtingen met één of meer scholen op redelijke afstand van onze woning betreffen onze bezwaren het vastgelegd, geschreven fundament van die richtingen, het Oude en het Nieuwe Testament (het Evangelie) en de bijbehorende normen en waarden. Die christelijke levensovertuigingen zijn allemaal primair op dogma's gebaseerd, ontleend aan overgeleverde teksten in de Bijbel waaraan men gezag toekent.
Openbare en Algemeen- bijzonderescholen zijn ontleend aan de visie van de meerderheid van de Nederlandse bevolking. Deze sluit niet aan bij het Holisme. Hoewel Openbare Scholen het Holisme officieel zouden moeten respecteren, is het percentage Holisten in Nederland zo klein, dat er onmogelijk een redelijke tijd binnen het onderwijs te besteden valt aan het Holisme als zodanig. Ook valt van docenten en het bevoegd gezag van die scholen geen inzicht in Holisme te verwachten, zodat zij niet weten wat zij nu precies zouden moeten eerbiedigen. Bovendien dragen deze scholen het Holisme per definitie niet uit, daar zij neutraal zijn. Daartegen hebben wij bezwaren. Doordat neutrale scholen elke levensovertuiging respecteert, hebben zij geen eigen visie.
Antroposofischerichting vinden wij de visie op reïncarnatie zeer bezwaarlijk. Hoe meer weerstand in deze visie een kind in zijn leven tegenkomt, hoe meer profijt het daaruit zou verkrijgen voor een volgende incarnatie. Ook hebben wij bezwaar tegen hun algemeen christelijk perspectief.
zelfdekind in de voorgaande jaarperiode aan een school geplaatst was van een richting waartegen bezwaar gemaakt wordt. Artikel 8 lid 2 Lpw Pro zwijgt daarentegen over
anderekinderen in het gezin en laat uit de schoolplaatsing van die andere kinderen geen enkele consequentie volgen. Als de wetgever aan zulk een omstandigheid wel een fatale consequentie had willen verbinden, dan zou deze dat in artikel 8 Lpw Pro hebben gedaan.”
Overweging met betrekking tot het bewijs
inrichtingvan het onderwijs op scholen binnen redelijke afstand van hun woning, maar dat dat niet wegneemt dat het de taak van de feitenrechter is om te onderzoeken of de geuite bedenkingen als geheel (ook) de
richtingvan het onderwijs van de scholen op redelijke afstand betreffen. Het hof heeft dit verzuimd, nu het de toelichting van de verdachte op zijn bedenkingen zoals neergelegd in zijn ter zitting voorgedragen verweerschrift niet in zijn oordeel heeft betrokken en deze evenmin voor het bewijs heeft gebezigd. Dit verweerschrift gaf wel degelijk bedenkingen tegen de richting van het onderwijs van de omliggende scholen weer, aldus de steller van het middel.