Conclusie
1.Feiten en procesverloop
partial awardis maar een
final awarddie gezag van gewijsde heeft verkregen en dat de proceshandelingen die zijn verricht na de Partial Award, althans de Review Partial Award, geen effect sorteren.
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 3.6 t/m 3.9 van de bestreden beschikking en valt in drie subonderdelen (A, B en C) uiteen. Het onderdeel betoogt in de kern genomen dat het hof met zijn oordelen een onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. I, III en V van het Verdrag van New York en blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de consequenties van de Resolution voor de Final Award.
Onderdeel 1Avoert aan dat het hof een rechtens onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. III Verdrag van New York. Het hof heeft in rov. 3.6 ten onrechte geoordeeld dat het voor de toepassing van art. III Verdrag van New York van belang is of het arbitraal vonnis volgens het toepasselijke arbitragerecht rechtsgeldig, finaal en voor partijen bindend is. [4] De mogelijke consequenties die de Resolution naar Tsjechisch recht heeft voor de rechtsgeldigheid en de verbindendheid van de Final Award dienen, anders dan het hof heeft overwogen, niet te worden beoordeeld in het kader van art. III, maar in het kader van art. V, lid 1, onder e Verdrag van New York. [5] De door het hof gevolgde weg heeft het onwenselijke gevolg dat de bewijslast van de bindende kracht van de Final Award in strijd met de ratio van het Verdrag van New York wordt verschoven van Tsjechië naar Diag, aldus het onderdeel. [6]
travaux préparatoires) en de omstandigheden waaronder het desbetreffende verdrag is gesloten. Art. 33 WVV Pro heeft betrekking op de uitlegging van in twee of meer talen opgestelde authentieke teksten. Art. 33 lid 4 WVV Pro bepaalt dat indien de vergelijking met de authentieke verdragsteksten een verschil in betekenis oplevert dat niet door de toepassing van art. 31-32 WVV wordt weggenomen, de betekenis moet worden aangenomen die, rekening houdend met het voorwerp en doel van het verdrag, deze teksten het best met elkaar verzoent. Het doel van het Verdrag van New York is het faciliteren van de erkenning en tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke uitspraken met toepassing van een eenvoudige en snelle procedure. Zoals reeds opgemerkt, geeft het Verdrag van New York geen definitie van het begrip ‘scheidsrechterlijke uitspraak’. Ook uit de
travaux préparatoiresvan het Verdrag van New York blijkt niet wat onder dit begrip moet worden verstaan. De Verdragsluitende Staten konden geen overeenstemming bereiken over een definitie, zodat uiteindelijk is besloten om het begrip ongedefinieerd te laten. [11]
SEEE/Joegoslavië Iheeft de Hoge Raad het begrip ‘scheidsrechterlijke uitspraak’ onder het Verdrag van New York nader geduid. [13] De Hoge Raad heeft het volgende overwogen:
final) inhoudelijk oordeel inhouden over (een deel van de) vorderingen in een juridisch geschil tussen partijen. [15] Voor de toepassing van het Verdrag van New York gaat het dus vooral om de vraag of een beslissing is aan te merken als een scheidsrechterlijke uitspraak dan wel als een ander type beslissing waarop het Verdrag niet van toepassing is.
final) was geworden in het land van herkomst. Het woord definitief (
final) kon aldus worden uitgelegd dat tegen het arbitraal vonnis in het land van herkomst niet langer rechtsmiddelen met een korte beroepstermijn open stonden. [18] Op grond van art. 4 lid 2 Verdrag Pro van Genève diende de partij die tenuitvoerlegging verzocht te bewijzen dat de beslissing definitief was geworden. Uit art. 1, aanhef en onder d, van het Verdrag van Genève volgde dat een arbitraal vonnis niet als definitief (
final) kon worden beschouwd indien daartegen nog verzet, beroep of voorziening in cassatie (in de landen waar deze rechtsmiddelen bestaan) mogelijk was, of indien een geding aanhangig was om de geldigheid van de uitspraak te betwisten. In de praktijk kon de verzoekende partij hieraan slechts voldoen door het overleggen van een exequatur verleend in het land van herkomst van het arbitraal vonnis. Aangezien in het land waar tenuitvoerlegging werd verzocht ook een exequatur werd verlangd, leidde dit tot het systeem van het ‘dubbele exequatur’. Door de opstellers van het Verdrag van New York werd dit systeem belastend en ontoereikend geacht. Het woord
finalis daardoor in art. III Verdrag van New York vervangen door het woord
binding. Daarnaast verplicht art. III Verdrag van New York een Verdragsluitende Staat scheidsrechterlijke uitspraken te erkennen en ten uitvoer te leggen met toepassing van een eenvoudige en snelle procedure, terwijl art. V, lid 1, aanhef en onder e Verdrag van New York onder meer bepaalt dat tenuitvoerlegging kan worden geweigerd indien een arbitraal vonnis nog niet bindend is geworden.
e) The award has not yet become binding on the parties, or has been set aside or suspended by a competent authority of the country in which, or under the law of which, that award was made.’
e) Que la sentence n’est pas encore devenue obligatoire pour les parties ou a été annulée ou suspendue par une autorité compétente du pays dans lequel, ou d’après la loi duquel, la sentence a été rendue.’
e) dat de uitspraak nog niet bindend is geworden voor partijen of is vernietigd of haar tenuitvoerlegging is geschorst door een bevoegde autoriteit van het land waar of krachtens welks recht die uitspraak werd gewezen.’
prima facieblijkt dat een beslissing geen scheidsrechterlijke uitspraak is in de zin van het Verdrag van New York, mist het Verdrag toepassing en zal om die reden de erkenning en de tenuitvoerlegging moeten worden geweigerd. Indien een beslissing daarentegen voldoet aan de hierboven genoemde vereisten en dus niet
prima facieblijkt dat het geen scheidsrechterlijke uitspraak is, zal de partij tegen wie een beroep op die uitspraak wordt gedaan zich moeten beroepen op de gronden van art. V lid 1 Verdrag van New York om weigering van de erkenning en de tenuitvoerlegging te bewerkstelligen. [21]
SEEE/Joegoslavië I.Deze zaak betrof de erkenning en de tenuitvoerlegging in Nederland van een in Lausanne (Zwitserland) gegeven beslissing door twee arbiters in een geschil tussen de Franse vennootschap SEEE en Joegoslavië. In een door Joegoslavië aanhangig gemaakte procedure tot vernietiging van de arbitrale beslissing heeft de rechter in het Zwitserse kanton Vaud (waarin Lausanne is gelegen) geoordeeld dat deze beslissing niet voor vernietiging in aanmerking komt, omdat het door de arbiters getekende stuk geen arbitraal vonnis is in de zin van het toepasselijke arbitragerecht van het kanton Vaud op grond waarvan een oneven aantal arbiters is vereist. Het hof ’s-Gravenhage heeft het verlof tot tenuitvoerlegging van de beslissing geweigerd, omdat het stuk niet voldeed aan de vereisten van het Zwitserse arbitragerecht (van het kanton Vaud) en daarmee niet is een scheidsrechterlijke uitspraak ‘gewezen als in het Verdrag [van New York, A-G] bedoeld op het grondgebied van een andere verdragsstaat dan Nederland’. De Hoge Raad heeft de beschikking van het hof vernietigd, omdat het hof op onjuiste gronden tot dit oordeel was gekomen. De Hoge Raad heeft, kort samengevat, overwogen dat het hof de erkenning en de tenuitvoerlegging van de arbitrale beslissing niet had mogen weigeren buiten het kader van een onderzoek naar de in art. V lid 1 Verdrag van New York genoemde weigeringsgronden. Het verband tussen het arbitraal vonnis en het recht van het land waar dit vonnis is gewezen, behoeft slechts aan de orde te komen in het kader van het onderzoek naar het bestaan van weigeringsgronden van art. V lid 1 Verdrag van New York en in het bijzonder de weigeringsgronden genoemd in sub a, d en e, aldus de Hoge Raad.
final and bindingis in de zin van art. III Verdrag van New York onder het voorbehoud van de mogelijkheid de Final Award te onderwerpen aan een herziening, maakt het voorgaande niet anders. Zoals hierboven is uiteengezet, volgt uit het systeem van het Verdrag van New York dat de vraag of een scheidsrechterlijke uitspraak onder het toepasselijke nationale recht bindende kracht mist, slechts aan de orde komt bij de weigeringsgrond van art. V, lid 1, aanhef en onder e Verdrag van New York.
Onderdeel 1Bbetoogt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof met toepassing van art. V, lid 1, aanhef en onder e Verdrag van New York de door Diag verzochte erkenning en het verlof tot tenuitvoerlegging niet had mogen weigeren, nu de Resolution een procesrechtelijke beslissing is en daarmee niet een beslissing die in Nederland kan worden erkend. Aan de voorwaarden van art. V, lid 1, aanhef en onder e Verdrag van New York is niet voldaan, aldus het onderdeel.
Onderdeel 1Cbetoogt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de Resolution zowel onder de vigeur van art. III (jo. art. I) als van art. V, lid 1, aanhef en onder e Verdrag van New York niet kan leiden tot een door de Nederlandse rechter verplicht te erkennen rechtskrachtverlies van de Final Award. De uitleg die het hof heeft gegeven aan de Resolution impliceert immers dat aan Diag rechten worden ontnomen zonder dat aan haar rechtsbescherming toekomt. Het Verdrag van New York dient te worden uitgelegd in overeenstemming met internationaal aanvaarde maatstaven, waaronder art. 6 en Pro 13 EVRM, art. 1 EP Pro EVRM en art. 14 IVBPR Pro. Daarnaast heeft het hof, voor zover de Resolution moet worden gezien vanuit de weigeringsgronden van art. V, lid 1, aanhef en onder e Verdrag van New York, miskend dat geen verplichting bestaat voor de aangezochte rechter tot weigering van een verzoek om erkenning en van het verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis, aldus het onderdeel.
Onderdeel 2komt met rechts-en motiveringsklachten op tegen de oordelen van het hof in rov. 3.7, 3.9 en 3.10 van de bestreden beschikking over de uitleg en de consequenties van de Resolution voor de Final Award. Het onderdeel valt in twee subonderdelen (A en B) uiteen, die gezamenlijk kunnen worden behandeld.
Onderdeel 2Aklaagt onder (i) dat het hof in rov. 3.7 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zich, na de vaststelling dat de Resolution naar Tsjechisch arbitragerecht rechtsgeldig tot stand is gekomen, te beperken tot uitsluitend (een interpretatie van bepaalde delen van) de tekst van de Resolution voor de vaststelling van de betekenis daarvan voor de (rechtskracht van de) Final Award zonder de Resolution naar Tsjechisch recht te duiden met inachtneming van de overige door Diag aangevoerde omstandigheden van het geval. Onder (ii) klaagt het onderdeel dat het hof ten onrechte het verzoek tot erkenning van de (Review) Partial Award onbesproken heeft gelaten.
Onderdeel 2Bricht motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat de Resolution de rechtskracht heeft ontnomen aan de Final Award. Tegenover de stellingen van Diag en mede in het licht van de door het hof miskende stelplicht- en bewijslastverdeling zoals neergelegd in het Verdrag van New York, is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd, aldus het onderdeel.
Onderdeel 3is gericht tegen rov. 3.7 en 3.8 van de bestreden beschikking en betoogt dat het hof heeft miskend dat aan de Resolution geen effect toekomt omdat deze tot stand is gekomen op een wijze die strijdig is met de openbare orde. Volgens het onderdeel heeft het hof daarmee zijn taak als exequaturrechter onder art. V, lid 2, aanhef en onder b Verdrag van New York veronachtzaamd. Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen (A en B).
Onderdeel 3Avoert aan dat het hof het betoog van Diag in rov. 3.7 gedenatureerd heeft weergegeven en in rov. 3.8 heeft nagelaten behoorlijk en toereikend gemotiveerd te responderen op de door Diag concreet gesteld en te bewijzen aangeboden feiten, die erop duiden dat het Review Scheidsgerecht dat de Resolution heeft gegeven, niet voldeed aan basale vereisten van (schijn van) onpartijdigheid en onafhankelijkheid en dat het hof daarmee ten onrechte erkenning en tenuitvoerlegging van de Final Award heeft geweigerd op grond van art. III (jo. art. I) en/of art. V, lid 1, aanhef en onder e Verdrag van New York.
Onderdeel 3Bbetoogt dat het hof blijkens rov. 3.8 zijn taak als exequaturrechter heeft veronachtzaamd doordat het niet op de grondslag van de stellingen van Diag en zo nodig met ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden heeft onderzocht of, en dientengevolge heeft beslist dat wegens het ontbreken van effectieve rechtsbescherming het toekennen van betekenis aan de Resolution c.q. erkenning daarvan in Nederland afstuit op fundamentele beginselen van een behoorlijke (arbitrale) rechtspleging en/of art. 6 en Pro 13 EVRM en art. 1 EP Pro EVRM en/of art. 14 IVBPR Pro.
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
bindinggebruikt. Het is dus onder het Verdrag van New York van belang of een arbitraal vonnis bindend is geworden tussen de partijen. Uit de tekst van het Verdrag blijkt niet eenduidig wat onder de term
bindingmoet worden verstaan. Blijkens de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling was het doel van de opstellers te verzekeren dat weigering van erkenning en tenuitvoerlegging mogelijk is zolang er nog gewone rechtsmiddelen tegen een arbitraal vonnis openstaan. Zoals ik onder punt 2.20 van mijn conclusie heb uiteengezet, wordt hieronder verstaan dat tegen het arbitraal vonnis hoger beroep openstaat bij een overheidsrechter of bij appelarbiters. De mogelijkheid van herziening door andere arbiters, zoals in het onderhavige geval, staat in het algemeen in de weg aan het aannemen van bindende kracht. [39]
review proceedingsin te stellen geen procedureel effectief verzoek is ingediend, of (ii) is beslist op het ingediende herzieningsverzoek en het arbitraal vonnis is bevestigd. [40] Tussen partijen is derhalve niet in geschil of de Final Award gedurende de herzieningsprocedure bindend was, maar slechts of de Final Award door de Resolution alsnog finaal en bindend is geworden. [41]
Wanneer het verzoek tot herziening niet aan de wederpartij binnen deze termijn voorgelegd wordt, verkrijgt het vonnis gezag van gewijsdeen de partijen binden zich uit vrije wil hieraan te voldoen binnen de termijn die door de arbiters bepaald wordt, anders kan deze ten uitvoer worden gelegd door een bevoegde rechtbank.’ [42] (mijn cursivering, A-G)
binding, is het oordeel van het hof dat blijkens de inhoud van de Resolution de Final Award zijn rechtskracht heeft verloren, respectievelijk dat de Resolution de rechtskracht aan de Final Award heeft ontnomen, in het licht van het bovenstaande onbegrijpelijk. Voor zover het hof een andere betekenis heeft toegekend aan de term ‘rechtskracht’, is het oordeel van het hof zonder een nadere motivering die ontbreekt, niet goed begrijpelijk.