Conclusie
1.Overzicht
non)
remittancebepaling in art. 2(5) van het belastingverdrag tussen Nederland en Malta ook inkomsten uit andere Staten dan een van de verdragsluitende Staten omvat. Art. 2(5) Verdrag luidt als volgt:
remittancebepalingen in de Nederlandse verdragen met het Verenigd Koninkrijk en Malta, en van de rechtspraak en de literatuur over
remittancebepalingen in Nederlandse belastingverdragen verwijs ik naar de onderdelen 4, 5 en 6 van de genoemde conclusie van 3 november 2020. In de thans te berechten zaak ga ik alleen in op de vragen (i) of het
Ierland II-arrest HR
BNB1994/163 tot gevolg heeft dat aan toepassing van de
remittancebepaling überhaupt niet kan worden toegekomen en (ii) of de
remittancebepaling ook inkomsten omvat die hun bron niet in een van de verdragsluitende Staten hebben en die alleen binnen de Nederlandse heffings-jurisdictie vallen als gevolg van de vestigingsplaatsfictie van art. 2(4) Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). De eerste vraag is in de conclusie van 3 november 2020 niet expliciet aan de orde gekomen en de tweede vraag had in die zaak geen feitelijke grondslag omdat de feitenrechters niet hadden vastgesteld dat de belanghebbende in die zaak inkomsten uit andere Staten dan de twee Verdragstaten zou hebben genoten.
non-domiciled residentaangemerkt, waardoor zij voor buiten Malta gegenereerd inkomen alleen wordt belast voor zover dat inkomen wordt overgemaakt naar Malta. Over 2013 heeft zij in Malta alleen ‘
investment income not arising and not remitted to Malta’ aangegeven waardoor in Malta geen winstbelasting is geheven. In Nederland heeft de belanghebbende een belastbaar bedrag ad nihil aangegeven. De Inspecteur heeft in afwijking daarvan een aanslag vennootschapsbelasting 2013 opgelegd naar een belastbaar bedrag ad € 53.498,
i.e.de over 2013 vervallen rente op belanghebbendes vordering op P.
geschilis of Nederland de rente in de vennootschapsbelastingheffing mag betrekken.
Rechtbankgaf de belanghebbende gelijk. Zij meende op grond van uw
Ierland II-arrest [2] dat Nederland geen heffingsrecht ter zake van de rente heeft omdat de belanghebbende door haar Verdragsinwonerschap van Malta alleen nog in Nederland binnenlands belastingplichtig is voor door het Verdrag aan Nederland toegewezen inkomsten, waaronder niet valt de Zwitserse rente, nu zij geen vaste inrichting in Nederland heeft. Aan toepassing van de
remittancebepaling kwam de Rechtbank aldus niet toe: omdat het Verdrag geen inkomsten aan Nederland toewijst, is voorkoming van dubbele belasting niet aan de orde, zodat daarop ook geen uitzondering aan de orde kan zijn. De door het Verdrag bewerkstelligde beperkte belastingplicht (alleen voor door het Verdrag aan Nederland toegewezen bronnen) kan volgens de Rechtbank niet worden aangemerkt als een ‘vermindering’ van belasting over bepaalde inkomsten in de zin van de
remittancebepaling.
Hofdaarentegen heeft de Inspecteur gelijk gegeven. Hij overwoog dat de term ‘inkomsten’ niet is omschreven in het Verdrag en sloot daarom aan bij de nationaalrechtelijke term ‘winst’ in de Wet Vpb en de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). De schuldig gebleven rente valt daaronder. De term ‘hetzij volledige, hetzij gedeeltelijke vermindering’ in art. 2(5) Verdrag met Malta heeft het Hof uitgelegd als mede omvattende een objectvrijstelling zoals in het toepasselijke art. 7 (winst uit onderneming) van het Verdrag met Malta. De tekst van art. 2(5) Verdrag met Malta steunt niet de opvatting dat diens bereik beperkt is tot inkomsten uit bronnen in een van de verdragsluitende staten.
Middel Ibestrijdt dat de
remittancebepaling ook ziet op inkomsten uit andere Staten dan een van de Verdragsluiters in drie onderdelen:
Ierland II-arrest niet bevoegd om enig deel van belanghebbendes winst in de belastingheffing te betrekken;
remittancebepaling (voorkoming van een heffingsvacuüm tussen de Verdragsluiters), is er geen enkele reden om Nederland in afwijking van art. 7 Verdrag Pro nog heffingsbevoegd te achten;
verweerbetoogt de staatssecretaris ad middel I dat Nederland alleen in zijn heffings-bevoegdheid wordt beperkt voor inkomsten die naar Malta zijn overgemaakt. Voor andere inkomsten staat het Verdrag niet in de weg aan effectuering van belanghebbendes binnenlandse belastingplicht ex art. 2(4) Wet Vpb. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat art. 2(5) Verdrag ook ziet op (in art. 7 Verdrag Pro) exclusief toegewezen inkomen. Ad middel II meent de staatssecretaris dat uit de tekst van art. 2(5) noch uit diens strekking (voorkoming van dubbele niet-belasting) volgt dat het beperkt zou zijn tot inkomsten uit bronnen in een van de verdragsluitende staten. Nu de term "income arising in a Contracting State" uit het OESO-Modelcommentaar niet is overgenomen in art. 2(5), moet worden aangenomen dat niet is beoogd deze bepaling te beperken tot inkomsten uit Nederland of Malta.
remittancebepaling niet wordt toegekomen omdat de belanghebbende een lege huls is geworden in de Nederlandse jurisdictie. Zoals de rechtbank al ‘onder ogen zag,’ leidt deze benadering ertoe dat bij verdragsinwonerschap van een BV in een
remittance baseStaat (Malta) de anti-
remittance-base-bepaling - die dubbele niet-belasting moet voorkomen - ‘in het algemeen’ betekenisloos wordt. Teleologisch veroordeelt dat resultaat zichzelf. Maar ook uit de tekst van het Verdrag volgt dat ‘vermindering’/‘relief’ in art. 2(5) ook
reliefdoor exclusieve toewijzing omvat. De
remittancebepaling kán het oog niet hebben op de ‘vermindering’ ex art. 25, lid 2 (belastingvrijstelling), en lid 3 (verrekening), omdat die bepalingen alleen over ‘inwoners’ van Nederland gaan (zie art. 25(1) Verdrag en het
Ierland II-arrest HR
BNB1994/163), terwijl de belanghebbende juist géén inwoner is, zodat art. 25(1)-(3) Verdrag niet over haar gaat. Het gaat bij de ‘vermindering’/‘relief’ bedoeld in de
remittancebepaling juist om de belastingvermindering – ten opzichte van de situatie zonder Verdrag – als gevolg van de toewijzingsbepalingen.
Remittancebepalingen maken de toewijzing ongedaan van inkomsten van - al dan niet
domiciled- inwoners van de
remittance baseStaat als die inkomsten niet naar die Staat worden overgemaakt. ‘Vermindering’ in art. 2(5) Verdrag betekent mijns inziens wat de term ‘relief’ in de gelijkelijk authentieke Engelse taalversie betekent, namelijk elke verlichting van Nederlandse belasting ingevolge enige bepaling van het Verdrag. Exclusieve Verdragstoewijzing aan de andere Staat valt volgens mij duidelijk binnen de term ‘volledige [verlichting] van belasting op grond van een bepaling van deze Overeenkomst in een van de Staten’ in art. 2(5) Verdrag.
Ierland II-arrest belet de toepassing van
remittancebepaling dus niet; het is andersom: de
remittancebepaling maakt de toewijzing van winst aan Malta die aldaar
wegens niet-overmakingniet wordt belast ongedaan. Ik acht de middelen I(i) en II daarom ongegrond.
remittancebepaling mijns inziens voor inkomensbestanddelen toegewezen aan de
remittance baseStaat die aldaar als gevolg van
non-remittanceniet worden belast, wel degelijk terugkeert naar de situatie zonder Verdragstoewijzing. In die niet-Verdragssituatie bevindt zich niet naar Malta overgemaakte wereldwinst van een Nederlandse BV, zodat die winst ingevolge art. 2(4) Wet Vpb in Nederland is belast. Art. 2(5) verdeelt inderdaad, zoals de belanghebbende stelt, geen heffingsbevoegdheden, maar maakt de verdeling in de distributieve bepalingen van het Verdrag juist ongedaan ter zake van het in die bepalingen aan Malta toegedeelde, maar aldaar als gevolg van
non-remittanceniet belaste inkomen.
remittancebepaling in een bilateraal belastingverdrag naar doel en strekking niet anders dan beperkt kan zijn tot inkomsten die hun bron hebben in één van de twee Verdragsluitende Staten. Ten tijde van de Verdragsluiting (1977) bevatte noch het OESO-Modelverdrag, noch het OESO-Commentaar passages over een
remittancebepaling, zodat het
a contrarioargument van de Staatssecretaris mijns inziens geen hout snijdt. Anders dan het Hof, lijkt mij dat evenmin – te minder
a contrario– betekenis toekomt aan belastingverdragen tussen twee andere Staten, zodat mij niet van belang lijkt dat in de Belgisch-Britse en Duits-Britse belastingverdragen van vóór 1977 de term ‘income arinsing in a contracting State’ wél was opgenomen in de
remittancebepaling. Het komt dus aan op een niet door
travaux préparatoiresof OESO-Model of -Commentaar geleide verdragsinterpretatie. De enige houvasten zijn dan het uitlegvoorschrift in het Verdrag zelf (art. 3(2)) en het Weense Verdragenverdrag. Dat betekent uitleg van niet-gedefinieerde termen naar Nederlands belastingrecht en voor het overige uitleg (i) te goeder trouw, (ii) overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het Verdrag, (iii) in hun context en (iv) in het licht van voorwerp en doel van het Verdrag.
remittancebepaling moet mijns inziens in het licht van doel (b) worden uitgelegd. Ad (iii): de context van de
remittancebepaling is een
saving clausedie terugkeert naar de toestand zonder Verdragstoewijzing als de Verdragstoewijzing als gevolg van
non-remittanceniet leidt tot effectuering van het toegewezen heffingsrecht; de toestand zonder Verdragstoewijzing is die van onverkorte gelding van art. 2(4) Wet Vpb. Ad (ii): de tekst van art. 2(5) is duidelijk en sluit geen enkele
non-remittedinkomst uit van terugkeer naar de situatie zonder Verdrag. Het resultaat van tekstuele interpretatie is ook geenszins ‘dubbelzinnig of duister’. Ad (i): dat tekstuele interpretatie niet te goeder trouw zou zijn, valt niet in te zien. Het is bij belastingverdragen kennelijk ook uw voorkeursinterpretatie, zoals volgt uit onder meer HR
BNB2020/8 (uitleg
most favoured nationclausule in het Verdrag met Zuid-Afrika) en HR
BNB2018/68 (uitleg van de niet in het Verdrag met Singapore gedefinieerde term ‘managed and controlled’). Ik maak uit die arresten op dat als geen andersluidende gemeenschappelijke bedoeling van de verdragspartijen blijkt, de (gewone betekenis van de) tekst van het Verdrag in beginsel beslist als die tekst duidelijk is en niet door zijn context wordt tegengesproken, zoals in casu.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
non-domiciled residentaangemerkt, waardoor zij aldaar voor niet in Malta gegenereerde inkomsten alleen belast wordt voor zover zij worden overgemaakt naar Malta. Over 2013 heeft de belanghebbende in Malta de door P. schuldig gebleven rente aangegeven als ‘Investment income not arising and not remitted to Malta’. Er is over 2013 geen Maltese winstbelasting ten laste van de belanghebbende geheven. In Nederland heeft zij over 2013 een belastbaar bedrag ad nihil aangegeven. De Inspecteur heeft in afwijking daarvan een belastbaar bedrag 2013 ad € 53.498 (de rente) vastgesteld. Hij heeft daarover € 2.949 aan belastingrente in rekening gebracht.
Ierland II-arrest [5] (zie onderdeel 5 hieronder) toe dat zij ondanks haar binnenlandse belastingplicht ex art. 2(4) Wet Vpb nog slechts beperkt binnenlands belastingplichtig is: alleen voor inkomsten waarvoor het Verdrag heffingsrecht aan Nederland toewijst. Dergelijke inkomsten zijn er niet, nu er geen bronnen in Nederland zijn. Aan de
remittancebepaling komt de Rechtbank dus niet eens toe:
Ierland II-arrest [7] (zie onderdeel 5 hieronder) volgt echter dat als zij door het Verdrag wordt aangemerkt als inwoner van Malta, de voordelen die volgens het Verdrag slechts door Malta mogen worden belast, niet meer tot de in Nederland te belasten voordelen worden gerekend. Het Hof verwerpt de stelling van de Inspecteur dat de belanghebbendes
non-domiciled resident-status in Malta meebrengt dat zij daar slechts belast zou zijn voor inkomsten uit Maltese bronnen. Zij wordt in Malta volgens het Hof in beginsel onderworpen voor haar wereldwinst, zij het voor inkomsten uit niet-Maltese bronnen pas als die naar Malta worden overgemaakt. Zij is daarom op grond van art. 4(4) van het Verdrag inwoner van Malta. Dat vermogenswinsten buiten Malta behaald überhaupt niet worden belast in Malta doet daar niet aan af. De belanghebbende is dus in beginsel nog slechts in Nederland onderworpen voor inkomsten die het Verdrag aan Nederland toewijst, waaronder niet valt rente uit een niet-Verdragstaat.
i.e. bij de term ‘winst’ in de Wet Vpb en de Wet IB 2001. Onder die ‘winst’ vallen ook inkomsten uit geldvorderingen. De schuldig gebleven rente valt daarom onder de term ‘inkomsten’ in art. 2(5) Wet Vpb, aldus het Hof, die naar nationaal recht in Nederland belast zijn. Art. 7 van Pro het Verdrag verhindert die Nederlandse heffing, tenzij art. 2(5) Verdrag die verhindering weer verhindert. Over die vraag overweegt het Hof als volgt:
from sources within that Contracting Stateif the individual is subject to tax in the other Contracting State by reference only to the amount of his income which is remitted to or received in that other Contracting State and not by reference to the full amount of his worldwide income. However, where the income of such individual that is not remitted to or received in that other State is less than £2.000 (or the equivalent in euro) in a tax year, the first-mentioned State shall grant the relief from tax provided for in the Convention with regard to income that is remitted to or received in the other Contracting State." (onderstreping Hof)
from a source in one of the territoriesis relieved from tax in that territory if it is subject to tax in the other territory, and, under the law in force in that other territory, the said income is subject to tax by reference to the amount thereof which is remitted to or received in that other territory and not by reference to the full amount thereof, then the relief to be allowed under this Convention in the firstmentioned territory shall apply only to so much of the income as is remitted to or received in the other territory" (onderstreping Hof)
de bepaling ook toepassing dient te vinden voor die inkomsten waarvoor de heffingsbevoegdheid niet is verdeeld. Daarmede wordt een mogelijkheid dat in bepaalde gevallen noch in het ene land noch in het andere land belasting is verschuldigd, afgesneden." (onderstreping Hof)
3.Het geding in cassatie
Ierland II-arrest niet meer bevoegd om de belanghebbende als binnenlands belastingplichtige voor haar wereldwinst in de belastingheffing te betrekken. Art. 2(5) Verdrag brengt daar geen verandering in.
remittancebepaling, die gebaseerd is op Maltees belastingrecht. Art. 2(5) is een eenzijdige bepaling die waarborgt dat inkomsten uit Nederland die niet naar Malta worden overgemaakt in Nederland kunnen worden belast. Bij Zwitserse inkomsten die niet naar Malta zijn overgemaakt is Nederland noch bronstaat, noch ontvangende staat. Vanuit het verdragsperspectief van Malta, waar de belanghebbende is gevestigd, is er geen enkele reden om heffingsbevoegdheid voor in Zwitserland opgekomen, niet naar Malta overgemaakte rente aan Nederland te gunnen, waar de belanghebbende geen enkel heffingsaanknopingspunt heeft anders dan haar oprichtingsrecht. De Zwitserse rente is een zaak tussen Zwitserland en Malta.
remittancebepaling, noch anderszins blijkt onmiskenbaar duidelijk, zoals HR
BNB1977/111 [8] eist, dat Nederland zich heeft voorbehouden winst te belasten die niet toerekenbaar is aan een vaste inrichting in Nederland. Art. 7 verdeelt Pro heffingsbevoegdheid, maar er valt niets te verdelen als er geen vaste inrichting is.
BNB1977/111 over de (later gerepareerde)
remittancebepaling in het oude Verdrag met het VK.
verweerbetoogt de staatssecretaris
ad middel Idat Nederland alleen in zijn heffings-bevoegdheid wordt beperkt voor inkomsten waarvoor hij in beginsel voorkoming van dubbele belasting moet geven én die naar Malta zijn overgemaakt of aldaar zijn ontvangen. Voor andere bestanddelen van de winst staat het Verdrag zijns inziens niet in de weg aan effectuering van belanghebbendes binnenlandse belastingplicht ex art. 2(4) Wet Vpb. Het Hof heeft volgens hem terecht geoordeeld dat art. 2(5) Verdrag ook ziet op inkomsten waarvoor een onverkorte toewijzingsregel zoals art. 7 Verdrag Pro geldt.
Ad middel IImeent de staatssecretaris dat uit tekst noch strekking (voorkoming van dubbele niet-belasting) van van art. 2(5) volgt dat zijn bereik beperkt is tot inkomsten uit bronnen in een verdragsluitende Staat. Nu de verdragsluiters er niet voor hebben gekozen om de term "income arising in a Contracting State" uit het OESO-Modelcommentaar op te nemen in art. 2(5), moet worden aangenomen dat niet is beoogd deze bepaling te beperken tot inkomsten uit Nederland of Malta. De Staatssecretaris acht het aannemelijk dat bij de verdragsonderhandelingen rekening is gehouden met (de procedure leidende tot) HR
BNB1977/111.
repliekbetoogt de belanghebbende ad het verweer tegen middel I dat uit de
remittance basebepaling niet volgt dat Nederland alleen in zijn heffingsbevoegdheid is beperkt voor inkomsten die naar Malta zijn overgemaakt of aldaar zijn ontvangen. Die bepaling verdeelt immers geen heffingsbevoegdheden maar beperkt de verminderingsverplichting ex andere Verdragsbepalingen. Het ligt in de aard van de
remittance basebepaling besloten dat zij alleen geldt voor inkomsten gegenereerd in een van de verdragsluitende staten. Ad het verweer tegen middel II acht belanghebbende het speculatief dat de verdragsluiters rekening zouden hebben gehouden met het arrest HR
BNB1977/111.
4.De remittancebepaling (art. 2(5) belastingverdrag met Malta)
mismatchesveroorzaakt die leiden tot dubbele niet-heffing bij toewijzing van inkomsten aan Malta die Malta in verband met zijn
remittance basestelsel niet belast. Art. 2(5) Verdrag luidt als volgt:
remittancebepalingen in Nederlandse belastingverdragen:
remittancebepalingen in Nederlandse belasting-verdragen niet tot inkomsten ter zake waarvan Nederland bronland is, maar laat in het midden waar de bron zich bevindt: gerefereerd wordt slechts aan inkomsten ‘afkomstig uit een ander land’ dan het land met het
remittance baseregime c.q. ‘inkomsten die in het andere land niet in de heffing worden betrokken.’
remittancebepaling zelf, maar is ook geëxpliciteerd bijvoorbeeld in de toelichting op de
remittancebepaling in het belastingverdrag met Ierland: [13]
remittancebepaling bevat, maar het Commentaar op art. 1 Modelverdrag Pro vermeldt sinds de 2003-versie (thans, in de 2017-versie: in § 108) wel de mogelijkheid om zo’n bepaling op te nemen, en suggereert ook een tekst die de Staten desgewenst in hun verdrag kunnen opnemen:
remittancebepalingen in de Nederlandse belastingverdragen met het Verenigd Koninkrijk en met Malta en van de rechtspraak en de literatuur over
remittancebepalingen in Nederlandse belastingverdragen.
Staat hetIerland II-arrest in de weg aan toepassing van deremittancebepaling? (middelen I(i), I(iii) en II)
Ierland II-arrest [14] betrof een naar Nederlands recht opgerichte BV met alleen een onderneming in Ierland, die aldaar werd geleid en bestuurd. De
tie breakerin het toepasselijke belastingverdrag wees daarom (alleen) Ierland aan als Verdragsvestigingsstaat. De belanghebbende wilde niettemin haar Ierse verlies in Nederland fiscaal aftrekken op grond van haar binnenlandse belastingplicht ex art. 2(4) Wet Vpb, dat naar Nederlands recht opgerichte vennootschappen onbeperkt binnenlands belastingplichtig verklaart. U overwoog:
dual resident companiessinds 2017 geen
tie breakermeer bevat die de verdragsvestigingsplaats van niet-natuurlijke personen exclusief toewijst aan de plaats van feitelijke leiding. Het Model gaat sinds 2017 uit van een ‘
case by case solution’ die ertoe kan leiden dat überhaupt geen verdragsbescherming wordt geboden. Zie nader onderdeel 4 van de conclusie van 3 november 2020 in de bij u aanhangige zaak met rolnr. 20/01414, ECLI:NL:PHR:2020:1028.
remittancebepaling niet wordt toegekomen omdat de belanghebbende in de Nederlandse jurisdictie een lege huls is geworden. Er valt in Nederland geen ‘vermindering’ of andere voorkoming van dubbele belasting te geven waarop art. 2(5) Verdrag ziet, want door de combinatie van art. 4 (exclusieve toewijzing van belanghebbendes vestigingsplaats aan Malta) en art. 7 (exclusieve toewijzing van belanghebbendes winst aan de Malta, nu zij in Nederland geen filiaal of vastgoed heeft) is belanghebbendes volledige belastinggrondslag verdwenen uit de Nederlandse belastingjurisdictie.
remittance baseStaat (Malta) de anti-
remittance-base-bepaling - die dubbele niet-belasting moet voorkomen - ‘in het algemeen’ betekenisloos wordt. Het lijkt mij dat dit resultaat zichzelf teleologisch al veroordeelt, maar ook dat uit de tekst van het Verdrag volgt dat ‘vermindering’/‘relief’ in art. 2(5) ook
reliefdoor exclusieve toewijzing omvat. Op 30 november 2020 concludeerde ik in de zaak 20/01414 al dat de
remittancebepaling het oog niet kán hebben op de ‘vermindering’ van belasting ex de
reliefregels in art. 25, lid 2 (belastingvrijstelling), en lid 3 (verrekening) van het Verdrag, omdat die alleen over ‘inwoners’ van Nederland gaan (zie art. 25(1) Verdrag en het
Ierland II-arrest [15] ), terwijl de belanghebbende juist géén inwoner is, zodat art. 25(1)-(3) Verdrag niet over haar gaat. Het gaat bij de ‘vermindering’/‘relief’ bedoeld in de
remittancebepaling juist om de volledige of gedeeltelijke belastingvermindering – ten opzichte van de situatie zonder Verdrag – als gevolg van de toewijzingsbepalingen.
Remittancebepalingen maken
juistde toewijzing ongedaan van inkomsten van (al dan niet
domiciled) inwoners van de
remittance baseStaat als die inkomsten niet naar de
remittance baseStaat worden overgemaakt.
Ierland II-arrest HR
BNB1994/163 en het
grensambtenaararrest HR
BNB1980/170: [16] de exclusief aan het andere land toegewezen inkomsten verdwijnen uit de naar nationaal recht bepaalde heffingsgrondslag.
remittancebepaling,
i.e.in de context van een
saving clausedie blijkens haar tekst voor Nederland het recht voorbehoudt zijn nationale recht toe te passen alsof de voorkomings-regels van het Verdrag niet gelden als Malta als gevolg van
non-remittanceniet heft over door het Verdrag aan de Maltese heffingsjurisdictie toegewezen inkomsten. Art. 2(5) is geen algemene
saving clause(die steeds aangrijpt als de
winner Stategeen gebruik maakt van zijn heffingsrecht), maar grijpt alleen aan als de niet-belasting in de
winner Stateeen gevolg is van wetgeving die
non-remittedinkomsten onbelast laat. ‘Vermindering’ in art. 2(5) Verdrag betekent mijns inziens dus wat de term ‘relief’ in de gelijkelijk authentieke Engelstalige versie van de
remittancebepaling betekent (aldus ook de A-G Van den Berge in zijn conclusie voor HR BNB 1999/347; zie 5.4 hierboven), namelijk elke verlichting van Nederlandse belasting ingevolge enige bepaling van het Verdrag.
juist omexclusief toegewezen inkomensbestanddelen (in dat geval: pensioenen) ook te kunnen vatten. Dat was nodig omdat u in HR
BNB1977/111 had geoordeeld dat ‘vermindering’ niet mede ‘vrijstelling’ omvat als het Verdrag (zoals art. 14 Verdrag Pro NL-VK 1967) een duidelijk onderscheid maakt tussen ‘vermindering’ en ‘vrijstelling’ (exclusieve toewijzing aan de andere Staat). De term ‘volledige vermindering’ werd in 1980 toegevoegd om ook vrijgestelde,
i.e.exclusief aan het andere land toegewezen inkomensbestanddelen te kunnen vatten. Dit impliceert mijns inziens dat de identieke term ‘volledige vermindering’ in art. 2(5) Verdrag met Malta hetzelfde betekent, namelijk door het Verdrag onttrokken aan Nederlandse heffingsgrondslag, zoals art. 7 Verdrag Pro doet met de winst van een Nederlandse BV die feitelijk in Malta is gevestigd zonder v.i. in Nederland.
Ierland II-arrest belet de toepassing van
remittancebepaling dus niet; het is andersom: de
remittancebepaling maakt de toewijzing van winst aan Malta die aldaar
wegens niet-overmakingniet wordt belast ongedaan.
remittancebepaling mijns inziens voor inkomensbestanddelen toegewezen aan de
remittance baseStaat die aldaar
als gevolg van non-remittanceniet worden belast, wel degelijk terugkeert naar de situatie
zonderVerdragstoewijzing. In een niet-Verdragssituatie valt het niet naar Malta overgemaakte deel van de wereldwinst van een naar Nederlands recht opgerichte BV in de Nederlandse heffingsgrondslag, zodat het ingevolge art. 2(4) Wet Vpb in Nederland is belast. Art. 2(5) verdeelt inderdaad, zoals de belanghebbende stelt, geen heffingsbevoegdheden, maar maakt de verdeling in de distributieve bepalingen van het Verdrag juist ongedaan ter zake van het in die bepalingen aan Malta toegedeelde, maar aldaar als gevolg van
non-remittanceniet belaste inkomen.
Omvat deremittancebepaling ook inkomsten gegenereerd in een andere Staat dan een van de Verdragstaten?
remittancebepaling in een bilateraal belastingverdrag naar doel en strekking niet anders dan beperkt kan zijn tot inkomsten die hun bron hebben in één van de twee Verdragsluitende Staten.
remittancebepaling te beperken tot inkomsten uit Nederland of Malta. Zoals boven (4.4) bleek, kan van een dergelijke keuze echter geen sprake geweest zijn omdat ten tijde van de Verdragsluiting (1977) noch het OESO-Modelverdrag, noch het OESO-Commentaar passages bevatte over een
remittancebepaling. Die passages heb ik pas aangetroffen in de versie van 28 januari 2003, paragraaf 26.1 van het Commentaar op art. 1.
a contrario– betekenis gehecht kan worden aan de belastingverdragen tussen twee andere Staten dan Malta en Nederland, zodat mij niet van belang lijkt dat in de Belgisch-Britse en Duits-Britse belastingverdragen van vóór 1977 de term ‘income arising in a Contracting State’ wél was opgenomen in de
remittancebepaling.
travaux préparatoiresof OESO-Model of -Commentaar geleide verdragsinterpretatie. De enige houvasten zijn dan het uitlegvoorschrift in het Verdrag zelf (art. 3(2)) en het Weense Verdragenverdrag. [17] Art. 3(2) van het Verdrag met Malta luidt:
non-remittedinkomen uitsluit en de niet alleen door de belanghebbende, maar ook in de literatuur [18] verdedigde opvatting dat niet valt in te zien dat een Staat die geen enkele
nexusheeft behalve oprichtingsrecht, inkomsten zou moeten kunnen belasten die noch in die Staat zijn opgekomen, noch in die Staat worden genoten. Uit het nationale belastingrecht valt dus niet rechtstreeks op te maken of een
remittancebepaling in een Nederlands belastingverdrag ook geldt voor inkomen met bron en een andere Staat dan de Verdragsluiters. Daarvoor moet ook het Weense Verdragenverdrag geraadpleegd worden.
BNB2018/115: [20]
remittancebepaling eerder in het licht van die tweede doelstelling dan in het licht van de eerste moet worden uitgelegd: uit haar tekst blijkt dat haar doel is om dubbele niet-belasting te voorkomen door de voorkomings(‘verminderings’/‘relief’)regels van het Verdrag niet toe te passen als de Staat aan wiens heffingsrecht het Verdrag voorrang geeft dat heffingsrecht niet uitoefent bij
non-remittance.
remittancebepaling is, zoals boven (5.9) betoogd, een
saving clausedie terugkeert naar de toestand zonder Verdragstoewijzing als de Verdragstoewijzing als gevolg van
non-remittanceniet leidt tot effectuering van het toegewezen heffingsrecht, en de toestand zonder Verdragstoewijzing is die van onverkorte gelding van art. 2(4) Wet Vpb. De belanghebbende kan toegegeven worden dat het minder voor de hand ligt dat de context van een
saving clauseertoe leidt dat de bepaling ook geldt voor inkomsten ter zake waarvan Nederland noch bronland noch ontvangstland is, maar dat resultaat is niet in strijd met die context, gegeven het nationale recht (art. 2(4) Wet Vpb) waarop de
saving clauseziet en waarnaar bovendien de uitlegregel van het Verdrag zelf (art. 3(2)) verwijst. De
remittancebepaling in het Verdrag met Malta is trouwens opgenomen in art. 1, in het hoofdstuk over de reikwijdte van het Verdrag, hetgeen er op zou kunnen wijzen dat bedoeld is om voor
non-remittedinkomen het hele Verdrag uit te schakelen, dus niet alleen de distributieve en ontdubbelingsregels, maar ook de
tie breakbij een dubbele woonplaats: voor
remitted incomewoont de belanghebbende dan op Malta; voor
non-remitted incomenog steeds in Nederland. Dat strookt echter niet met de strekking van een
tie breaken het zou ook bepalingen zoals non-discriminatie en gegevensuitwisseling uitschakelen, en dat zal toch niet de bedoeling kunnen zijn. In andere Verdragen, zoals het recente met Ierland, staat de remittancebepaling ook niet in art. 1, maar bij de voorkomingsbepalingen, zodat er mijns inziens van uitgegaan moet worden dat een
remittancebepaling alleen de toewijzings- en ontdubbelingsregels uitschakelt, en alleen voor voor
non-remittedinkomsten.
non-remittedinkomst uit van terugkeer naar de situatie zonder Verdrag. Het resultaat van tekstuele interpretatie is ook geenszins ‘dubbelzinnig of duister’.
BNB2020/8 [22] betrof de uitleg van de
most favoured nationclausule in het belasting-verdrag met Zuid-Afrika. Onderdeel 5 van de conclusie voor dat arrest gaat in op verdrags-interpretatie bij tekstuele onduidelijkheid en mogelijk van de tekst afwijkende partij-bedoelingen. Ik verwijs voor een overzicht van literatuur en rechtspraak naar die conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:181). In dat arrest ging u uit van een strikt grammaticale uitleg van de MFN-clausule en constateerde u vervolgens dat die uitleg niet in strijd kwam met enige kenbare andersluidende gemeenschappelijke bedoeling van de verdragsluitende partijen (r.o. 2.5.4).
BNB2018/68 [23] betrof de uitleg van de niet in het belastingverdrag met Singapore gedefinieerde term ‘managed and controlled’ die bovendien afweek van de OESO-Modeltekst (‘effective management’). U overwoog:
remittancebepaling in het Verdrag met Malta, zodat daaruit geen andere strekking kan worden opgemaakt dan volgt uit haar tekst en context. ’s Hofs grammaticale interpretatie is dus geenszins in strijd met enige kenbare gemeenschappelijke bedoeling van de verdragsluiters. Zijn interpretatie leidt ook niet tot een ‘duidelijk ongerijmd of onredelijk resultaat’, mede gegeven dat er denkelijk vanuit gegaan kan worden dat de rente in Zwitserland ten laste van P.’s belastbare inkomen is gebracht.