Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair, alsnog bepaalt dat de uitkeringen van de verzekeringspolissen aan haar dienen toe te komen, of,
subsidiair, bepaalt dat [eiseressen] verplicht zijn tot vergoeding van de waarde van de verzekeringspolissen aan haar in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap, in beide gevallen met veroordeling van [eiseressen] tot voldoening van de door hen of hun advocaat ontvangen gelden aan haar.
grief 2), dat niet gesteld of gebleken is dat de erflater bij het aangaan van de levensverzekering een andere bedoeling had dan de aanwijzing van de huidige begunstigden (
grief 3), dat wie rechthebbende is op de polis enkel moet worden beoordeeld aan de hand van de polissen (
grief 4), en ten slotte tegen het ongemotiveerd passeren van het bewijsaanbod (
grief 5). Bij deze laatste grief heeft [verweerster] aangegeven dat de door haar aangedragen feiten en bijzonder omstandigheden omtrent de bedoeling van de erflater en zijn onwetendheid omtrent de noodzaak van wijziging van de begunstiging dienen te worden meegewogen om tot een maatschappelijk aanvaardbaar oordeel te geraken en dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de op de derdenrekening van de advocaat van [eiseressen] uitgekeerde bedragen aan hen zullen toekomen. Zij wijst hierbij ook op de twee schriftelijke verklaringen die zij in eerste instantie heeft overgelegd (waaronder een van de notaris).
grief 2 tot en met 4weliswaar niet tot een andere uitkomst kunnen leiden, maar dat
grief 5wel slaagt. Ten aanzien van
grief 2geldt dat het wel degelijk gaat om de bedoeling ten tijde van de aanwijzing, zij het dat deze bedoeling kan worden vastgesteld aan de hand van eventuele verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer buiten de schriftelijke mededeling waaruit die bedoeling mede kan blijken, ook indien deze niet kenbaar zijn voor de verzekeraar, maar dat in het onderhavige geval uit de latere verklaringen en gedragingen niet kan worden afgeleid dat de bedoeling van de erflater was dat de polissen ten gunste van [verweerster] zouden worden uitgekeerd. Dat de erflater later de bedoeling heeft gehad zijn kinderen te onterven en [verweerster] tot enig erfgenaam te benoemen doet daaraan niet af. Voor die situatie bestond de mogelijkheid van wijziging van de begunstiging (rov. 3.4). Ten aanzien van
grief 3overweegt het hof dat als de erflater zoals te doen gebruikelijk een aanvulling op zijn inkomen/vermogen op latere leeftijd wilde regelen, dit geenszins uitsluit dat hij tevens voor ogen had conform de standaardbegunstiging achtereenvolgens een eventuele echtgenote, eventuele kinderen en zijn eventuele erfgenamen tot begunstigden aan te wijzen, indien hij voortijdig voor de uitkeerdatum zou overlijden, ook niet als hij ten tijde van het aangaan van beide verzekeringen ongehuwd was. Uit de stukken en stellingen van partijen volgt dat de erflater ten tijde van het afsluiten van de verzekeringen [verweerster] nog niet kende en dat de erflater [eiseressen] op dat moment nog niet had onterfd (rov. 3.5). Ten aanzien van
grief 4wordt overwogen dat uit de door [verweerster] geschetste feiten en omstandigheden niet volgt dat de door [verweerster] geschetste bedoeling van de erflater – om [verweerster] verzorgd achter te laten, dit in onwetendheid van de daarvoor benodigde wijziging van de standaardbegunstiging – de erflater voor ogen stond bij het afsluiten van de verzekeringen. Voor zover [verweerster] zich hier heeft bedoeld te beroepen op een uitkomst die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, verwijst het hof naar de beoordeling van
grief 5(rov. 3.6). Ten aanzien van
grief 5heeft het hof als volgt overwogen:
AG] erflater met het samenlevingscontract en de testamenten [verweerster] voor zoveel mogelijk verzorgd wilde achterlaten;
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel IIklaagt dat het hof door in rov. 3.8 te oordelen dat [verweerster] zich feitelijk op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid beroept en in rov. 3.10 te oordelen dat het, gelet op alle feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseressen] zich op hun wilsrecht (de begunstiging van beide polissen) beroepen, buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, dan wel dat deze beslissing als een verrassingsbeslissing moet worden geduid, dan wel dat het hof daarmee het grievenstelsel heeft miskend. In grief 5 heeft [verweerster] immers slechts erover geklaagd dat de rechtbank haar niet heeft toegelaten tot het haar aangeboden bewijs door middel van getuigen. In de toelichting staat enigszins ‘verstopt’ dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is “
dat de op de derdenrekening van de advocaat van geïntimeerden uitgekeerde bedragen aan de geïntimeerden zullen toekomen”. Daarin is uitdrukkelijk niet te lezen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [eiseressen] zich op hun wilsrecht (de begunstiging van beide polissen) beroepen. [eiseressen] hebben dat ook niet in de betreffende grief gelezen, maar ook niet hoeven te begrijpen. De uitleg die het hof aan de grief heeft gegeven, is dan ook onbegrijpelijk.
AG] enkel moet worden beoordeeld aan de hand van de polissen kan naar de mening van appellante dan ook geen stand houden.”
dat de op de derdenrekening van de advocaat van geïntimeerden uitgekeerde bedragen aan de geïntimeerden zullen toekomen” terwijl het hof oordeelt dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is “
dat [eiseressen] zich op hun wilsrecht, de begunstiging van beide polissen beroepen” doet aan het voorgaande niet af. Daarmee is, wat ook precies zij van deze formuleringen, duidelijk hetzelfde beroep van [verweerster] op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid aan de orde, welke werking er in casu (ook) volgens het hof aan in de weg staat dat de uitkering op de polissen bij [eiseressen] terechtkomt. Dat het hof dit in de (juridische) uitwerking enigszins anders heeft geformuleerd of ingevuld staat hem – zo nodig zelfs op grond van art. 25 Rv Pro. – vrij. Overigens komt het hof in rov. 3.10 uiteindelijk tot de conclusie dat “
dat [eiseressen] (…) geen rechten kunnen ontlenen aan de begunstiging”.
algemenevaststelling door het hof dat
latereverklaringen en gedragingen kunnen worden meegewogen bij de bepaling van de bedoeling van de verzekeringnemer bij en
op het moment vande aanwijzing van een begunstigde. In het aan hem voorliggende geval heeft het hof immers feitelijk geoordeeld dat uit latere verklaringen en gedragingen niet kon worden afgeleid dat de bedoeling van de erflater was dat de polissen ten gunste van [verweerster] zouden worden uitgekeerd (cursivering toegevoerd):
ten tijde van de aanwijzing, zij het dat deze bedoeling kan worden vastgesteld aan de hand van eventuele verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer buiten de schriftelijke mededeling waaruit die bedoeling mede kan blijken, ook indien deze niet kenbaar zijn voor de verzekeraar. De vraag doet zich voor of uit de
latere verklaringen en gedragingenkan worden afgeleid dat de bedoeling van de erflater was dat de polissen ten gunste van [verweerster] zouden worden uitgekeerd.
Dit is niet het geval. Tussen partijen staat de taalkundige uitleg van de begunstiging niet ter discussie evenmin als de hoedanigheid van de begunstigde. In dat geval is er in beginsel geen ruimte voor uitleg in de zin die [verweerster] voor ogen staat. Dit volgt zowel uit de desbetreffende wettelijke bepalingen als uit de formulering van de Hoge Raad in voormeld arrest. Dat de erflater later de bedoeling heeft gehad zijn kinderen te onterven en [verweerster] tot enig erfgenaam te benoemen doet daaraan niet af. Voor die situatie bestond de mogelijkheid van wijziging van de begunstiging. Voor zover grief 2 slaagt, leidt deze niet tot een andere uitkomst van de procedure.”
voorafgaand aanen
bij het afsluiten vande betreffende verzekering, en dat latere verklaringen en gedragingen voor het vaststellen voor de bedoeling ten tijde van de aanwijzing irrelevant zijn.
in zijn algemeenheidlatere verklaringen en gedragingen kunnen worden meegewogen bij de bepaling van de bedoeling van de verzekeringnemer bij en op het moment van de aanwijzing van een begunstigde, heeft deze algemene constatering
in deze zaakin ieder geval geen invloed gehad, nu het hof tot het oordeel is gekomen dat de latere verklaringen en gedragingen van de erflater niet tot een andere uitleg van de bedoeling van de erflater ten tijde van de aanwijzing hebben kunnen leiden.
uitlegvan de bedoeling van de erflater met (en ten tijde van) de aanwijzing van (een) begunstigde(n) voor de levensverzekeringen, en dat het in rov. 3.10 – nadat het heeft geconstateerd dat die bedoeling niet anders kan worden uitgelegd dan zoals in de polissen is opgenomen – oordeelt over de vraag of, niettegenstaande deze uitleg, de gevolgen ervan in dit geval
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaarzijn, zodat deze aan de in rov. 3.4-3.6 vastgestelde uitleg dienen te derogeren. Het gaat hier om twee verschillende rechtsfiguren, die weliswaar dicht bij elkaar liggen, maar wel degelijk van elkaar dienen te worden onderscheiden. Bij de uitleg gaat het om het vaststellen van de bedoeling van de verzekeringnemer ten tijde van de aanwijzing van de begunstigde(n), bij de tweede rechtsfiguur gaat het om het afwijken van deze vastgestelde bedoeling, omdat dit in de gegeven omstandigheden tot een onaanvaardbaar resultaat leidt. Voor toepassing van deze rechtsfiguren gelden verschillende maatstaven en relevante factoren.
uitlegvan de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering is HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6728, NJ 2013/97 m.nt. M.M. Mendel. In die zaak had de overleden verzekeringnemer de kinderen uit zijn eerste huwelijk onterfd en die uit een latere relatie tot enig erfgenamen benoemd. De begunstiging van een reeds afgesloten verzekering heeft hij laten wijzigen zodat de uitkering daarop aan dezelfde kinderen zou toekomen. Bij het afsluiten van een nieuwe verzekering is de standaardbegunstiging aangekruist, inhoudende dat als eerste hijzelf als verzekeringnemer, en vervolgens zijn echtgenote, zijn kinderen en zijn erfgenamen begunstigden zouden zijn. Uit correspondentie tussen verzekeringnemer, notariskantoor en assurantietussenpersoon zou blijken dat hij de bedoeling had om zichzelf, ook bij zijn overlijden, als begunstigde aan te wijzen en dat hij – na onjuist advies hierover – dit meende te bereiken door de standaardbegunstiging te hanteren. Het idee was dan dat de uitkering hierdoor in zijn nalatenschap zou vallen en aldus aan zijn erfgenamen zou toekomen. Dat de standaardbegunstiging er (in beginsel) toe zou leiden dat in geval van zijn overlijden achtereenvolgens zijn echtgenote (die er niet was) en zijn kinderen als begunstigden zouden gelden (vgl. art. 7:967 lid 1 BW Pro), zou daarbij niet zijn voorzien. De polis waaruit dit gevolg bleek, werd pas daags na zijn plotselinge overlijden ontvangen. Het geschil rees nu of onder tot de begunstigden aangewezen ‘kinderen’ slechts de kinderen uit de tweede relatie moesten worden gerekend, of al zijn kinderen (ook de onterfde kinderen uit het eerste huwelijk).
bijde aanwijzing tot begunstigde, dat wil zeggen ten tijde van die aanwijzing, zoals ook het hof in de nu voorliggende zaak (rov. 3.4) heeft overwogen. Een latere wijziging van die bedoeling dient tot uitdrukking te komen in de wijziging van die aanwijzing door de verzekeringnemer, waarvoor niet voor niets vormvereisten gelden. Uit bovenstaand arrest kan mijns inziens echter (nog) niet direct worden afgeleid dat de daar genoemde verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer, waarop bij de vaststelling van de bedoeling van de verzekeringnemer bij de aanwijzing mede moet worden gelet, ook
latereverklaringen en gedragingen kunnen zijn (dus daterend van
nade aanwijzing van de begunstigde), zoals het hof in de nu voorliggende zaak eveneens heeft gedaan. De Hoge Raad spreekt zich over deze vraag niet met zoveel woorden uit. De letterlijke bewoordingen van het arrest lijken latere verklaringen en gedragingen in ieder geval niet uit te sluiten, maar dat kan ook het gevolg zijn van het feit dat het in dit arrest ging om verschillende verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer die zich alle
ten tijde vandeze aanwijzing hadden voorgedaan (hij was immers zeer kort daarna overleden), zodat de Hoge Raad zich slechts heeft uitgesproken over de vraag of
buiten de schriftelijke mededeling aan de verzekeraar gelegenverklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer in aanmerking konden komen om tot uitleg van de begunstiging te komen.
nahet maken van de uiterste wilsbeschikking optredende omstandigheden bij de uitleg van deze beschikking mogen worden gebruikt. In beginsel duidt in ieder geval lid 1 op het tegendeel. Men zou echter in de aan- of afwezigheid van een bepaalde toestand ten tijde van het maken van de beschikking, of in een toen reeds bestaande verwachting over de toekomst, al omstandigheden kunnen zien waaronder de uiterste wil is gemaakt. Voor de daden en verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil (behoudens een enkel niet-doen, zoals het niet herroepen van een uiterste wil) als bedoeld in lid 2, geeft de parlementaire geschiedenis al aan dat het daar ook om posterieure daden en verklaringen kan gaan. [13]
nahet opmaken van de uiterste wil gewijzigde omstandigheden. De omstandigheden die de Hoge Raad noemt, spelen immers weliswaar ten tijde van het opmaken van de uiterste wil, maar in feite wordt hierdoor rekening gehouden met de
latereomstandigheid die reden gaf tot strijd over het testament: het feit dat de erflater en de bij uiterste wil benoemde erfgenaam ten tijde van het overlijden van de erflater
niet meersamenleefden. Deze mogelijkheid vindt ook steun in de parlementaire geschiedenis over de betekenis van posterieure gebeurtenissen bij het bepalen van de wil van de erflater in het kader van artikel 4:46 lid 1 BW Pro:
binnenhet systeem van artikel 4:46 lid 1 BW Pro – deze later gewijzigde omstandigheden tóch een rol spelen bij de uitleg van een testament. Het huidige erfrecht laat – zeker in het licht van deze uitspraak – dus wel degelijk veel ruimte voor uitleg. [17]
ten tijde van het overlijden(o.a. de relatie met [verweerster] , waarmee een samenlevingsovereenkomst is aangegaan en die tot enig erfgenaam is benoemd met uitdrukkelijke onterving van de kinderen, waarbij aan de notaris is aangegeven dat het gehele vermogen aan [verweerster] diende toe te komen en zij zoveel mogelijk verzorgd diende te worden achtergelaten) relevant zijn omdat daaruit volgt dat de omstandigheden
waaronder de begunstigden zijn aangewezen(waarin nog geen sprake was van de latere niet-huwelijkse relatie met [verweerster] , die aan de weg zou (kunnen) staan aan het begunstigen van de kinderen, de kinderen nog niet waren onterfd, en eenvoudigweg van de standaardbegunstiging is uitgegaan, die alles nog openhield) nadien zo fundamenteel (en onvoorzien) zijn gewijzigd dat geconstateerd moet worden dat de standaardbegunstiging niet met het oog op (ook) die nieuwe situatie is opgenomen. [19] Tot de verhoudingen die de verzekeringnemer toen heeft willen regelen, behoorde dan niet een eventuele latere niet-huwelijkse relatie. In ieder geval maken deze omstandigheden en de destijds bestaande, te regelen verhoudingen in deze gedachtegang dat de mogelijkheid moet bestaan om met behulp van nadere bewijsmiddelen aan te tonen dat de bedoeling van de verzekeringnemer – zoals gesteld door [verweerster] – van de standaardbegunstiging afweek.
nietheeft bepaald. [23] Als we ervan uitgaan dat het bij de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen en begunstigingen gaat om het achterhalen van de wil van de erflater of verzekeringnemer
ten tijde van het testeren of aanwijzen van de begunstigde, dan rijst de vraag of de figuur van de uitleg wel de aangewezen weg is om met deze niet door de erflater of verzekeringnemer voorziene, gewijzigde omstandigheden om te gaan. Op basis van een uitleg zoals die hierboven werd beschreven zou dan wel kunnen worden bepaald wie dan wel bedoeld zou zijn om erfgenaam of begunstigde te zijn, maar zoals gezegd, heeft de erflater of verzekeringnemer aan de gewijzigde situatie nu juist ten tijde van zijn beschikking niet gedacht. Men kan moeilijk een wil of bedoeling ten aanzien van een bepaalde situatie gaan
uitleggen, als die wil of bedoeling ontbreekt. Dan acht ik uitleg niet zo op zijn plaats. Uitleg komt dan gevaarlijk dicht in de buurt van aanvulling [24] , waarvoor – in ieder geval in het erfrecht – in beginsel geen plaats is (zie art. 4:47 BW Pro). In feite wordt het testament of de begunstiging bij de uitleg dan immers aangevuld met een ontbindende voorwaarde – van verbreking van de samenleving of het aangaan van een (nieuw) huwelijk of (nieuwe) relatie – die misschien wel
achterafdoor de erflater zou zijn
gewild, maar in ieder geval niet
op het moment van testeren of aanwijzen van de begunstigde(bewust) zo is gemaakt of bedoeld. Strikt genomen wordt dus niet het testament of de begunstiging uitgelegd zoals dat/die is
gemaakt, maar wordt de (vermoedelijke) bedoeling van de erflater vastgesteld
nadatde later optredende omstandigheden zich hebben voorgedaan.
bijzondere omstandighedenin het spel zijn. Er bestaat echter geen belemmering om alle denkbare omstandigheden in de beoordeling mee te wegen, ook die die na het testeren of aanwijzen van de begunstigde plaatsvinden of gelegen zijn in daden en verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil (of van de verzekeringnemer buiten de schriftelijke mededeling aan de verzekeraar).
indie gewijzigde situatie dwaalde over de rechtsgevolgen van zijn eerder verrichte rechtshandeling en dat hij
daaromniet zelf heeft ingegrepen door zijn testament of begunstiging in de later ontstane situatie te wijzigen of aan te passen. Hij verkeerde immers in de overtuiging dat dat niet nodig was en alles reeds zou uitpakken zoals hij dat (ook nu) in de later ontstane situatie wenste. Een dergelijke (rechts-)dwaling – niet zozeer een dwaling in de zin van art. 6:228 BW Pro [25] , maar meer in het algemeen een onjuiste voorstelling van zaken – kan bij de uitleg eigenlijk niet goed aan de orde komen, omdat het (ook hier) gaat om een dwaling die eigenlijk pas in het licht van de later opgetreden omstandigheden is ontstaan, en waardoor een reactie van de erflater of verzekeringnemer op die omstandigheden is uitgebleven. Bovendien is niet (zozeer) de uit te leggen rechtshandeling – het testament of de aanwijzing van de begunstigden – onder invloed van de dwaling tot stand gekomen, maar is juist de herroeping of wijziging daarvan
niettot stand gekomen onder invloed van de dwaling. [26]
-3.9) – waaronder dat er behoudens de verzekeringspolissen geen vermogen was, dat de gemeenschappelijke woning van de erflater en [verweerster] met ruim € 100.000,- onder water stond en [verweerster] nog een vordering op de erflater had vanwege een investering in die woning, dat er sinds 1995 geen enkel contact meer was geweest tussen de erflater en [eiseressen] , dat de erflater niet wist dat de polisuitkeringen buiten zijn nalatenschap vielen en dat hij de standaardbegunstiging moest wijzigen om dit te veranderen, maar dat hij met zijn testamenten dacht te hebben bereikt dat de polisuitkeringen aan [verweerster] zouden toekomen, en dat de uitkering veel hoger was dan hetgeen [eiseressen] uit hoofde van hun legitieme portie zouden hebben ontvangen – de volgende vaststaande feiten en omstandigheden met zoveel woorden in aanmerking genomen (rov. 3.10):