Conclusie
1.Feiten en procesverloop
15-2-2006 [eiser] [[eiser], toev. hof] heeft plannen om het hele melkquotum te verkopen, en over drie jaar weer te beginnen. Problemen met de koeien. Al het rundvee verkopen en land omzetten in bouwland. Vandaag een bespreking met [betrokkene 2] en morgen met Makelaar [A].”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.amiskent het hof dat Accon niet kon nalaten [eiser] voor te lichten over de BV-optie, of althans te informeren over het bestaan daarvan, om reden dat daaraan fiscale risico’s en onzekerheden en financiële risico’s waren verbonden en Accon zelf twijfels had over de voor- en nadelen. Een (fiscaal) adviseur behoeft niet te wijzen op (fiscale) faciliteiten die weliswaar in theorie van toepassing zouden kunnen zijn maar waarvan redelijkerwijs valt uit te sluiten dat zij in de gegeven omstandigheden voor toepassing in aanmerking komen, maar dient zijn opdrachtgever wel voor te lichten over (het bestaan van) de verschillende reële mogelijkheden en risico’s. [5] Dit mede teneinde de opdrachtgever (en niet de (fiscaal) adviseur) in staat te stellen weloverwogen te beslissen (op basis van de door de (fiscaal) adviseur te geven voorlichting over de mogelijkheden en risico’s).
subonderdeel 1.b, samengevat, onvoldoende gemotiveerd omdat (i) de aan die optie verbonden risico’s en onzekerheden nog niet maken dat die optie niet reëel was en (ii) gezien de stellingen van [eiser] dat die optie wel reëel was.
subonderdelen 1.a en 1.brichten zich op het bestaan van de BV-optie en plaatsen de daaraan verbonden voor- en nadelen in de sleutel van beslissing die [eiser] (al dan niet nader geadviseerd door Accon of aan de hand van een
second opinion) [15] zou moeten nemen over het gebruik maken van deze optie. Daarmee leggen deze klachten een ander accent dan het hof heeft gedaan.
Subonderdeel 1.amoet daarom falen.
subonderdeel 1.bdaarom niet.
subonderdeel 2.a) dan wel onjuist (
subonderdeel 2.b) zou zijn.
subonderdeel 3.a), dat de 3-jaarstermijn van de HIR afliep in maart 2010 (
subonderdeel 3.b) en dat Accon kennelijk ook (steeds) in de veronderstelling verkeerde dat [eiser] deskundig werd bijgestaan door TEP (
subonderdeel 3.c).
Subonderdeel 3.astuit hierop af, ook voor zover dit subonderdeel klaagt over schending van art. 24 Rv Pro.
subonderdeel 3.c). Het onderdeel wijst er in dat kader op dat Accon eerst in 2010 is geïnformeerd over het rapport van TEP en aldus daarvoor niet in de veronderstelling kon zijn dat [eiser] door TEP werd bijgestaan. Deze klacht miskent dat het hof heeft getoetst of Accon in maart 2010, nadat zij van de HIR-problematiek op de hoogte was geraakt, (al dan niet ongevraagd) over het bestaan van de BV-optie had moeten adviseren. Het gaat om toetsing van de afweging die Accon op dat moment heeft kunnen maken en dus of zij op dat moment in de veronderstelling verkeerde dat [eiser] deskundig door TEP werd bijgestaan. Het door het onderdeel naar voren gebrachte argument dat Accon pas in 2010 over het rapport van TEP is geïnformeerd doet daaraan niet af, zodat het hof deze omstandigheid bij zijn oordeel kon betrekken. Daarbij heeft het hof niet geoordeeld dat de betrokkenheid van TEP als zodanig meebrengt dat van Accon [eiser] niet behoefde te attenderen op de BV-optie. Dat oordeel berust in de kern op de kwestie van de voor- en nadelen van die optie.