Conclusie
‘mensenhandel’en
‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’tot een gevangenisstraf van 14 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest omschreven.
eerste middelklaagt over de schending van de redelijke (inzend)termijn in de cassatiefase.
tweede middelklaagt over het onder 1 bewezenverklaarde bestanddeel
‘kwetsbare positie’in de zin van art. 273f Sr (mensenhandel).
in het najaar van 2010 is aangeefster in contact gekomen met verdachte en is zij verliefd op hem geworden;
de eerste paar weken van de relatie zagen ze elkaar bijna elke dag en nam hij haar overal mee naar toe, aangeefster had het gevoel dat zij verdachtes prinsesje was en dat zij een relatie hadden;
aangeefster bevond zich in een kwetsbare positie en heeft verdachte op de hoogte gesteld van de slechte dingen die in haar leven waren gebeurd en dat zij als prostituee had gewerkt;
aangeefster is samen met verdachte naar een tatoeage shop gegaan en heeft de naam van verdachte in het Arabisch in haar nek laten tatoeëren, waarop verdachte haar heeft medegedeeld dat iedere jongen die met haar naar bed zou gaan zou weten dat zij van hem was;
na een paar weken begon verdachte te veranderen;
aangeefster merkte dat verdachte erop uit was dat zij in de prostitutie zou gaan werken;
aangeefster heeft toen uit zich zelf maar voorgesteld om in de prostitutie te gaan werken, verdachte zei dat hij dan meer respect voor haar zou hebben als zij werkte en aangeefster meende dat zij verdachte zo aan zich kon binden;
aangeefster heeft in Antwerpen, Amsterdam, Groningen, ’s-Hertogenbosch en Eindhoven prostitutiewerkzaamheden verricht;
verdachte heeft die werkzaamheden gefaciliteerd en aangeefster met de auto vervoerd;
verdachte maakte de regels, zij mocht geen contact met andere mannen of vrouwen hebben;
aangeefster moest met een speciale telefoon via lege sms’jes laten weten of ze een klant had;
de werktijden werden door verdachte bepaald, ze moest toestemming vragen om eerder naar huis te mogen gaan, wat geregeld werd geweigerd door verdachte;
van het begin af aan van de werkzaamheden is het verdiende geld nagenoeg geheel aan verdachte afgedragen;
verdachte ging haar in de loop van de relatie steeds meer negeren, bijvoorbeeld als zij te weinig geld verdiende en heeft haar na een ruzie zonder geld in Antwerpen achter gelaten;
aangeefster is een periode dakloos geraakt omdat zij door haar stiefvader uit huis was gezet;
zij heeft toen bij een meisje in ’s-Hertogenbosch verbleven, genaamd [betrokkene 1];
zij is toen bij [A] gaan werken, waar zij geld moest lenen van de eigenaar, [betrokkene 2], om huur te kunnen betalen;
aan het eind van 2010 heeft zij eigen woonruimte in Eindhoven gevonden, in een huis bij een bekende [betrokkene 3], aan wie ze heeft verteld dat hij niet tegen verdachte mocht zeggen dat hij haar kende omdat zij anders ruzie met verdachte zou krijgen;
ook in die woning heeft aangeefster klanten ontvangen waarop verdachte het geld kwam ophalen;
vlak nadat aangeefster contact kreeg met de politie heeft verdachte de relatie beëindigd.
‘een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik teondergaan’. Er is ruimte voor het openbaar ministerie en de rechter om op grond van verschillende omstandigheden te oordelen dat sprake is van misbruik van een kwetsbare positie. [8] In het licht van dit artikel komt aan het begrip ‘
misbruik van een kwetsbare positie’ mede feitelijke betekenis toe, zodat in de tenlastelegging kan worden volstaan met opneming van dit begrip zonder nadere concretisering. [9] Dat in het concrete geval sprake is van een dergelijk misbruik, zal uit de gebezigde bewijsvoering moeten blijken.
slechte dingen’waren gebeurd, waaronder prostitutiewerkzaamheden, en dat zij psychische problemen had. Uit ‘s hofs vaststellingen blijkt voorts dat de verdachte er op aanstuurde dat het slachtoffer in de prostitutie zou gaan werken. Onder meer doordat hij haar er toe aanzette een tatoeage met zijn naam in haar nek te laten tatoeëren, waarna hij haar heeft gezegd dat zij
‘nu van hem was’en dat
‘iedere jongen die jou neukt weet dat jij van mij bent’. Voorts blijkt uit ’s hofs bewijsvoering dat de verdachte de prostitutiewerkzaamheden van het slachtoffer heeft gefaciliteerd, dat hij bepaalde aan welke regels zij zich moest houden en dat hij nagenoeg alle opbrengsten van haar werkzaamheden heeft ontvangen. Het slachtoffer kon zodoende niet over eigen financiële middelen beschikken en was praktisch afhankelijk van de verdachte. Uit de sms’jes die het slachtoffer naar de verdachte heeft gestuurd en de verklaringen van diverse getuigen blijkt voorts dat de verdachte haar negeerde als zij niet deed wat hij wilde waardoor zij zich in bochten wrong om wederom bij hem in de gratie te komen. ’s Hofs oordeel dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer getuigt, gezien de door het hof vastgestelde feiten die in het toepasselijke beoordelingskader zijn gewogen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (en voldoende) gemotiveerd. Dat het slachtoffer zelf heeft aangeboden de prostitutie in te gaan, doet hier niet aan af. Immers, zoals ik zojuist besprak, gebeurde dat op instignatie van de verdachte die haar daarop onder meer heeft gezegd dat hij
‘op die manier meer respect voor haar zou krijgen’.