De steller van het middel voert aan dat de enkele omstandigheid dat de goederen eerder zijn gestolen geen betrekking heeft op de aard van de goederen, althans dat daarmee niet nog sprake is van een zodanige aard dat het ongecontroleerd bezit ervan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Niet valt in te zien op welke wijze het bezit van deze goederen afbreuk zou doen aan de effectieve voorkoming en bestrijding van handel in gestolen auto-onderdelen. Evenmin heeft de rechtbank vaststellingen gedaan omtrent het te verwachten gebruik van de goederen. Daarmee getuigt volgens de steller van het middel (ook) het oordeel van de rechtbank dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat het motorblok en de versnellingsbak aan het verkeer zullen worden onttrokken, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel niet toereikend gemotiveerd.
6.1. Uit de gedingstukken blijkt, zoals hiervoor onder 3. reeds vermeld, dat op grond van art. 94 Sv de auto op 31 mei 2016 onder de klaagster in beslag is genomen en de officier van justitie op 18 juli 2016 een last tot teruggave van deze auto heeft gegeven, met uitzondering van de onderdelen die van diefstal afkomstig zijn, namelijk het motorblok en de versnellingsbak. Uit namens mij ingewonnen inlichtingen bij de Dienst Domeinen is gebleken dat de auto op 16 augustus 2016 is teruggeven aan de klaagster, met uitzondering van het motorblok en de versnellingsbak. Deze onderdelen zijn gedemonteerd alvorens tot teruggave van de auto is overgegaan.
6.2. Op het motorblok en de versnellingsbak rust thans nog klassiek beslag. In een dergelijk geval dient de rechter a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd. In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard en kan, mits de hiervoor bedoelde ander zelf een klaagschrift heeft ingediend, de teruggave aan die rechthebbende worden gelast.Het belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art. 552f Sv.
6.3. In art. 36c en 36d Sr is als voorwaarde voor de onttrekking aan het verkeer van voorwerpen gesteld dat de desbetreffende voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Volgens de Hoge Raad volgt uit die voorwaarde dat het moet gaan om een voorwerp waarvan de aard relevant is in die zin dat het ongecontroleerde bezit, al dan niet in samenhang met het redelijkerwijze te verwachten gebruik daarvan, juist in verband met die aard in strijd is met de wet of het algemeen belang.Een voorbeeld betreft het ongecontroleerd bezit van een motorstep – waarvan het bezit op zichzelf niet verboden is – dat in strijd werd geacht met het algemeen belang, vanwege het voor de hand liggende – wel verboden – gebruik daarvan op de openbare weg.
6.4. Zowel ten tijde van de behandeling van het klaagschrift door de rechtbank als in cassatie is slechts de teruggave van het motorblok en de versnellingsbak die zijn aangetroffen in de Volkswagen polo en zijn gedemonteerd op last van het OM aan de orde (geweest). Hoewel niet kan worden uitgesloten dat een auto, waarvan gesteld wordt dat het ongecontroleerd bezit van bepaalde onderdelen in strijd is met het algemeen belang, in zijn geheel voor onttrekking aan het verkeer vatbaar is,is het naar mijn mening een praktische en proportionele oplossing van het OM geweest om (alvast) de auto met uitzondering van de gestolen onderdelen terug te geven en alleen ten aanzien van de gestolen onderdelen het voornemen kenbaar te maken de onttrekking aan het verkeer te zullen vorderen.
6.5. Deze zaak vertoont gelijkenis met een zaak waarin de Hoge Raad op 3 april 2018 uitspraak heeft gedaan.In die zaak ging het om een inbeslaggenomen scooter met een gestolen motorblok. De rechtbank stelde vast dat het motorblok wel maar de (rest van de) scooter niet van diefstal afkomstig was. Om tegemoet te komen aan de klager, gelastte de rechtbank de teruggave van de scooter met dien verstande dat vóór teruggave van de scooter het motorblok diende te worden verwijderd. Het verschil met onderhavige zaak is dus dat de rechter de teruggave gelastte van de motorfiets, met uitzondering van het gestolen motorblok terwijl in onderhavige zaak het OM reeds voorafgaand aan de beklagprocedure heeft besloten tot teruggave van de auto met uitzondering van de gestolen onderdelen. De Hoge Raad casseerde de beschikking van de rechtbank met de volgende overwegingen:
‘’Voor zover de Rechtbank heeft geoordeeld dat het door
art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich niet verzet tegen teruggave van de scooter met uitzondering van het gestolen motorblok, is zij te ver vooruit gelopen op het latere oordeel van de strafrechter. Wat dat laatste betreft is het immers aan die later oordelende rechter om te bepalen of de scooter al dan niet in zijn geheel als voorwerp waarvan het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet of het algemeen belang aan het verkeer moet worden onttrokken.
Voor zover de Rechtbank dat niet heeft miskend, is haar oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende rechter de gehele scooter aan het verkeer onttrokken zal verklaren ontoereikend gemotiveerd.
De bestreden beschikking lijdt derhalve aan een motiveringsgebrek.’’
Uit deze uitspraak valt naar mijn mening af te leiden dat ook bij de enkele omstandigheid dat een (onderdeel van een) voorwerp gestolen is, dit volgens de Hoge Raad nog niet betekent dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat dit voorwerp (al dan niet in zijn geheel) aan het verkeer onttrokken kan worden verklaard.
6.6. De door de steller van het middel gemaakte vergelijking met van misdrijf afkomstig verkregen geld gaat niet op omdat de Hoge Raad ten aanzien van geld heeft bepaald dat de aard van geld
als wettig betaalmiddelmaakt dat het ongecontroleerd bezit ervan niet in strijd kan zijn met de wet of het algemeen belang.Auto-onderdelen zijn echter geen wettig betaalmiddel en de omstandigheid dat ze gestolen zijn, kan het op zichzelf beschouwd onschuldig karakter van die goederen in samenhang met het mogelijke gebruik zodanig veranderen dat het ongecontroleerd bezit ervan (toch) in strijd is met de wet of het algemeen belang.Daarbij merk ik op dat de klacht dat de rechtbank niets heeft vastgesteld omtrent het mogelijke gebruik van de gestolen onderdelen feitelijke grondslag mist, aangezien de rechtbank heeft overwogen dat niet is uitgesloten dat het bezit daarvan afbreuk doet aan een effectieve voorkoming en bestrijding van met gestolen auto-onderdelen bedreven handel. In deze overweging ligt naar mijn mening besloten dat alleen al het bezit van gestolen auto-onderdelen op gespannen voet staat met de bestrijding van de handel hierin (zijnde het mogelijke gebruik) en dat daarin de strijd met het algemeen belang gelegen is.Daarom kan niet worden gesteld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende rechter de gestolen onderdelen aan het verkeer onttrokken zal verklaren. Het oordeel van de rechtbank getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.