Conclusie
1.Feiten
2.Het procesverloop
7.4. Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef Pro en sub c, e en f Fw, te beoordelen of er bij [verweerder] , in het licht van alle omstandigheden van het geval, sprake is van het (bij toelating en/of gedurende de schuldsaneringsregeling) niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling, het trachten zijn schuldeisers te benadelen en/of het bekend worden van feiten en omstandigheden die op het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid Pro l en lid 2 Fw.
3.Inleiding op het te bespreken cassatiemiddel
de beëindiging geschiedt indien’. Tot 1 januari 2008 bepaalde het derde lid nog dat ‘
beëindiging kan geschieden indien’. Dit roept de vraag op of de woorden ‘geschiedt indien’ meebrengen dat de aanwezigheid van een van de beëindigingsgronden ertoe leidt dat de rechter de schuldsaneringsregeling
moetbeëindigen en daarin dus geen beoordelingsruimte heeft.
kan beëindigen’) en uit de parlementaire geschiedenis kan niet worden afgeleid dat op dit punt een aanpassing is beoogd, nu een toelichting op de gewijzigde bewoordingen ontbreekt. [23] Aan te nemen is derhalve dat ook indien zich een van de beëindigingsgronden voordoet, de rechter onder omstandigheden kan oordelen dat er onvoldoende aanleiding is om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.
4.De beoordeling van het cassatiemiddel
Het
eerste onderdeelricht zich tegen rov. 7.5 en 7.6 van het eindarrest. Aangevoerd wordt dat het oordeel van het hof dat door het afdragen van de dagwaarde van de auto thans geen sprake meer is van het benadelen van de schuldeisers, onbegrijpelijk is omdat de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350, lid 3 onder e, Fw ook kan worden beëindigd indien de schuldenaar zijn schuldeisers
trachtte benadelen. Dat de waarde van de auto inmiddels in de boedel is gestort doet niet af aan het feit dat [verweerder] de schuldeisers heeft getracht te benadelen.
tweede onderdeelricht zich tegen de overweging van het hof in rov. 7.6, dat niet aannemelijk is dat de kwestie van de auto destijds aan toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg had gestaan indien de feiten die nu aan het licht zijn gekomen destijds bekend waren geweest, omdat ook toen gekozen had kunnen worden voor het storten van de dagwaarde in de boedel waardoor van benadeling van schuldeisers geen sprake meer was. Betoogd wordt dat door het betalen de dagwaarde het ontbreken van goede trouw wegens het onbetaald laten van de schulden c.q. het frustreren van verhaal van schuldeisers voorafgaand aan de toelating niet kan worden gerepareerd omdat
ex tuncmoet worden getoetst. Het alsnog toelaten van een saniet die getracht heeft het verhaal van schuldeisers te frustreren, zou bovendien in strijd met de aard en het doel van de schuldsaneringsregeling zijn. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het betalen van de dagwaarde aan de boedel niet kan worden aangemerkt als het onder controle krijgen van de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden en dat [verweerder] geen beroep heeft gedaan op de hardheidsclausule die bovendien bij de e-grond niet van toepassing is.
‘dat [verweerder] zowel zijn (historische) woonsituatie als het bezit en gebruik van zijn auto destijds nader heeft toegelicht’(rov. 7.5). In deze overweging ligt besloten dat de informatie over auto en woonsituatie bij de beslissing tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bekend was. Dat betekent dat niet voldaan is aan art. 350 lid 3 onder Pro f, Fw (zie onder 3.8 en de daar genoemde jurisprudentie). Hierop stuiten de klachten af die betrekking hebben op het tussentijds beëindigen van de schuldsaneringsregeling op de f-grond.
dat [verweerder] dus informatie heeft verzwegen’, [33] is door het hof niet getrokken. Het hof overweegt immers dat zowel de informatie met betrekking tot zijn woonsituatie als met betrekking tot het bezit en het gebruik van de auto door [verweerder] destijds nader is toegelicht. Hierin ligt besloten dat [verweerder] geen informatie heeft verzwegen. Dit is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet kan worden getoetst. Het oordeel berust op een – zeker niet onbegrijpelijke – uitleg van de stukken uit de procedure tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.
a fortiorigeen sprake van het trachten te benadelen van schuldeisers (althans, voor zover het gaat om handelen voorafgaand aan toelating, zoals in de onderhavige situatie aan de orde is). Daarmee faalt onderdeel I ook voor zover het ziet op tussentijdse beëindiging op grond van art. 350 lid Pro 3, onder e, Fw.