Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
HR BNB 2010/64 [3] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de in artikel 15, lid 4, tweede volzin, van de Wet OB neergelegde herzieningsregeling in overeenstemming is met de Zesde richtlijn [4] . Gelet op de omstandigheden dat de herzieningsbepalingen in de Zesde richtlijn niet een-op-een zijn overgenomen in de Btw-richtlijn, de onderhavige vraag een andere is dan die in
HR BNB 2010/64aan de orde was en ik aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van ná
HR BNB 2010/64meen dat de toepassing van het Unierecht niet zo evident is dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de in onderdeel 1.5 vermelde vraag dient te worden beantwoord, geef ik de Hoge Raad in overweging het HvJ een prejudiciële vraag voor te leggen.
HR BNB 2010/64waarin tot de gelijke conclusie wordt gekomen dat artikel 15, lid 4, van de Wet OB in overeenstemming is met het toenmalige artikel 20, lid 1, onder a van de Zesde richtlijn (het huidige artikel 184 van Pro de Btw-Richtlijn) en dat van strijd met de toenmalige Zesde Richtlijn geen sprake is.
3.Het geding in cassatie
4.Beoordeling van het cassatiemiddel
vierdekwartaal van 2014. Daarbij is uitgegaan van de door mij voorgestane richtlijnconforme uitleg: herziening gespreid over een periode van 10 volle kalenderjaren. Daartegen loopt een bezwaarprocedure. Ik ben het met u eens dat het processueel efficiënt was geweest om die procedure tegelijk met deze procedure te voeren. Er is ook nog gesproken over het eventueel instellen van sprongcassatie. Maar de inspecteur wilde dit niet.”
Cilfit/Ministero della Sanitàgespecificeerd op welke wijze dient te worden vastgesteld of één van deze excepties zich voordoet. [29] Een acte éclairé is aan de orde in het geval de gerezen vraag zakelijk gelijk is aan een vraag waarover in een soortgelijk geval reeds een beslissing is genomen, en in het geval dat vaste rechtspraak van het HvJ bestaat over het punt waarop het geding betrekking heeft. [30] Tot op heden is de vraag of de Nederlandse regeling van herziening ineens bij ingebruikneming, of een equivalent daarvan die in een andere lidstaat wordt gehanteerd, verenigbaar is met de Btw-richtlijn nimmer expliciet aan het HvJ voorgelegd. Dit leidt tot de conclusie dat de voorliggende vraag niet ziet op een acte éclairé.
HR BNB 2010/64 [33] , dat “naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is” dat in aftrek gebrachte omzetbelasting op de voet van artikel 15, lid 4, tweede volzin, van de Wet OB verschuldigd wordt op het tijdstip waarop de goederen en diensten worden gebezigd voor prestaties waarvoor geen recht op aftrek bestaat, niet in strijd is met de Zesde richtlijn: [34]
BNB1994, in welk arrest artikel 15, lid 4 (toen 3), van de Wet niet mede in aanmerking is genomen – de wetgever kennelijk gebruikt heeft gemaakt van de mogelijkheid die artikel 20, lid 2, vierde volzin, van de Zesde richtlijn biedt. Immers, artikel 15, lid 4, van de Wet bepaalt – in overeenstemming met artikel 20, lid 1, letter a, van de Zesde richtlijn dat in voorkomende gevallen de aftrek bij de ingebruikneming wordt herzien, terwijl het op artikel 15, lid 6, van de Wet gebaseerde artikel 13 van Pro de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 in overeenstemming met de eerstvermelde bepaling van de Zesde richtlijn bepaalt dat bij voortdurend gebruik de aftrek wordt herzien vanaf de ingebruikneming.”
Cilfit/Ministero della Sanità.Hoewel het genoemde oordeel van de Hoge Raad algemeen is geformuleerd, en daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de Hoge Raad van oordeel is dat artikel 15, lid 4, tweede volzin, van de Wet OB richtlijnconform is, betwijfel ik of de Hoge Raad een algemeen oordeel over de richtlijnconformiteit van artikel 15, lid 4, van de Wet OB heeft gegeven. Het betreffende oordeel heeft namelijk betrekking op goederen en diensten die met het oog op bebouwing van een perceel grond zijn aangekocht, maar uiteindelijk voor een vrijgestelde levering zijn gebruikt. Artikel 20, lid 3, van de Zesde richtlijn, welke bepaling de Hoge Raad in zijn arrest noemt, bepaalt dat in een dergelijk geval herziening plaatsvindt voor de gehele nog resterende herzieningsperiode. In de onderhavige zaak is daarentegen sprake van ingebruikneming van een investeringsgoed voor een vrijgestelde dienst. In de tweede alinea van punt 3.5.2 van het arrest heeft de Hoge Raad in mijn visie niet meer geoordeeld dan dat Nederland gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de herzieningstermijn bij investeringsgoederen te laten aanvangen op het moment van ingebruikneming. Dat dit is toegestaan volgt uit artikel 187, lid 1, eerste alinea, van de Btw-richtlijn en diens voorganger artikel 20, lid 2, vierde volzin van de Zesde richtlijn. De Hoge Raad verwijst naar laatstgenoemde bepaling. Hij velt geen oordeel over de vraag of herziening ‘ineens’ op het moment van ingebruikneming voor een vrijgestelde dienst richtlijnconform is, dan wel over de vraag of het aftrekrecht tijdens de herzieningstermijn moet worden afgezet tegen de oorspronkelijk toegepaste aftrek of de aftrek in het jaar van ingebruikneming. In
HR BNB 2010/64is mijns inziens dan ook niet zonder meer geoordeeld dat het ‘clair’ is dat artikel 15, lid 4, tweede volzin, van de Wet OB op dit punt richtlijnconform is.
HR BNB 2010/64wel degelijk in zijn algemeenheid hebben geoordeeld dat het een acte clair is dat de Nederlandse herzieningsregeling in overeenstemming is met de Zesde Richtlijn, dan brengt dit niet automatisch met zich dat de Nederlandse herzieningsregeling naar het oordeel van de Hoge Raad thans nog richtlijnconform is. Gezien
Cilfit/Ministero della Sanitàvormt de ontwikkelingsstand van het Unierecht immers een element waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of sprake is van een acte clair. De herzieningsbepalingen in de Zesde richtlijn, waarop
HR BNB 2010/64ziet, komen niet een-op-een overeen met de herzieningsbepalingen in de Btw-richtlijn. Bovendien is de stand van de rechtspraak van het HvJ na
HR BNB 2010/64gewijzigd, waarover hierna meer. Een hernieuwde interpretatie van het Unierecht zal de Hoge Raad dan ook tot de conclusie kunnen leiden dat momenteel geen sprake (meer) is van een acte clair.
Gmina Ryjewo [38] merkt zij namelijk op dat zij meent dat de bewoordingen “of, in voorkomend geval, eerste gebruik” betrekking hebben op het geval een belastingplichtige een goed op het moment van verwerving nog niet heeft bestemd voor economische activiteiten en derhalve op dat moment nog geen aftrekrecht is ontstaan: [39]
Gmina Międzyzdroje [40] van belang. Die zaak gaat over een ondernemer, de Poolse gemeente Międzyzdroje, die in de periode 2007 tot 2010 heeft geïnvesteerd in de uitbreiding van een sporthal waarvan zij eigenaar is. In het kader van de uitbreidingswerkzaamheden zijn aan de gemeente goederen geleverd en diensten verstrekt, ter zake waarvan zij btw heeft voldaan. Tijdens die werkzaamheden vatte de gemeente het idee op om het beheer van de voor sport gebruikte eigendommen te hervormen. Die hervorming bestond in het bijzonder erin dat de sporthal zou worden verhuurd aan een vennootschap die de sporthal zou beheren. In ruil voor de huur die de vennootschap de gemeente zou betalen, zou zij die sporthal mogen exploiteren en de inkomsten uit die exploitatie mogen behouden.
Gmina Międzyzdrojevolgt dat het HvJ de Poolse herzieningsregeling in overeenstemming acht met de Btw-richtlijn:
Gmina Międzyzdrojeinriep, verschilt van de herzieningsregeling van artikel 15, lid 4, tweede volzin, Wet OB. De gemeente beoogde immers te bereiken dat zij in het tweede jaar van de herzieningsperiode in één keer de aan haar in rekening gebrachte btw in aftrek kon brengen, en dat de herzieningsperiode daarmee eindigde. De Nederlandse regeling past eveneens een herziening in één belastingjaar toe (namelijk in het jaar van ingebruikneming), maar daarna worden de investeringsgoederen nog gedurende de resterende jaren van de herzieningsperiode gevolgd. Niet duidelijk is derhalve of uit de beschikking kan worden afgeleid dat herziening in één belastingjaar per definitie is uitgesloten, of dat herziening ineens in één belastingjaar geoorloofd is op voorwaarde dat een herzieningsperiode van ten minste vijf jaren wordt gehanteerd.
Gmina Międzyzdroje, punten 28 en 29) en kan derhalve niet als ongerechtvaardigd voordeel worden aangemerkt. [46] Ondernemers hebben in het omgekeerde geval bovendien een temporiseringsnadeel (zie
Gmina Międzyzdroje).
Gmina Międzyzdrojezo moet worden geïnterpreteerd dat het dwingende karakter van artikel 187 van Pro de Btw-richtlijn niet verbiedt dat herziening in één belastingjaar plaatsvindt op voorwaarde dat is gewaarborgd dat de herzieningsperiode daarna nog enkele jaren voortduurt. Zoals ik hiervoor besprak is dit echter niet duidelijk uit de beschikking op te maken.
Cilfit/Ministero della Sanitàis geen sprake. Nu zich evenmin een andere door het HvJ aanvaarde exceptie op de verwijzingsplicht voordoet, kom ik tot de slotsom dat het voorleggen van een prejudiciële vraag aan het HvJ met de volgende strekking geboden is:
MDDP [48] en
VDP Dental Laboratory e.a. [49] volgt dat een asymmetrisch beroep op de Btw-richtlijn niet mogelijk is: