Conclusie
3 april 2018 (bij vervroeging)
eerste middelbehelst de klacht dat het bewezen verklaarde geweld niet uit de bewijsmiddelen volgt.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een veroordeling wegens wederspannigheid gepleegd op of omstreeks 27 maart 2007 in Lelystad. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld tot een geldboete van €260,-, subsidiair vijf dagen hechtenis. De Hoge Raad constateert dat sinds de verstekmededeling van 8 januari 2009 geen vervolging meer heeft plaatsgevonden, zodat de verjaringstermijn van zes jaar is verstreken en het recht tot strafvordering is vervallen.
Daarnaast ontbreekt in het aan de Hoge Raad toegezonden arrest een motivering van de bewezenverklaring met een opgave van bewijsmiddelen, zoals vereist op grond van artikel 359 en Pro 415 Sv. Het hof heeft ook geen aanvullend arrest ingediend ondanks het cassatieberoep dat meer dan drie maanden na de uitspraak is ingesteld. Hierdoor is de bewezenverklaring onvoldoende onderbouwd.
Verder blijkt uit een brief van de strafgriffie dat belangrijke processtukken, waaronder het griffiersmapje, zijn vernietigd, waardoor het hof mogelijk niet alle stukken kon betrekken bij zijn oordeel. De Hoge Raad acht dit een reden om het arrest te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe berechting op het bestaande hoger beroep.
De Hoge Raad wijst erop dat de raadsman geen tijdig verzoek tot aanvulling van de processtukken heeft ingediend, maar acht dit niet verwijtbaar gezien het ontbreken van een verkorte arrestaanduiding door het hof. De zaak wordt terugverwezen zodat het hof alsnog een deugdelijke motivering kan geven en de zaak kan afdoen binnen de geldende verjaringstermijn.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de vervolging is niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring.