In deze zaak stond de bewezenverklaring van openlijk in vereniging gepleegd geweld tegen personen en goederen centraal. Het hof had in het arrest en de aanvulling niet de wettelijk voorgeschreven bewijsmiddelen opgenomen, waardoor niet kon worden getoetst of de bewezenverklaring op de juiste gronden was gebaseerd.
De Hoge Raad constateerde dat het procesdossier in de zaak met parketnummer 05-514092-09 in het ongerede was geraakt, en dat het hof geen uitwerking van de bewijsmiddelen had gegeven. Hoewel het ontbrekende proces-verbaal later alsnog werd toegezonden, was dit onvoldoende om de wettelijke vereisten te vervullen. De verdediging had niet verzuimd om een verzoek tot aanvulling te doen, zodat het middel slaagde.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor zover het betrekking had op de bewezenverklaring en strafoplegging in deze zaak en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling. Andere onderdelen van het beroep werden verworpen. Tevens werd opgemerkt dat de redelijke termijn was overschreden, maar dat dit in de nieuwe behandeling aan de orde kon komen.