Conclusie
middelklaagt dat het bepaalde in art. 359, derde lid, Sv is geschonden, nu de verklaring van de verdachte niet als een duidelijke en ondubbelzinnige bekentenis kan worden aangemerkt en het hof derhalve ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
“Bewijsmiddelen
NJ2015/347 heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
vermoedenvan rijden onder invloed van alcohol dan wel van een andere stof. [3] Het gaat hier om een objectief vermoeden, voor de feitelijke vaststelling waarvan uiteraard geen bekentenis van de verdachte nodig is.