Conclusie
Autoster/ [eiser]). [1] In deze procedures gaat het om de aansprakelijkheid van de werkgever (Autoster, thans genaamd [verweerster] ) voor de schade die haar werknemer [eiser] heeft opgelopen als gevolg van een arbeidsgerelateerd verkeersongeval dat plaatsvond in juli 1998, dus inmiddels twintig jaar geleden.
1.Feiten
2.Procesverloop
nietis beperkt tot hetgeen [eiser] bij een behoorlijk verzekering uitgekeerd zou hebben gekregen (rov. 4.4.). Als vertrekpunt in de schadestaat heeft derhalve te gelden dat [verweerster] aansprakelijk is voor de gehele schade van [eiser] (rov. 4.13). [16] De rechtbank heeft tussentijds hoger beroep opengesteld tegen haar vonnis (rov. 4.16).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelziet op de uitleg die het hof in de onderhavige zaak heeft gegeven aan het arrest van 17 april 2007. Het
tweede onderdeelziet op het oordeel van het hof dat de stelplicht en bewijslast van de schade als gevolg van het ontbreken van een adequate verzekering op [eiser] rust. Het
derde onderdeelheeft betrekking op de omvang van de verzekeringsverplichting van art. 7:611 BW Pro. Het
vierde onderdeelricht zich, voor het geval de bewijslast op [eiser] rust, tegen ’s hofs oordeel dat hij nog niet is geslaagd in het bewijs dat een verzekering met een hogere dekking mogelijk was geweest. Het
vijfde onderdeelheeft betrekking op de overweging van het hof dat de kwestie omtrent de uitleg van het arrest van 17 april 2007 vooruitlopend op de daadwerkelijke begroting van de schade aan de rechter kan worden voorgelegd. Het
zesde onderdeelbouwt voort op de eerste vijf onderdelen.
eerste onderdeelricht zich tegen ’s hofs overwegingen in zijn arresten van 10 september 2013 (rov. 4.2), 15 april 2014 (rov. 9.5-9.28), 10 februari 2015 (rov. 12.9) en 9 mei 2017 (rov. 21.4-21.5). Kort gezegd houdt de klacht in dat de uitleg die het hof in deze overwegingen geeft aan het arrest van 17 april 2007, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel van een onbegrijpelijke gedachtegang (procesinleiding cassatie, onder 2.39). Het arrest van 17 april 2007 moet namelijk zo worden uitgelegd dat [verweerster] jegens [eiser] aansprakelijk is ex art. 7:611 BW Pro voor de door [eiser] geleden schade, omdat [eiser] schade heeft opgelopen tijdens deelname aan het verkeer in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [verweerster] (procesinleiding cassatie, onder 2.40). Daarmee is voor de grondslag van de aansprakelijkheid niet relevant of [verweerster] al dan niet een ‘adequate verzekering’ kon afsluiten. Dit verweer kan niet meer in de schadestaatprocedure worden gevoerd (procesinleiding cassatie, onder 2.41) en zou in feite het oordeel van het hof in de hoofdprocedure teniet doen (procesinleiding cassatie, onder 2.42). Subsidiair stelt [eiser] zich op het standpunt dat het hof het verweer van [verweerster] met betrekking tot het al dan niet adequaat zijn van de door haar afgesloten verzekering, reeds heeft verworpen in zijn arrest van 17 april 2007 (procesinleiding cassatie, onder 2.44-2.48).
niet worden afgeleid dat het hof heeft bedoeld dat [verweerster] zonder meer zijn volledige schade dient te vergoeden. [eiser] heeft in de hoofdprocedure het hof verzocht [verweerster] te veroordelen tot schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Volgens vaste rechtspraak dient de hoofdprocedure ertoe om de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding vast te stellen. Dat heeft het hof gedaan. Het hof heeft aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW Pro verworpen en aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW Pro toegewezen. Volgens vaste rechtspraak is het voor een verwijzing van partijen naar de schadestaatprocedure noodzakelijk en voldoende dat het bestaan of de mogelijkheid van schade aannemelijk is (vgl. o.m. HR 28 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2902). Het hof diende op de vordering tot verwijzing naar de schadestaat te beslissen en moest daartoe toetsen of de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is gemaakt door [eiser] . Uit de hiervoor geciteerde overwegingen blijkt, dat het hof die toets heeft uitgevoerd. Het hof heeft uitsluitend bedoeld, dat aannemelijk is dat [eiser] meer schade heeft geleden dan het door de verzekeringsmaatschappij uitgekeerde bedrag. Daarmee is niet gezegd dat [verweerster] dus de volledige schade van [eiser] moet vergoeden.
moetimmers in de hoofdprocedure vaststellen dat en op grond waarvan gedaagde aansprakelijk is; die vaststelling mag niet worden uitgesteld tot de schadestaatprocedure. [26] De grondslag van de verplichting tot schadevergoeding dient ook
bij uitsluitingin de hoofdprocedure te worden vastgesteld. [27] De schadestaatprocedure is beperkt tot het begroten van de schade.
omdatde schade van [eiser] is opgelopen door het gebruik van de auto-ambulance en dat gebruik op één lijn moet worden gesteld met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen die hem zijn opgedragen in het kader van zijn arbeidsovereenkomst. Het hof komt daarbij ongeclausuleerd tot het oordeel dat ‘
[verweerster] aansprakelijk is voor de naar aanleiding van het ongeval geleden schade’. Dat het hofarrest zo moet worden begrepen, blijkt ook uit het arrest van de Hoge Raad-arrest van 19 december 2008.
NJ2001/31 (
[.../...]) [33] en HR 9 augustus 2002,
NJ2004/235 (
[.../...] ). [34] In beide arresten, waarbij het hof in zijn arrest van 17 april 2007 expliciet aansluiting heeft gezocht, ging het om zaken waarin de grondslag van de aansprakelijkheid van de werkgever voor een werkgerelateerd ongeval van de werknemer, gelegen was in redelijkheid en billijkheid, in samenhang met de zorgplicht die uit hoofde van art. 7:611 BW Pro op de werkgever rust. Ook in het hofarrest van 17 april 2007 is dát de grondslag voor de aansprakelijkheid van [verweerster] .
in een zodanig geval (…) […] de werkgever uit hoofde van zijn in art. 7:611 BW Pro neergelegde verplichting zich als een goed werkgever te gedragen, gehouden [is] zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van de werknemer wiens werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat hij als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raakt bij een verkeersongeval”, leidt niet tot een andere uitleg van het hofarrest van 17 april 2007 (zoals verdedigd wordt in de s.t. van [verweerster] , onder 3.19-3.21). Deze overweging heeft immers een algemene strekking, en ziet op de aansprakelijkheid van de werkgever voor werkgerelateerde verkeersongevallen
in het algemeen(“
Bij de beoordeling …. wordt vooropgesteld …”). Pas in de hierop volgende rechtsoverweging, rov. 3.4, zoomt de Hoge Raad in op de onderhavige zaak (“
In de onderhavige zaak ….”). In die overweging is niet te lezen dat het hofarrest van 17 april 2007 zo moet worden gelezen, dat aansprakelijkheid bestaat
omdat[verweerster] geen behoorlijke verzekering ten behoeve van [eiser] had afgesloten.
naderhandheeft gewezen over aansprakelijkheid van de werkgever voor arbeidsgerelateerde verkeersongevallen. Het hof verwijst in rov. 9.15 (dus ná zijn in rov. 9.9-9.11 gegeven uitleg) ook naar die arresten. Het gaat dan om de arresten van 1 februari 2008, de zaken
[A] /Akzo [37] en
[B] /Taxicentrale Nijverdal. [38] De Hoge Raad overwoog daarin dat de werkgever uit hoofde van zijn verplichting zich als een goed werkgever te gedragen, gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van werknemers wier werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat zij als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raken bij een verkeersongeval. Indien de werkgever is tekortgeschoten in zijn verplichting zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering, is hij jegens de werknemer aansprakelijk voor zover deze door die tekortkoming schade heeft geleden. De grondslag van aansprakelijkheid is dan dus niet gelegen in redelijkheid en billijkheid, in verbinding met een uit de eisen van goed werkgeverschap voortvloeiende algemene zorgplicht voor de veiligheid van de werknemer, maar in een
specifieke zorgplichtvan de werkgever ten aanzien van het afsluiten van een behoorlijke verzekering ten behoeve van zijn werknemers. Dit verschil in fundament en constructie van de aansprakelijkheid, zo schrijft Lindenbergh, werkt door in de uitwerking en omvang van de aansprakelijkheid van de werkgever voor schade als gevolg van arbeidsgerelateerde verkeersongevallen: [39]
[B] /Taxicentrale Nijverdal, met zijn arresten van 1 februari 2008 een nieuwe koers is gaan varen of dat zijn beslissingen in deze arresten reeds lagen besloten in eerdere rechtspraak, hoeft hier niet te worden beantwoord. [40] Waar het om gaat is dat het hof in zijn arrest van 17 april 2007 de aansprakelijkheid van [verweerster] níet heeft gebaseerd op ‘schending van de dekkingsplicht’. Aan die beslissing is de rechter in de schadestaatprocedure gebonden.
KLM/ [...]en de conclusie van A-G Spier voor dit arrest, [41] waarop in de s.t. van [eiser] uitvoerig wordt ingegaan, niet van doorslaggevende betekenis is voor de onderhavige zaak. Weliswaar wordt in de conclusie van Spier (onder 9.65-9.68) benadrukt dat gegeven het feit dat KLM in de hoofdprocedure veroordeeld is tot betaling van de gehele schade, in de (nog te voeren) schadestaatprocedure geen plaats meer zal zijn voor een discussie over de vraag of de schade beperkt is tot het bedrag dat Kuijer bij een behoorlijke verzekering zou hebben ontvangen, omdat het daar alleen kan gaan over de omvang van de schade. Het arrest is echter gewezen vóór de arresten van 1 februari 2008, en juist de inhoud van die arresten zal van invloed zijn geweest op het hier besproken hofarrest van 15 april 2014.
daarnagewezen rechtspraak van de Hoge Raad, als die uitleg tot duidelijk andere rechtsgevolgen leidt dan de eerdere rechterlijke uitspraak. [42] Het uitleggen van een rechterlijke uitspraak aan de hand van
latererechtspraak van de Hoge Raad zou wellicht nog te verdedigen zijn als de eerdere rechterlijke uitspraak die uitleg toelaat. In het onderhavige geval doet zich dat echter niet voor: de uitleg aan de hand van latere HR-rechtspraak staat haaks op de tekst en bedoeling van de hofuitspraak. Die uitleg ondergraaft tekst en bedoeling van de uitspraak en maakt deze, zoals [eiser] in cassatie naar mijn mening terecht aanvoert (procesinleiding cassatie, onder 2.50), in feite tot een lege huls.
achterafde uitspraak van het hof op zo’n manier te her-interpreteren dat het aanzienlijke risico bestaat dat [eiser] nu, tien jaar na de hofuitspraak waarin [verweerster] aansprakelijk is geacht voor de
geheleschade van [eiser] , alsnog met lege handen komt te staan omdat slechts de ‘dekkingsschade’ voor vergoeding in aanmerking komt, en die schade moet worden beoordeeld naar het jaar 1998.
dat in deze procedure als vertrekpunt heeft te gelden dat [ [verweerster] ] aansprakelijk is voor de schade die het gevolg is van het ongeval. Dat dit tot gevolg heeft dat deze zaak mogelijk anders wordt beoordeeld dan zaken waarin de aansprakelijkheid na 1 februari 2008 is vastgesteld, moge zo zijn. Dat is inherent aan het feit dat het recht in ontwikkeling is en daarom niet te vermijden. Bovendien is even zo goed te betogen, dat in het andere geval sprake is van rechtsongelijkheid ten opzichte van werknemers wiens zaak nog voor de koerswijziging van de rechtspraak is afgedaan.”. [44]
nietdat het hof van oordeel is dat voor een beoordeling van dit verweer van [verweerster] eerst moet komen vast te staan dat er destijds betere verzekeringen op de markt waren en dat die in de branche gebruikelijk waren. Het hof verwerpt het verweer – in beide lezingen – ongeclausuleerd. In de schadestaatprocedure is de rechter gebonden aan deze ongeclausuleerde verwerping van dit verweer. Daarmee is onjuist het oordeel van het hof “
dat [verweerster] in de schadestaatprocedure het verweer mag voeren dat [verweerster] destijds geen verzekering kon sluiten met een hogere dekking dan zij daadwerkelijk heeft gedaan, en dat dit tot gevolg heeft dat de omvang van haar schadevergoedingsverplichting beperkte dient te blijven tot het bedrag dat [eiser] uit hoofde van de ongevallenverzekering heeft ontvangen” (rov. 9.11 uit het arrest van 15 april 2014).
tweede onderdeel(procesinleiding cassatie, onder 2.53-2.55 en 2.61) richt zich tegen rov. 21.4 tot en met ro.v 21.6 van het tussenarrest van 9 mei 2017. Meer specifiek is de klacht gericht tegen rov. 21.5, waarin het hof als volgt overweegt:
konafsluiten is te kwalificeren als een bevrijdend verweer.
de hoogte van zijn vermogensschade, dat wil zeggen dat er een verzekering met een hogere dekking mogelijk was geweest en tot welk bedrag zo’n verzekering mogelijk was’. Aangevoerd wordt dat het niet primair om vermogensschade gaat, maar om de normschending van art. 7:611 BW Pro die tot aansprakelijkheid heeft geleid, namelijk het niet sluiten van een adequate verzekering. Afdeling 6.1.10 BW heeft daarop niet (primair) betrekking.
derde onderdeelricht zich met verschillende klachten tegen het criterium dat het hof aanlegt bij de beantwoording van de vraag wat de omvang was van de behoorlijke verzekering die redelijkerwijs van [verweerster] gevraagd kon worden. Daarnaast zien de klachten op de wijze waarop het hof die vraag heeft onderzocht – door het inschakelen van een deskundige – en beoordeeld in zijn arresten van 15 april 2014 en 9 mei 2017. Ook voor deze klachten geldt dat zij slechts aan de orde komen als de klachten uit het eerste onderdeel niet zouden slagen.
[B] /Taxicentrale Nijverdal: [45]
3.4.1 (…) De aan het gemotoriseerde verkeer verbonden, door velen met grote regelmaat gelopen, risico's van ongevallen hebben mettertijd geleid tot een goede verzekerbaarheid van deze risico's tegen betaalbare premies. In het licht hiervan moet, in het verlengde van hetgeen is overwogen in de arresten van 2001 en 2002, worden geoordeeld dat de werkgever uit hoofde van zijn verplichting zich als een goed werkgever te gedragen, gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van werknemers wier werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat zij als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raken bij een verkeersongeval.De omvang van deze verplichting zal van geval tot geval nader vastgesteld moeten worden met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij in het bijzonder betekenis toekomt aan de in de betrokken tijd bestaande verzekeringsmogelijkheden — waarbij mede van belang is of verzekering kan worden verkregen tegen een premie waarvan betaling in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd — en de heersende maatschappelijke opvattingen omtrent de vraag voor welke schade (zowel naar aard als naar omvang) een behoorlijke verzekering dekking dient te verlenen.”
indicatiekan zijn voor de heersende maatschappelijke opvattingen, maar dat de heersende maatschappelijke opvattingen niet kunnen worden
gereduceerdtot het feitelijke verzekeringsaanbod. [48]
Regiotaxi. [54] In deze zaak ging het om een taxichauffeur die in 1999 tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden een ongeluk kreeg met een personenbusje. Uit het deskundigenonderzoek bleek dat er in 1999 weliswaar verzekeraars waren die een SVI-verzekering met een voldoende hoge limiet aanboden, maar dat taxibedrijven doorgaans niet werden geaccepteerd. Op grond daarvan wees het hof de schadevordering af. In 2011 oordeelde hetzelfde hof, na verwijzing, over de zaak
[A] /Akzo(zie onder 3.12). [55] Ook in die zaak stelde het hof vast dat het destijds (1996) niet mogelijk was om een verzekering af te sluiten, omdat dergelijke verzekeringsproducten destijds door de werkgever niet collectief ingekocht konden worden. Ook de vordering van [A] is dus afgewezen.
het onvoldoende gegevens bevat om de bevindingen, gedachtegang en conclusies van de deskundige te kunnen volgen en controleren’ (rov. 21.23-21.24).
[B] /Taxicentrale Nijverdalvolgt immers dat het enkele feit dat de door de werkgever afgesloten verzekering voldoet aan de eisen die daaraan bij CAO worden gesteld niet voldoende is, aldus het onderdeel. [58]
voorbeeldgenoemd informatie over de vraag of destijds sprake was van een CAO die eventueel regelingen of verplichtingen kende ten aanzien van de verzekerbaarheid of verplichting tot verzekering van werknemers in de branche. Een oordeel over het meewegen van informatie hierover, heeft het hof nog niet gegeven. De wens van het hof om op dit punt nader geïnformeerd te worden, is ook niet in strijd met het arrest
[B] /Taxicentrale Nijverdal, waarin werd overwogen het enkele feit dat een verzekering voldeed aan de door de CAO gestelde eis, onvoldoende grond biedt voor het oordeel dat sprake is van een behoorlijke verzekering (rov. 3.4.2).
alleomstandigheden, is het geenszins onbegrijpelijk dat het hof ook geïnformeerd wil worden over de in de branche geldende opvattingen. Hierop stuit de klacht af.
[B] /Taxicentrale Nijverdal(zie onder 3.29) heeft miskend. Dat het hof het juiste beoordelingskader heeft gehanteerd, blijkt ook uit rov. 12.11 van het hofarrest van 10 februari 2015. Het hof kent daarin gewicht toe aan zowel de beschikbaarheid van de verzekering als aan de heersende maatschappelijke opvattingen:
voor [verweerster]en daarmee voorbijgaat aan de gemotiveerde stelling van [eiser] (i) dat er bij andere verzekeraars een verzekering had kunnen worden afgesloten met een hogere dekking (tot f. 2.000.000); (ii) dat zijn schade daarmee zou zijn gedekt, en (iii) dat een dergelijke verzekering volgens de destijds geldende maatschappelijke opvattingen als een behoorlijke verzekering werd beschouwd.
feitelijk voor [verweerster] bij haar verzekeraar Bovemijbeschikbare verzekeringsmogelijkheden. In ieder geval heeft het hof niet duidelijk gemaakt of toegelicht waarom niet relevant zou zijn wat [eiser] hierover heeft aangevoerd (zie onder 2.86 en 2.93 van de procesinleiding in cassatie):
dat een deskundigenbericht als het onderhavige niet mogelijk is’, juist is (rov. 21.24). Het hof wil hierover met partijen spreken. Wat dit betekent voor de bewijspositie van [eiser] , heeft het hof tot nu toe in het midden gelaten (behoudens het bij onderdeel twee aan de orde gestelde oordeel, dat de bewijslast van de stelling dat een verzekering met een hogere dekking mogelijk was, op [eiser] rust). Enige beslissing over het wel of niet geslaagd zijn van [eiser] in bewijslevering, is dus nog niet gegeven.
vijfde onderdeelricht zich tegen rov. 4.6 van het tussenarrest van 10 september 2013 en rov. 19.9 (bedoeld zal zijn 9.19) en 9.25 van het tussenarrest van 15 april 2014. Deze overwegingen luiden als volgt:
zesde onderdeelbouwt voort op de eerdere klachten en hoeft geen afzonderlijke bespreking.