Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
voortzettingvan de dwangbehandeling binnen de zorgcarrousel op basis van één en dezelfde beslissing van een eerdere behandelaar uit een ander ziekenhuis ter discussie. Waar het middel (evenals als de rechtbank in rov. 3.1) spreekt over de “zorgcarrouselconstructie”, doelt het middel kennelijk op de geplande voortgezette dwangbehandeling binnen een zorgcarrousel.
Onderdeel 1werkt deze algemene klacht uit in die zin, dat het erom gaat of de wet deze constructie toelaat. Daarbij wijst het onderdeel erop dat volgens deze constructie de dwangbehandeling op basis van de beslissing van één geneesheer-directeur (lees: behandelaar) kan worden voortgezet in andere psychiatrische ziekenhuizen/inrichtingen, hoewel de omstandigheden daar anders kunnen zijn.
Onderdeel 2herhaalt dat de situatie in iedere inrichting anders kan zijn en betoogt dat een andere behandelaar in een andere inrichting opnieuw dient te beoordelen of (respectievelijk: welke) dwangbehandeling noodzakelijk is. Het voegt hieraan toe, dat betrokkene een klacht zou moeten kunnen indienen tegen iedere beslissing met betrekking tot dwangbehandeling in elke afzonderlijke inrichting. Doordat als gevolg van de gekozen constructie slechts éénmaal een beslissing tot dwangbehandeling is genomen, heeft betrokkene maar één klachtmogelijkheid gehad en is hem in strijd met de wet en art. 13 in Pro verbinding met 8 en 5 EVRM een effectief rechtsmiddel onthouden.
Onderdeel 3herhaalt de stelling dat na iedere overplaatsing opnieuw had moeten worden beoordeeld of en, zo ja, in hoeverre er redenen waren voor deze dwangbehandeling. Bij gebreke daarvan, is de dwangbehandeling vanaf de eerste overplaatsing van betrokkene (vanuit de Kijvelanden) naar Bavo Europoort onrechtmatig geweest, aldus het middelonderdeel.
ex tunc’), maar ook – indien de patiënt bezwaren uit tegen voortzetting van de dwangbehandeling – in het licht van de actuele omstandigheden ten tijde van de beslissing op het verzoek (‘
ex nunc’). [24]
ultimum remedium’) is en geen automatisme mag zijn: de behandelaar dient te allen tijde te streven naar overeenstemming over het behandelingsplan en de daarop gebaseerde behandeling. Bij de totstandkoming van art. 38a e.v. heeft de wetgever dit als volgt verwoord:
dwangbehandeling. Hij verwijst in dit verband naar een eerdere beschikking van de rechtbank Assen, waarin werd geoordeeld dat een behandelingsplan dat voorziet in dwangbehandeling “langere tijd kan voortduren indien de concrete omstandigheden van het geval geen aanleiding geven tot wijziging van dat behandelingsplan”. Ook in die uitspraak werd het belang van periodieke toetsing van de dwangbehandeling benadrukt. Het gegeven dat “van te voren op basis van ervaring met deze patiënt al aangenomen kan worden dat geen overeenstemming zal worden bereikt”, achtte de rechtbank “geen wettelijk geoorloofde reden om de noodzakelijk geachte medicatie in het kader van een behandelplan niet met de patiënt te bespreken”. [33]
ultimum remedium-beginsel. De regeling van de dwangbehandeling heeft – evenals onder de huidige wet (vgl. alinea 2.10 hiervoor) – het karakter van een “nee, tenzij”-regeling. [36]
in casu: in Bavo Europoort in plaats van in De Kijvelanden). Dat zou op zich nog kunnen worden ondervangen door middel van een ruime wetsinterpretatie. Ten tweede – dat is een belangrijker bezwaar − ontbreekt in deze constructie de voor dwangbehandeling vereiste schriftelijke beslissing van “de behandelaar”, zoals bedoeld in art. 38c lid 2 Wet Bopz. De voortgezette dwangbehandeling vindt plaats onder verantwoordelijkheid van een andere behandelaar dan degene die de beslissing tot dwangbehandeling heeft genomen (
in casu: [betrokkene 3] in plaats van [betrokkene 1]). [40] Aldus komt – ten derde – ook de rechtsbescherming van de patiënt in het gedrang. Art. 41 Wet Pro Bopz laat slechts klachten toe over de “beslissing” tot dwangbehandeling, niet over de feitelijke uitvoering daarvan. Ook de in art. 38c en 56 Wet Bopz neergelegde waarborgen worden deels uitgehold indien zij op een doorlopend dwangbehandelingstraject worden toegepast.
ultimum remedium’zou moeten zijn. Weliswaar overweegt de rechtbank in rov. 3.1 – onbestreden in cassatie – dat “nadrukkelijk niet is gebleken” van de gestelde vooringenomenheid (het “slaafs volgen wat eerder is besloten” en “blindelings varen op een eerder genomen besluit”), maar ik versta die overweging aldus dat de carrouselconstructie
als geheel– de frequente overplaatsingen, de beslissing tot dwangbehandeling en de driemaandelijkse evaluatie daarvan – volgens de rechtbank niet getuigt van vooringenomenheid. Dit neemt niet weg dat de neiging van een individuele behandelaar om, overeenkomstig de tussen de betrokken ziekenhuizen gemaakte afspraak, de eerder ingezette dwangbehandeling na iedere overplaatsing voort te zetten tot aan de voorziene driemaandelijkse evaluatie, groter zal zijn dan indien na iedere overplaatsing opnieuw door de (nieuwe) behandelaar de noodzaak, doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit van de voortgezette dwangbehandeling wordt getoetst. Uit de overgelegde stukken maak ik niet op dat een toetsing na iedere overplaatsing ondoenlijk is of dat de continuïteit en de effectiviteit van de zorg daardoor in het gedrang zouden komen. [41] Integendeel, waar de betrokken inrichtingen nu al intensief met elkaar samenwerken om de zorgcarrousel te realiseren, moet het mogelijk zijn om de overplaatsingen en depotinjecties in onderlinge samenspraak zodanig te plannen dat wordt voorzien in continue en effectieve zorg zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de rechtsbescherming van de patiënt. Zouden zich tijdelijke noodsituaties voordoen, dan kunnen zo nodig middelen en maatregelen (waaronder dwangmedicatie) worden ingezet op de voet van art. 39 Wet Pro Bopz.
binnende inrichting blijft de behandelaar die de beslissing tot dwangbehandeling nam (mede) verantwoordelijk voor de voortzetting van de dwangbehandeling en verandert ook niet de omgeving waarbinnen het interne gevaar moet worden getoetst. Bij die stand van zaken wordt de patiënt ook niet (wezenlijk) belemmerd in zijn mogelijkheden om over de dwangbehandeling te klagen: de beslissing tot dwangbehandeling en de feitelijke voortzetting daarvan zijn hier in één hand.
onderdeel 2mede klaagt over de beslissing van 19 oktober 2017 tot voortzetting van dwangbehandeling door middel van
separatie, faalt het, omdat daarover in de feitelijke instantie geen debat heeft plaatsgevonden. [45] Het onderdeel treft ook geen doel voor zover het klaagt dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de verklaring van de arts [betrokkene 6], ter zitting van 9 januari 2018, dat naar zijn inschatting op dat moment gevaar niet meer aan de orde was. Deze waarnemer heeft immers zelf verklaard onvoldoende op de hoogte te zijn van de actuele situatie van betrokkene, zoals de rechtbank overweegt aan het slot van rov. 3.5 en zoals ook blijkt uit het proces-verbaal van de zitting (blz. 2-3). Dat de rechtbank wél betekenis heeft toegekend aan de verklaring van [betrokkene 2] ter zitting van 16 januari 2018, is evenmin onbegrijpelijk. [betrokkene 2] was als geneesheer-directeur van De Kijvelanden (thans onderdeel van Fivoor) betrokken bij de totstandkoming en uitvoering van het ingezette behandeltraject en de regelmatige evaluatie daarvan (vgl. rov. 3.1, slot). De door het onderdeel opgeworpen vraag welke actuele informatie [betrokkene 2] over betrokkene had, behoefde de rechtbank zich niet te stellen, aangezien ter zitting van 16 januari 2018 ook de toenmalige behandelaar [betrokkene 5] aanwezig was, die blijkens het proces-verbaal en rov. 3.5 en 3.6 kon verklaren over de actuele toestand van betrokkene.
onderdeel 3klaagt over dwangbehandelingen door andere behandelaars dan [betrokkene 3] en in andere ziekenhuizen dan Bavo Europoort, faalt het, omdat daarover in eerste aanleg geen debat heeft plaatsgevonden. [46] Het onderdeel treft ook geen doel voor zover het erover klaagt dat de rechtbank in rov. 3.6, vierde alinea, meeweegt dat volgens de behandelaar Nandoe onderbreking van de medicatie zal leiden tot luxatie en een langere herstelperiode. Anders dan het onderdeel veronderstelt, staat deze overweging niet in de sleutel van het ‘externe’ gevaarscriterium van art. 38c lid 1, onder a, Wet Bopz. Het gaat hier blijkens de eerste volzin van rov. 3.6, vierde alinea, om een toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat het “gevaar zoals hiervoor omschreven” – dus het ‘interne’ gevaar in de zin van art. 38c lid 1, onder b, Wet Bopz (vgl. rov. 3.3 en 3.5) – ernstig genoeg is om dwangmedicatie in te zetten. Ter motivering verwijst de rechtbank naar de mogelijkheid van luxatie met een langduriger herstel tot gevolg. Kennelijk is de rechtbank van oordeel dat de dwangbehandeling gerechtvaardigd is om te voorkomen dat het gevaar dat betrokkene binnen de inrichting veroorzaakt verergert en langer voortduurt. Dat oordeel is – afgezien van hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt over de toelaatbaarheid van voortgezette dwangbehandeling binnen de zorgcarrousel – niet onjuist of onbegrijpelijk.