Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het arrest van het hof lijdt aan innerlijke tegenstrijdigheid, aangezien het hof de verdachte heeft vrijgesproken van het opzettelijk voordeel trekken uit de seksuele uitbuiting van de aangeefster, terwijl het tegelijkertijd heeft bewezen verklaard dat de aangeefster door de verdachte is bewogen (een deel van) haar verdiensten uit de prostitutie aan hem af te staan.
tweede middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde onvoldoende met redenen is omkleed.
derde middelbehelst de klacht dat het hof het bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als “mensenhandel, meermalen gepleegd”, althans ten onrechte geen voortgezette handeling heeft aangenomen tussen de bewezen verklaarde feiten.
vierde middelbehelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.