Conclusie
Overzicht
fair balancetussen te dienen algemeen belang en te beschermen individueel eigendomsrecht geschonden, tenzij er specifieke en dwingende redenen (
specific and compelling reasons) zijn voor die schending van gerechtvaardigde verwachtingen van niet-misbruikers en niet-slaatjes-uit-technische-fouten-slaanders). Niet gerechtvaardigd is de verwachting dat heffingstarieven ook in de toekomst ongewijzigd blijven, maar daar gaat het hier niet om. Het gaat om onvoorzienbaar materieel terugwerkende kracht, die in casu zit in het baseren van het gedifferentieerde premiepercentage voor latere jaren op gegevens uit niet-meer-beïnvloedbare jaren van vóór de invoering, én van vóór de aankondiging van die differentiatie. Als gevolg van één ziektegeval, van een persoon die al uit dienst was vóór de litigieuze wetgeving werd aangekondigd, is belanghebbendes ZW-lasten-premiecomponent bijna negen keer zo hoog geworden als onder het oude regime; onder het nieuwe regime is die component 7,5 keer zo hoog als zonder dat ene, vóór wetswijzigingsaankondiging al gedefungeerde ziekmeldingsgeval het geval zou zijn geweest. Deze verveelvoudiging komt in de buurt van hetgeen de staatssecretaris van SZW bij invoering jegens het parlement verklaarde dat
nietzou gebeuren: maximale premie als gevolg van slechts één ziektegeval.
M.A. a.o. v. Finland). Het terugwerkende effect van de regeling diende niet om misbruik te bestrijden, om vitiërende aankondigingseffecten te vermijden of om later blijkende wetgevingstechnische tekortkomingen te repareren die tot ongerechtvaardigde
windfall profitsleidden. De bepaling van het premiepercentage op basis van niet meer beïnvloedbare feiten van vóór de concrete aankondiging van het wetsvoorstel kwam niet voort uit vrees dat werkgevers hun gedrag zouden aanpassen. Integendeel: dat was juist de verklaarde bedoeling, die echter niet verwezenlijkt kon worden omdat het door de materieel terugwerkende kracht juist onmogelijk was om de met de regeling expliciet beoogde gedragsverandering tijdig in te zetten. De werkgevers die onvoorzienbaar en significant door deze terugwerking zijn getroffen, zoals de belanghebbende, zijn allen ‘
pure cases’in de zin van
M.A. a.o. v Finlanden allen ‘
in good faith’in de zin van
N.K.M., R.Sz.en
Gáll v Hungary.
merely budgetarywaren en geen verband hielden met nakoming van budgettaire EU-verplichtingen, anders dan de Crisisheffingszaken. De stelling van minister Kamp dat uitstel mensen de prikkels zou onthouden die juist tot zulke goede resultaten kunnen leiden, was manifest onjuist voor gevallen zoals dat van de belanghebbende, die immers onmogelijk nog – met terugwerkende kracht – kon worden geprikkeld tot enig ander gedrag als werkgever, nu zij al geen werkgever meer was van de ziekgemelde, en bleek overigens ook onjuist voor andere, wel voorziene, gevallen, aldus later onderzoek van het UWV. De stelling van de Staatssecretaris dat het niet om budgettaire redenen zou zijn gegaan, maar slechts om een andere verdeling, lijkt mij onverenigbaar met de verklaringen van minister Kamp in het parlement.
Practice Directionsvan het EHRM zijn echter, gezien art. 41 EVRM Pro, niet relevant. Het Nederlandse (constitutionele) recht (art. 94 grondwet Pro) is duidelijk: wettelijke voorschriften vinden geen toepassing als en voor zover die toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties zoals art. 1 Protocol Pro I EVRM. Het standpunt van de Staatssecretaris is onverenigbaar met die Grondwettelijke bepaling.
excessivelyverveelvoudigde. Het Hof heeft daartoe de opslag (0,7) op het landelijke rekenpercentage ZW-lasten (0,34) buiten toepassing gelaten die een gevolg is van het litigieuze ene ziekmeldingsgeval, waardoor belanghebbendes premiecomponent ZW-lasten gelijk is aan het landelijke rekenpercentage ad 0,34% van het loon; dat is aanzienlijk hoger dan haar sectorgemiddelde (0,12%) en ook aanzienlijk hoger dan wanneer het ene allesveroorzakende ziektegeval geheel veronachtzaamd zou worden (0,14%), maar aanzienlijk lager dan de onvoorzienbare verveelvoudiging tot 1,04 waartoe de wettelijke opslag zou leiden. Ik meen dat het Hof daarmee naar rechtskundige maatstaven de beste van de mogelijke buitentoepassinglatingen heeft gekozen en dat het voor het overige om een feitelijk nadeelschattingsoordeel gaat. Anders dan in HR
FED2018/110 [3] (onteigende SNS-aandelen in box 3) is het Hof niet naar enig eigen inzicht afgeweken van de wettelijke regels, maar heeft hij slechts de onrechtproducerende opslagregel buiten toepassing gelaten, zoals art. 94 Grondwet Pro voorschrijft. Als het Hof nadeel-schattend tot eenzelfde resultaat was gekomen, zou dat een niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd feitelijk oordeel zijn geweest.
niettot in uitvoeringsdetail door de formele wetgever is bepaald, maar door de regering of de minister, en dus door de rechter kan worden getoetst aan zowel de grenzen van die delegatie als ongeschreven algemene rechtsbeginselen.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
NJ1989, 469 (zie 8.3 hieronder) volgt dat het de rechter formele wetten niet aan ongeschreven fundamentele rechtsbeginselen kan toetsen en dat heeft volgens de Rechtbank ook te gelden voor lagere wetgeving zoals het Besluit Wfsv. Hij heeft voorts belanghebbendes beroep op art. 1 Eerste Pro Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Protocol I EVRM) afgewezen: de enkele omstandigheid dat de belanghebbende ten tijde van de indienstneming van de ex-werknemer niet kon voorzien dat diens latere ziekmelding van invloed kon zijn op de hoogte van de premiecomponent ZW-lasten, impliceert volgens de Rechtbank niet dat de premieberekening een zodanige inbreuk maakt op haar gerechtvaardigde verwachtingen dat die berekening art. 1 Protocol Pro I EVRM schendt. De regeling streeft een legitiem doel na (terugdringen van langdurige uitval van werknemers en bevordering van re-integratie) en de wetgever is daarbij volgens de Rechtbank binnen zijn ruime beoordelingsmarge gebleven.
NJ1989, 469 (zie 8.3 hieronder) overwogen dat de rechter een wet in formele zin niet kan toetsen aan ongeschreven fundamentele rechtsbeginselen of de redelijkheid en billijkheid. Anders dan de Rechtbank, achtte het Hof het Besluit Wfsv, dat geen formele wetgeving is, wel toetsbaar aan het ongeschreven rechtszekerheidsbeginsel, maar komt hij ‘niet toe’ aan toetsing aan dat beginsel:
In het onderhavige geval komt het Hof niet toe aan toetsing van het Besluit Wfsv aan het rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij acht het Hof het van belang dat alle elementen van de nieuwe regeling die ertoe leiden dat belanghebbende is onderworpen aan een heffing met materieel terugwerkende kracht, onderwerp hebben gevormd van de parlementaire behandeling van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters.
BNB2016/164 en heeft haar niet alleen in belanghebbendes geval, maar op regelniveau onverenigbaar geacht met het recht op ongestoord genot van eigendom:
lawfulis en een
legitimate aimheeft. In debat is ‘slechts’ of de regeling voldoet aan de eis van een
fair balancetussen de ermee gediende doelen van algemeen belang en de financiële nadelen die er voor individuele premieplichtigen, en met name belanghebbende, uit voortvloeien.
fair balancehet volgende overwogen:
fair balanceop regelniveau in het geding.”
NLF2017/2987 (ik laat voetnoten weg):
3.Het geding in cassatie
lawfulis en een legitiem doel van algemeen belang dient. In geschil is slechts de
fair balance. Hij benadrukt dat geen sprake is van formeel terugwerkende kracht, dat sinds 8 maart 2011 (zie 4.17) al werd gesproken over verdergaande individualisering van de ZW-premiecomponent en dat op 23 april 2012 daadwerkelijk het daartoe strekkende wetsvoorstel is ingediend. Van materieel terugwerkende kracht ter zake van de premieheffingsgrondslag (de loonsom van 2014) is volgens hem evenmin sprake. Premieplichtigen kunnen er in redelijkheid niet op vertrouwen dat de premie ongewijzigd blijft. De Staatssecretaris ziet in het per 2014 gewijzigde premiepercentage geen door art. 1 Protocol Pro I EVRM bestreken aspect van terugwerkende kracht. Zijns inziens gaat het slechts om het gebruikmaken van gegevens uit het verleden om de toekomst beter te kunnen voorspellen. Subsidiair betoogt de Staatssecretaris dat de eventuele terugwerkende kracht art. 1 Protocol Pro I niet schendt. Waar u uit lijkt te gaan van de regel dat terugwerkende kracht art. 1 Protocol Pro I schendt tenzij daar een rechtvaardiging voor is, leidt de Staatssecretaris uit het Crisisheffingsarresten van het EHRM (zie 5.8 hieronder) af dat terugwerkende kracht op zichzelf niet verboden is als daar specifieke en dwingende redenen voor zijn en dat de wetgever daarbij een ruime beoordelingsmarge wordt gelaten; het EHRM toets slechts of de keuze van de wetgever manifest onredelijk is. De Staatssecretaris merkt op dat ook onder het oude systeem het premiepercentage werd vastgesteld op basis van gegevens uit het jaar t-2, zij het die van de hele sector in plaats van die van de premieplichtige zelf. Twee jaar uitstel zou onvoldoende zijn geweest om gebruik van anterieure gegevens te vermijden, zo leidt de Staatssecretaris uit zijn in 3.2 weergegeven schema af. Daarvoor zou de wet pas na twaalf jaar hebben kunnen worden ingevoerd. ’s Hofs oordeel dat er (nagenoeg) uitsluitend budgettaire redenen waren om de maatregel zo snel mogelijk in te voeren, is zijns inziens een onjuiste interpretatie van de aangevoerde financiële redenen: doel van de financiële prikkel was gedragsverandering bij werkgevers en toepassing van de regel dat de vervuiler betaalt. Tijdens de parlementaire behandeling zijn de gevolgen van de invoering van de wet per 2014 voor individuele werknemers meer malen aan bod gekomen.
practice directionsvan het EHRM (zie 7.1 hieronder) af dat het EHRM er niet zonder meer vanuit gaat dat EVRM-strijdige bepalingen buiten toepassing worden gelaten, maar dat bepaald wordt of een schadevergoeding op haar plaats is en hoe groot die zou moeten zijn. Daarbij zijn alle feiten en omstandigheden van het geval van belang, waaronder de gedragingen van de betrokkenen. Het Hof heeft nagelaten die feiten en omstandigheden te beoordelen, kennelijk mede op basis van de volgens de Staatssecretaris onjuiste veronderstelling dat de belanghebbende er niet voor kon kiezen zelf het ziektewetrisico te dragen. [15] De Staatssecretaris speculeert over de redenen waarom de belanghebbende geen contractverlenging heeft aangeboden:
NJ1987, 251 (zie 8.2 hieronder) alleen mogelijk als het resultaat van toepassing zodanig willekeurig en onredelijk is dat het de wetgever in formele zin niet voor ogen kan hebben gestaan toen hij de delegatiebepaling in de wet opnam. Dat kan van het resultaat in casu niet worden gezegd.
verweerbenadrukt de belanghebbende dat de werknemer zich al ziek had gemeld vóórdat het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer was gestuurd. Hoewel al sinds 8 maart 2011 over verdergaande individualisering van de premiecomponent werd gesproken, kon voor de belanghebbende niet duidelijk zijn hoe en wanneer die individualisering concreet zou worden vormgegeven. De stelling van de Staatssecretaris dat gegevens uit het verleden worden gebruikt om de toekomst beter te kunnen voorspellen, vindt de belanghebbende appels met peren vergelijken. Het gaat haars inziens niet om een toekomstvoorspelling, maar om daadwerkelijke heffing. De belanghebbende herhaalt haar reeds voor de feitenrechters ingenomen standpunt dat het geschil ook over latere jaren dan 2014 gaat. Zij meent dat zij voor de buiten haar invloed mislukte re-integratie van de ex-werknemer gedurende twaalf jaren met “enorme financiële lasten wordt “afgestraft””. De onredelijke uitwerking van de regeling is volgens de belanghebbende door de Inspecteur tijdens de hoorzitting in bezwaar expliciet erkend en die erkenning staat volgens haar onbestreden vast.
De gedifferentieerde premie Werkhervattingskas (WHK) en de premiecomponent voor Ziektewetlasten (ZW-lasten)
NTFR2018/1100. [18] Ik beperk mij hierna tot de gedifferentieerde premie WHK voor grote werkgevers in de zin van de Wfsv omdat de belanghebbende een dergelijke grote werkgever is. [19] De premie WHK bestond in 2014 uit drie componenten: WGA [20] -vast, [21] WGA-flex [22] en ZW-lasten. [23] Belanghebbendes zaak gaat over de component ZW-lasten voor grote werkgevers.
NTFR2018/1100. als volgt in formule weergegeven:
5.Het recht op ongestoord genot van eigendom
lawfulis en dat zij een legitiem doel van algemeen belang dient.
lawfulness-toets ook beoordeelt of de gewraakte overheidsmaatregel ‘foreseeable’ is (hij toetst of de maatregel ‘sufficiently accessible, precise and foreseeable’ is). [61] Opmerkelijkerwijs impliceert terugwerkende kracht volgens het EHRM niet dat de inbreuk niet
foreseeableen dus niet
lawfulis. [62] Hij beoordeelt terugwerkende kracht (formeel of materieel maakt niet uit) van op zichzelf duidelijke wetgeving vooral in het kader van de
fair balance, i.e. de proportionaliteitstoets. De conclusie voor HR
BNB2016/163 (crisisheffing I) [63] vermeldt over de toetsing van terugwerkende kracht aan de
lawfulness-eis:
fair balance(ècht) beoordeelt (de beoordeling onder de
lawfulnesstest in de
N.K.M.-zaak en onder de
legitimate aimtest in
Joubertzijn kennelijk uitzonderingen), (ii) áls hij toetst onder
lawfulness, hij niet op die grond strijd met art. 1 Protocol Pro I aanneemt of de uiteindelijke beoordeling doorschuift naar de
fair balancetest, en (iii) blijkens de
R.Sz.-zaak het passeren van de test niet concludent is omdat daarna de proportionaliteitstest nog komt, ga ik ervan uit dat ook de terugwerkende kracht van de crisisheffing niet onder de
lawfulnesstest beoordeeld hoeft te worden, c.q. die test ongeschonden passeert als voldoende
lawful.”
lawfulness) voorzienbaar (zie ook HR
BNB2014/229 in 5.13). Dat de financiering van werknemers-verzekeringen – in casu die van de Werkhervattingskas – het algemeen belang dient, lijkt mij evident.
fair balancebestaat tussen het gediende algemene belang bij WHK-financiering en belanghebbendes individuele belang bij ongestoord genot van eigendom. In de conclusie voor HR
BNB2016/163 (crisisheffing I) heb ik de belangrijkste EHRM-jurisprudentie met betrekking tot terugwerkende kracht op heffingsgebied als volgt samengevat: [64]
N.K.M., R.Sz. en
Gáll v Hungary; zie 5.7 hieronder; PJW] hebben de geciteerde zaken gemeen dat de belastingplichtigen de heffing konden verwachten. Zij wisten tijdig waar zij aan toe waren of hadden beter moeten weten. Niet alleen met tijdig aangekondigde en begeleide wijzigingen moet de burger rekening houden (
Arnaud), hij kan ook verwachten dat de wetgever hem niet ongemoeid bestaande belastingen kunstmatig zal laten ontduiken (
A.B.C. and D.) of kunstmatig het temporele bereik van een al aangekondigde en dus voorzienbare wetswijziging zal laten frustreren (
M.A. a.o. v. Finland), noch hem zal laten profiteren van een op basis van de wet ongerechtvaardigde en uit de lucht vallende
windfall profitdoor een pas bij rechterlijke uitspraak blijkende technische lacune in bestaande wetgeving (
Building Societies). In al deze zaken over heffing met terugwerkende kracht kon de belastingbetaler op zijn vingers, op zijn klompen of aan zijn water weten dat de wet wel eens met formeel terugwerkende kracht zou kunnen worden gewijzigd uit antimisbruik- of reparatie-oogpunt.”
BNB2016/163 (crisisheffing I); zie 5.14 hieronder]. De zaak
M.A. a.o. v. Finland [65] betrof een op 16 september 1994 aangekondigde en voorgestelde wetswijziging per 1 januari 1995. Uitoefening van werknemersopties zou vanaf de laatst genoemde datum als loon (hoog tarief) in plaats van als vermogenswinst (laag tarief) belast gaan worden. Bedrijven pasten daarop snel hun
incentive programmesaan om vervroegde uitoefening (vóór 1 januari 1995) van dergelijke opties mogelijk te maken. De wet kreeg daarop alsnog formeel terugwerkende kracht naar 16 september 1994 om ook de na indiening maar vóór inwerkingtreding kunstmatig vervroegde optie-uitoefeningen als loon te kunnen belasten (de wet had ook materieel terugwerkende kracht omdat hij ook gold voor reeds langer bestaande optiecontacten). Op de klacht dat de terugwerkende kracht art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM schond, stelde het EHRM voorop dat art. 1 terugwerkende Pro kracht op zichzelf niet verbiedt. De materieel terugwerkende kracht viel volgens het Hof binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever:
real profitsging ter zake waarvan de klagers niet de gerechtvaardigde verwachting konden hebben dat het tarief tot in lengte van jaren ongewijzigd zou blijven, terwijl het toegepaste loontarief niet
confiscatoryof
excessivewas. Het EHRM ‘
did not exclude’ dat zijn oordeel anders zou zijn uitgevallen als de terugwerkende kracht ook niet-gemanipuleerde optie-uitoefeningen (‘
pure cases’) had getroffen; in dat geval zou terugwerkende belastingheffing naar een aanmerkelijk hoger tarief in strijd met art. 1 Protocol Pro I kunnen zijn. Omdat de klagers niet zulke
pure caseswaren, achtte het EHRM hun klachten niet-ontvankelijk:
N.K.M. [66] ,
R.Sz [67] en
Gáll [68] ging het om deels met terugwerkende kracht en progressief (tot 98%) belaste ontslagvergoedingen van ontslagen ambtenaren. Een
fair balanceontbreekt als de heffing gerechtvaardigde verwachtingen van de getroffenen schendt, tenzij daarvoor ‘
specific and compelling reasons’ bestaan: [69]
specific and compelling reaons. Hij overwoog in de zaken
P. Plaisier B.V., D.E.M. Management Services B.V. en Feyenoord Rotterdam N.V. v. Nederland: [70]
BNB2018/66:
specific and compelling reasonvoor de terugwerkende kracht, en (iii) dat ook een andere maatregel dan de crisisheffing genomen had kunnen worden, is niet relevant, want de keuze voor de maatregel valt binnen de beoordelingsvrijheid van de nationale wetgever.
specific and compelling reasons, dat het EHRM in deze zaak – in navolging van de Hoge Raad – wel ervan is uitgegaan dat de crisisheffing (gedeeltelijk) een inbreuk maakt op gerechtvaardigde verwachtingen. [71] Is dat vermoeden juist, dan is dit – als ik het goed overzie – de eerste zaak waarin belastingwetgeving met terugwerkende kracht aan de orde is, en waarin het EHRM geen schending van Protocol 1 EVRM aanwezig acht hoewel (deels) sprake is van een inbreuk op gerechtvaardigde verwachtingen. Bovendien lijkt er dan een spanning te zijn met jurisprudentie van het Hof van Justitie over de aanvaardbaarheid van terugwerkende kracht in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel; dat hof lijkt terugwerkende kracht alleen aanvaardbaar te vinden indien “dit voor een doel van algemeen belang noodzakelijk is en het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht wordt genomen”. [72]
BNB2016/163c* zoals gebruikelijk bij zijn toetsing aan het fair-balancevereiste eerst getoetst of op regelgevingsniveau de ‘fair balance’ is gerespecteerd bij de crisisheffing (r.o. 2.4.3-2.4.13), en daarna getoetst (het oordeel van het Hof met betrekking tot de kwestie) of in het individuele geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Eerder heb ik in mijn noten bij HR 17 maart 2017, nr. 15/04164,
FED2017/119 en HR 2 juni 2017, nr. 16/04765,
BNB2017/187 de aandacht erop gevestigd dat A-G Ettema de discussie heeft geopend of deze wijze van toetsing wel in lijn is met die van het EHRM. [73] Ik meen dat de onderhavige beslissing geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten biedt voor die discussie. Als er al iets op dit punt valt te zeggen, dan is dat naar mijn mening dat de wijze van toetsing van het EHRM in dit geval materieel gezien zeer dicht ligt bij de wijze van toetsing van de Hoge Raad. Immers, veruit de meeste aandacht van het EHRM gaat uit naar de algemene aspecten van de crisisheffing, bovendien veelal in de sleutel of de keuzes van de wetgever de fair-balancetoets kunnen doorstaan (vgl. r.o. 93 en 97), en de beoordeling van de individuele omstandigheden is in wezen beperkt tot een toets of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de klagers bijzonder hard zijn getroffen (r.o. 89-91). Dit laatste heeft verwantschap met het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven voor de individuele toets (bijv.
BNB2017/187c*, r.o. 2.4.5).”
BNB2016/163 (crisisheffing I); zie 5.14 hieronder]. HR
BNB2008/232 [74] betrof materieel terugwerkende kracht. Door het ontbreken van desbetreffend overgangsrecht bij de invoering van de Wet IB 2001 waarbij per 1 januari 2001 het begrip ‘eigen woning’ wijzigde, viel de blote eigendom van een woning (voor de toekomst) niet meer onder dat begrip en was de rente op een lening tot financiering van de woning niet langer aftrekbaar. De belanghebbende had in 1998 de blote eigendom van een woning aangekocht met een hypothecaire lening. Met het achterwege laten van eerbiedigend overgangsrecht ter zake had de wetgever volgens u de grenzen van de
wide margin of appreciationniet overschreden; van een individuele en buitensporige last bleek niet:
M.A. v. Finland; PJW] dient een verdragsstaat bij het treffen van een maatregel die leidt tot een ontneming van eigendom als bedoeld in artikel 1 Eerste Pro Protocol een 'fair balance' te treffen tussen de eisen van het algemeen belang en die van de bescherming van fundamentele rechten van het individu. Bij de beoordeling van de vraag of een staat aan dit vereiste heeft voldaan dient echter een 'wide margin of appreciation' aan die staat te worden toegekend, zeker indien het belastingmaatregelen betreft. Het Hof heeft in zijn uitspraak met juistheid tot uitdrukking gebracht dat, voor zover sprake is van een aantasting van eigendomsrechten als bedoeld in artikel 1 Eerste Pro Protocol, de wetgever in het onderhavige geval de grenzen van deze 'wide margin of appreciation' niet heeft overschreden. Uit hetgeen belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd kan voorts niet, zoals nodig is voor honorering van een beroep op artikel 1 Eerste Pro Protocol, worden afgeleid dat het ontbreken van een overgangsregeling bij de onderwerpelijke wetswijziging in zijn specifieke omstandigheden voor hem leidt tot een individuele en buitensporige last ('individual and excessive burden').”
BNB2009/238 [75] herhaalde dat art. 1 Protocol Pro I niet de verwachting beschermt dat de belastingwet niet wijzigt. De litigieuze wijziging van het aanmerkelijk-belangregime had materieel terugwerkende kracht omdat ook de waardestijging van aandelen in een turbovennootschap vanaf 1 januari 1997 werd belast die reeds voordien had plaatsgevonden. U overwoog:
M.A. a.o. v. Finland; PJW]. De in geding zijnde wettelijke regeling heeft voorts niet tot gevolg dat een onredelijke last op belanghebbende is gelegd. Belanghebbende bezat tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 70c, lid 2, van de Wet IB 1964 niet meer dan een verwachting dat een eventuele waardestijging van de aandelen in A BV belastingvrij zou kunnen worden geïncasseerd. Het doorkruisen van deze verwachting, gebaseerd op het ongewijzigd blijven van de wet, levert geen schending op van artikel 1 van Pro het Protocol (vgl. HR 1 april 2005, nr. 40 537, BNB 2005/227, alsmede de hiervoor vermelde beslissing van het EHRM).”
BNB2011/65 heeft u uitgelegd hoe u het ‘individuele buitensporige last'-criterium opvat. Volgens u moet de wettelijke inmenging zich sterker doen voelen dan in het algemeen: [76]
BNB2016/163 (crisisheffing I); zie 5.14 hieronder]. HR
BNB2014/229 [77] betrof de materieel terugwerkende kracht van de pseudo-eindheffing over excessieve vertrekvergoedingen. Op 1 januari 2009 trad artikel 32bbart. 32bb Wet LB 1964 in werking. Het wetsvoorstel daartoe was op 13 mei 2008 ingediend. Het belastbare feit (het heffingsaangrijpingspunt; het
triggeringrechtsfeit) voor die heffing is de beëindiging van de dienstbetrekking. Alleen vergoedingen bij vertrek ná de datum van inwerkingtreding van de wet werden getroffen. HR
BNB2014/229 betrof een vertrek per 1 oktober 2009. Het boven-matige deel van de vergoeding werd echter berekend door het loon in het vertrekjaar (2009) én het loon in het voorafgaande jaar (2008) te vergelijken met het toetsloon (het loon in het dááraan voorafgaande jaar (2007)) als dat toetsloon hoger was dan € 508.500 (de regeling gold niet als het loon 2007 lager dan € 508.500 was). Voor zover het loon in 2008 en 2009 meer bedroeg dan het loon 2007, werd het geacht bovenmatig onderdeel te zijn van de vertrekvergoeding 2009. Daarover moest de werkgever pseudo-eindheffing (30%) betalen voor zover die vertrekvergoeding hoger was dan het loon 2007. In de zaak HR
BNB2014/229 was aan de in 2009 vertrekkende CEO toegekend (i) in 2009 een vertrekvergoeding ad € 1,35 mio en (ii) in 2008 een voordeel in aandelen ad circa € 1,8 mio, het laatste vóór inwerkingtreding van artikel 32bbart. 32bb Wet LB 1964 en vóórdat het wetsvoorstel daartoe was aangekondigd. U achtte deze materieel terugwerkende kracht aanvaardbaar onder art. 1 Protocol Pro I EVRM omdat de heffing voldoende voorzienbaar was, omdat zonder inaanmerkingneming van het loon in 2008 heffingsfrustrerende aankondigingseffecten niet konden worden voorkomen en omdat aan de toekenning van het aandelenvoordeel in 2008 slechts gevolgen werden verbonden voor de berekening van een belastingschuld in 2009 (hetgeen suggereert dat u meende dat het 2008-voordeel zelf niet in de heffing werd betrokken):
BNB2016/163 [78] betrof de – als eenmalig aangekondigde – pseudo-eindheffing hoge lonen (de crisisheffing). Voor de loonheffing over maart 2013 werd het loon in aanmerking genomen dat door werknemers was genoten in 2012 voor zover dat meer bedroeg dan € 150.000. De heffing over dat meerdere bedroeg 16%. De heffing werd pas aangekondigd op 25 mei 2012. U achtte haar niet in strijd is met art. 1 Protocol Pro I EVRM (zie voor de beoordeling door het EHRM onderdeel 5.8 hierboven):
BNB2016/164 [79] achtte u de verlenging van de crisisheffing in maart 2014 evenmin in strijd met art. 1 Protocol Pro I, ondanks de verklaring van regeringswege dat zij eenmalig zou zijn:
BNB2018/126 [80] betrof een ondernemer die eind 2002 over onverrekende verliezen ad € 135.524 beschikte. Die verliezen waren volgens de wet zoals hij luidde toen die verliezen ontstonden en toen zij werden vastgesteld onbeperkt voorwaarts verrekenbaar. Bij wetswijziging per 1 januari 2007 werd voorwaartse verliesverrekening beperkt tot negen jaar. U achtte deze beperking niet in strijd met art. 1 Protocol Pro I EVRM; dat de belanghebbende over een andersluidende onherroepelijke verliesverrekeningsbeschikking beschikte, deed daaraan volgens u niet af:
6.Middel 1: geen, c.q. gerechtvaardigde terugwerkende kracht
nietvoorzienbaar of beïnvloedbaar was in 2011 of begin 2012. De vergelijking met een bonus/malusregeling van een autoverzekering snijdt dus geen hout, nog daargelaten dat zo’n regeling met treden werkt die verre blijft van het extreme premie-effect dat zich bij de belanghebbende voordoet. Premiebepaling op basis van het aantal regendagen in reeds verstreken jaren waarin nog niet bekend kon zijn
datde premie op die basis bepaald zou gaan worden (zoals in belanghebbendes geval) is evenmin voorzienbaar: het is onmogelijk om daarop beleid of gedrag af te stemmen, zoals uitdrukkelijk wél de bedoeling van de litigieuze regeling is. Ik merk overigens op dat als het aantal regendagen in verstreken jaren premiebepalend is, de regeling hoe dan ook absoluut ongeschikt is om gedrag te beïnvloeden, nu het aantal regendagen niet valt te beïnvloeden, zeker niet me terugwerkende kracht.
BNB2016/163 (Crisisheffing I):
N.K.M. v. Hungary, R.Sz. v. Hungaryen
Gáll v. Hungary(…), blijkt overigens, net als uit de zaak
Arnaud, dat voor de vraag of belastingheffing onvoorzienbaar terugwerkt, niet het nationale recht of de nationale benoeming (formeel of materieel) beslissend is. Beslissend is of een onvoorzienbare terugwerking de
fair balancetussen privaat en publiek belang schendt doordat ‘those who act in good faith on the basis of law [are] frustrated in their statute-based expectations without specific and compelling reasons’. (…).”
fair balancegeschonden (zie de zaken
N.K.M., R.Szen
Gáll v Hungaryin 5.7 hierboven en HR
BNB2016/163 in 5.14 hierboven). Dat is slechts anders als er specifieke en dwingende redenen (
specific and compelling reasons) zijn voor de schending van gerechtvaardigde verwachtingen van te goeder trouw handelenden (i.e. niet-misbruikers en niet-slaatjes-uit-technische-fouten-slaanders). Niet gerechtvaardigd is de verwachting dat heffingstarieven ook in de toekomst ongewijzigd blijven (zie onder meer
M.A. a.o. v. Finland,;5.6 hierboven).
nietzou gebeuren: maximale premie wegens slechts één ziektegeval. De vraag is of een in 2011/2012 onvoorzienbare opslag van 0,7 procentpunt ten opzichte van het landelijke rekenpercentage c.q. een opslag van 0,92 procentpunt ten opzichte van het sectorpercentage in belanghebbendes omstandigheden van elke redelijke grond ontbloot is of een
individual and excessive burdenoplevert. Of onvoorzienbaar temporeel terugwerkende heffing in strijd is met art. 1 Protocol Pro I hangt af van (i) de reden voor de terugwerkende kracht en (ii) het effect ervan op de positie van de belanghebbenden (zie
M.A. a.o. v. Finlandin 5.6).
Huitson v UK,
M.A. a.o. v Finlanden
Building Societies v UK(zie 5.5, 5.6 en 5.8) had het terugwerkende effect van de litigieuze regeling niet tot doel misbruik te bestrijden, vitiërende aankondigingseffecten te voorkomen of achteraf blijkende wetgevings-technische tekortkomingen te repareren die tot ongerechtvaardigde
windfall profitsleidden. De bepaling van het premiepercentage op basis van niet meer beïnvloedbare feiten van vóór de concrete aankondiging van het wetsvoorstel kwam niet voort uit vrees dat werkgevers hun gedrag zouden aanpassen. Integendeel: dat was juist de verklaarde bedoeling, die echter niet verwezenlijkt kon worden omdat het voor de betrokken werkgevers door de materieel terugwerkende kracht juist onmogelijk was om de met de regeling expliciet beoogde gedragsverandering tijdig in het zetten. De werkgevers die onvoorzienbaar en significant door deze terugwerking zijn getroffen, zoals de belanghebbende, zijn allen ‘
pure cases’in de zin van
M.A. a.o. v Finlanden allen ‘
in good faith’in de zin van
N.K.M., R.Sz.en
Gáll v Hungary.
BNB2014/229 (zie 5.13) was voor u van belang dat als de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoedingen niet zou kunnen worden toegepast mede op basis van de hoogte van het loon genoten vóór aankondiging c.q. inwerkingtreding van de regeling, de regeling na inwerkingtreding nog geruime tijd niet of slechts beperkt effect zou kunnen hebben.
merely budgetarywaren en geen verband hielden met het nakomen van budgettaire EU-verplichtingen, anders dan – volgens het EHRM – de crisisheffing in de zalen
P. Plaisier B.V., D.E.M. Management Services B.V.en
Feyenoord Rotterdam N.V. v. Netherlands(r.o. 88; zie 5.8 hierboven). De stelling van Minister Kamp dat uitstel er voor zou zorgen dat de wetgever mensen de prikkels zou onthouden die juist tot zulke goede resultaten kunnen leiden, was manifest onjuist voor gevallen zoals dat van de belanghebbende, die immers onmogelijk nog – met terugwerkende kracht – kon worden geprikkeld tot enig ander gedrag als werkgever, nu zij al geen werkgever meer was, en bleek overigens vervolgens eveneens onjuist voor andere, wel voorziene, gevallen, aldus het in 4.28 genoemde onderzoek van het UWV.
M.A. a.o. v. Finlandoverwoog het EHRM dat het tarief van de salarisheffing niet confiscatoir was, dat geen buitensporige last op de optiehouders werd gelegd en dat over echte vermogenswinsten werd geheven. Zoals in 4.4 bleek, zijn de premiecomponenten gemaximeerd. Een plafond ad 1,24% van het loon voor de premiecomponent ZW-lasten lijkt mij op zichzelf niet van redelijke grond ontbloot. De regeling pakt positief uit voor grote werkgevers aan wie geen ZW-lasten zijn toe te rekenen in een sector die het slechter doet dan het landelijk gemiddelde. De individualisering kan voordelen en nadelen brengen, net zoals de bonus/malusregeling bij een gewone autoschadeverzekering.
manifestly unreasonable).
BNB2011/65 in onderdeel 5.12) dan bij werkgevers die (i) ‘klein’ of ‘middelgroot’ zijn (bij wie dit disproportionele effect zich niet kan voordoen omdat hun premie niet aldus is gedifferentieerd), of (ii) eveneens ‘groot’ zijn, maar geen persoon met hoog uitvalrisico na een UWV-proeftijd op een jaarcontract in dienst hebben genomen op een moment waarop niet te voorzien viel dat deze ziek uit dienst zou gaan op een moment waarop niet te voorzien zou zijn dat er nadien wetgeving zou worden voorgesteld die tot maximaal twaalf jaar lang hun WHK-premiecomponenten disproportioneel zou kunnen blijven verhogen. Niet ter zake doet mijns inziens dat de belanghebbende heeft verklaard de disproportionele last te kunnen dragen (zie r.o. 5.8.2 van de Hofuitspraak in 2.7).
7.Middel 2: onjuist rechtsherstel
Practice Directions [83] van het EHRM af dat het EHRM niet zonder meer uitgaat van het buiten toepassing laten van met het EVRM strijdige nationale bepalingen, maar onderzoekt of schadevergoeding op haar plaats is en zo ja, voor welk bedrag.
windfall profitvoor de belanghebbende. De Staatssecretaris bepleit, ten slotte, handhaving van de premiebeschikking en los daarvan schadevergoeding op basis van art. 8:88 Awb Pro (“Ik acht dit een juistere oplossing dan het zonder meer buiten toepassing laten van een bepaling”). Ik meen echter dat die benadering onverenigbaar is met de duidelijke tekst van de Grondwet, die eist dat de wet ‘buiten toepassing’ wordt gelaten voor zover onverenigbaar met art. 1 Protocol Pro I EVRM.
excessivelyverveelvoudigde.
FED2018/110 [84] (onteigende SNS-aandelen in box 3) dat de feitenrechter weliswaar niet in afwijking van de artt. 5.2 en 5.3 Wet IB 2001 zelf een tijdevenredigheidsregel kon stellen voor de bepaling van het box 3-inkomen van de onteigende, maar dat als het Hof nadeel-schattend tot een zelfde vermindering van het belastbare inkomen zou zijn gekomen, die vermindering niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zou zijn geweest:
8.Middel (iii): toetsing aan ongeschreven rechtsbeginselen
AB2015/16 (alcoholslot) [88] overwoog de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State:
nietvoorziene onevenredige gevolgen zoals in haar geval, gegeven dat bij de parlementaire behandeling geen casus of cijfervoorbeelden aan de orde zijn gekomen, met name niet zo’n extreem geval als dat van de belanghebbende.
niettot in uitvoeringsdetail door de formele wetgever is bepaald, maar door de regering of de minister, en dus door de rechter getoetst kan worden aan zowel de grenzen van de delegatie als ongeschreven algemene rechtsbeginselen.