ECLI:NL:PHR:2019:1043
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hernieuwd beklag tegen beslag wegens termijnoverschrijding bij witwasverdachte
In deze zaak werd op 13 november 2015 een geldbedrag van €11.700,- in beslag genomen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen tegen klager en een medeverdachte. Klager stelde eigenaar te zijn van het geld en diende op 29 maart 2016 een klaagschrift in tegen het beslag, dat op 6 december 2016 ongegrond werd verklaard. Op 6 juni 2018 diende klager een hernieuwd klaagschrift in, nadat de zaak tegen hem op 22 mei 2018 was geseponeerd.
De rechtbank verklaarde klager niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de in artikel 552a lid 4 Sv gestelde termijn van twee jaar na inbeslagneming. Klager stelde dat artikel 552a lid 3 Sv van toepassing was omdat de zaak pas in mei 2018 was geëindigd met een sepotbeslissing. De Hoge Raad stelde vast dat de zaak zonder rechterlijke betrokkenheid was geseponeerd en dat ook de medeverdachte niet was vervolgd, zodat lid 4 van toepassing is.
De Hoge Raad bevestigde dat in een zaak met meerdere verdachten de termijn pas begint te lopen nadat alle vervolgingen zijn geëindigd. Omdat beide verdachten niet vervolgd werden, was de termijn van twee jaar na inbeslagneming van toepassing. Klager had het hernieuwde klaagschrift ruim een halfjaar te laat ingediend. De Hoge Raad benadrukte dat ondanks het ontbreken van een ontvankelijke klacht het openbaar ministerie het beslag moet opheffen indien het belang van de strafvordering dit toelaat.
Het beroep van klager werd verworpen. De conclusie bevat tevens verwijzingen naar eerdere jurisprudentie en benadrukt de problematiek voor beslagene door de strikte termijnregeling.
Uitkomst: Het beroep van klager wordt verworpen omdat het hernieuwde klaagschrift niet tijdig is ingediend binnen de wettelijke termijn van twee jaar na inbeslagneming.