Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
“medeplegen van poging tot doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met aftrek van voorarrest. Tevens heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van enkele inbeslaggenomen voorwerpen en heeft het hof de bewaring van een tweetal voorwerpen gelast ten behoeve van de rechthebbende. Tot slot heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.
eerste middelklaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer.
een zwarte portemonnee met inhoud (ongeveer 1.700,-- euro) en
een hoeveelheid (gouden en/of zilveren) sieraden en
een horloge (merk Seiko) en -drie (3) I-phone’s en
een portemonnee (met inhoud, te weten een ID-kaart en diverse andere passen) en
een (kleine) zwarte tas met inhoud te weten een huissleutel en
een sleutelhanger en
een dasspeld en –munt
een mes aan die [slachtoffer 1] heeft getoond/voorgehouden en
tegen die [slachtoffer 1] op dreigende toon heeft gezegd dat hij op de grond moest gaan liggen en bovenop die [slachtoffer 1] is gaan zitten en
de polsen en de mond van die [slachtoffer 1] heeft (vast) getaped en
tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (op dreigende/intimiderende toon) heeft/hebben geroepen/geschreeuwd (zakelijk weergegeven): “money, money” en
een mes, op de keel van die [slachtoffer 2] heeft gezet (gehouden) en die [slachtoffer 2] een mes heeft getoond/voorgehouden en
onverhoeds het minderjarig kind van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] (te weten [slachtoffer 3] , geboren [geboortedatum] 2012) uit een stoel heeft opgepakt en het kind van de [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in een andere kamer heeft neergezet en
de armen van die [slachtoffer 2] (op de rug) heeft vast getaped en de mond van die [slachtoffer 2] heeft dicht getaped en (aan) die [slachtoffer 2] heeft getrokken en
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 1] van [verbalisant] , hoofdagent, als opgenomen in het door haar op 16 juni 2016 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal met nummer 160616.1230 O.WestW73, pagina’s 188- 199, voor zover van belang inhoudende:
‘Voorwaardelijk opzet op de dood’het volgende overwogen:
tweede middelklaagt over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . In het bijzonder klaagt het middel over ’s hofs oordeel dat de verdachte is gehouden tot vergoeding van de gevorderde materiële schade ter zake van verhuiskosten op de grond dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het primair bewezenverklaarde feit.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
rechtstreeksindien er voldoende verband bestaat tussen enerzijds het bewezenverklaarde feit en anderzijds de schade. Voor de beantwoording van de vraag of voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen en de door de benadeelde partij geleden schade, zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Uit de door de Hoge Raad aangehaalde jurisprudentie kan worden afgeleid dat de voorwaarde van ‘voldoende verband’ niet al te strikt wordt uitgelegd. In dit verband wil ik graag nog twee zaken noemen die zich enigszins doen vergelijken met de onderhavige zaak. In HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR1999:ZD1533, oordeelde de Hoge Raad dat de door de benadeelde partij gemaakte inschrijvingskosten voor een woning om “uit de buurt” van de wegens mishandeling veroordeelde verdachte te komen, kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade. In HR 3 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9639 (niet gepubliceerd), was de benadeelde partij het slachtoffer van de door de verdachte geuite bedreiging “morgen moet je uit je huis zijn, ik maak je af als je terug komt”. De benadeelde partij had vervolgens een urgentieverklaring aangevraagd teneinde een andere woning te verkrijgen en is kort daarop ook daadwerkelijk verhuisd. Volgens mijn voormalig ambtgenoot Machielse gaf het kennelijke oordeel van het hof dat de bewezenverklaarde bedreiging en de kort daarop gevolgde verhuizing van de benadeelde partij in zodanig nauw verband met elkaar staan dat de door de verdachte gepleegde bedreiging rechtstreeks de door de benadeelde partij geleden schade heeft veroorzaakt, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was dit oordeel evenmin onbegrijpelijk. [6] De Hoge Raad deed de zaak af met toepassing van artikel 81, eerste lid, RO.
derde middelbevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.