Conclusie
2.Bespreking van de prejudiciële vragen
eerste prejudiciële vraagwenst het hof te vernemen of het juist is dat indien de Nederlandse gehuwde man zijn gewone verblijfplaats heeft in het land waar hij het kind op regelmatige wijze heeft erkend, deze erkenning naar het internationaal privaatrecht van Curaçao zonder meer kan worden erkend en tot het Nederlanderschap leidt.
eerste vraagvan het hof dient derhalve ontkennend te worden beantwoord. De erkenning van de door de gehuwde Nederlandse man verrichte erkenning van een kind in het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, kan niet ‘zonder meer’ naar het internationaal privaatrecht van Curaçao worden erkend en tot het Nederlanderschap leiden. Art. 10:101 BW Pro is van overeenkomstige toepassing. De vraag of sprake is van strijd met de openbare orde in de zin van art. 10:101 lid 2 BW Pro hangt af van de rechtsorde van het land waar de erkenning van de familierechtelijke betrekking wordt verzocht, dus in dit geval Curaçao.
tweede vraagwenst het hof te vernemen of in het geval dat de erkenning van een kind heeft plaatsgevonden vóór 15 januari 2001 (tijdstip van het vervallen van het wettelijk verbod van erkenning door de gehuwde man in de voormalige Nederlandse Antillen) dan wel vóór 1 januari 2002 (het tijdstip van het vervallen van dat verbod in Aruba), het wettelijke erkenningsverbod in een concreet geval buiten toepassing moet blijven wegens strijd met art. 8 EVRM Pro, en of dit dan leidt tot het Nederlanderschap.
derde vraaggesteld of het juist is dat bezit van staat en bekrachtiging niet tot het Nederlanderschap kunnen leiden.
vierde vraagwenst het hof te vernemen of het juist is dat verzoekers door de Dominicaanse wettiging in 1987 zelfstandig het Nederlanderschap hebben verkregen op de dag van de wettiging.
vijfde vraagvalt uiteen in twee vragen, waarvan de eerste betrekking heeft op het burgerschap van de Europese Unie (art. 20 Verdrag Pro betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)) en de tweede vraag op de eventuele analogische toepassing van art. 14 lid Pro 1, tweede zin, RWN. Beide vragen zijn gesteld onder de voorwaarde dat verzoekers in de onderhavige zaak niet door wettiging of anderszins het Nederlanderschap kunnen verkrijgen. Uit het voorgaande blijkt dat in ieder geval de mogelijkheid van verkrijging van het Nederlanderschap door wettiging voor verzoekers open lijkt te staan. Reeds om die reden behoeft de vijfde prejudiciële vraag geen beantwoording. [24] Het hof heeft echter aandacht gevraagd voor andere bij het hof aanhangige zaken, waarin soortgelijke problematiek speelt. Het hof meent dat indien het antwoord op de vijfde vraag bevestigend moet worden beantwoord en het in strijd is met algemene beginselen van Unierecht dat autoriteiten die twaalf jaar of langer ervan zijn uitgegaan dat betrokkene het Nederlanderschap bezit, daarvan terugkomen, deze bij het hof aanhangige zaken eenvoudig kunnen worden afgedaan.
Tjebbes, waarnaar de verwijzingsbeschikking verwijst, had betrekking op de situatie dat iemand de Nederlandse nationaliteit na verloop van een bepaalde tijd van rechtswege verliest (art. 15 lid Pro 1, onder c, RWN). [25] Uit het arrest van het HvJEU blijkt, kort weergegeven, dat een verlies van rechtswege van de nationaliteit van een lidstaat raakt aan (onder meer) het Europees burgerschap van art. 20 VWEU Pro, wat betekent dat de lidstaten in zo’n geval bepaalde procedurele waarborgen moeten bieden. In de onderhavige zaak gaat het echter niet om (de rechtmatigheid van) verlies van het Nederlanderschap, maar om de verkrijging ervan. Verzoekers hebben de Nederlandse nationaliteit immers niet verloren, maar hebben te horen gekregen dat zij (volgens de IND) nooit in het bezit zijn geweest van deze nationaliteit, terwijl zij daar al die tijd wel op vertrouwden. In de vijfde vraag ligt kennelijk besloten dat dit vertrouwen een wijze van verkrijging voor het Nederlanderschap zou kunnen zijn. Dit is echter een geheel andere situatie dan in het
Tjebbes-arrest aan de orde was. In het
Tjebbes-arrest is niet te lezen dat in situaties als de onderhavige een verkrijging van rechtswege van de nationaliteit van de lidstaat zou kunnen optreden. De wijzen waarop het Nederlanderschap kan worden verkregen, zijn limitatief in de RWN opgenomen en daaronder is niet begrepen de werking van enig beginsel van algemeen bestuur (zoals het vertrouwensbeginsel) of het feit dat (abusievelijk) een Nederlands paspoort is verstrekt. [26]