Conclusie
Ludinga) en verweerster in cassatie (hierna:
de gemeente) over de uitleg van artikel 6 van Pro de tussen Ludinga en de gemeente gesloten samenwerkingsovereenkomst inzake de ontwikkeling en realisatie van het plangebied ‘Ludinga’ te Harlingen. Ludinga heeft zich in eerste aanleg en hoger beroep op het standpunt gesteld dat de bedoeling van partijen met artikel 6 was Pro dat woningbouw in de gemeente Harlingen exclusief zou plaatsvinden in het plangebied Ludinga en nergens anders. Het hof heeft, net als de rechtbank, artikel 6 aldus Pro uitgelegd dat - anders dan Ludinga betoogt - de gemeente zich met artikel 6 niet Pro jegens Ludinga heeft verbonden om woningbouw binnen de gemeente (dan wel alleen de stad) Harlingen in planologisch opzicht uitsluitend in het plangebied Ludinga mogelijk te maken. Het bekrachtigt de door de rechtbank gegeven verklaring voor recht dat artikel 6 van Pro de samenwerkingsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd dat het uitsluitend betrekking heeft op uitbreidingsplannen in de stad Harlingen (en niet tevens op inbreidingsplannen). In cassatie richten de klachten zich tegen de door het hof in zijn arrest aan artikel 6 gegeven Pro uitleg en tegen het passeren van het bewijsaanbod dat Ludinga in hoger beroep heeft gedaan met betrekking tot (onder meer) de uitleg van artikel 6. [1]
1.Feiten en procesverloop
het woonplan Ludinga).
[betrokkene 1]), werkzaam bij GCM Advies, en [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]), directeur van Ludinga.
[betrokkene 3]) en [betrokkene 4] (hierna:
[betrokkene 4]). Deze besprekingen hebben ertoe geleid dat op 10 december 2001 een eerste concept is opgesteld van een samenwerkingsovereenkomst.
het college) van 19 februari 2003 heeft [betrokkene 4] het volgende aangegeven:
[betrokkene 5]) en de wethouders [betrokkene 6] en [betrokkene 7] enerzijds, bijgestaan door [betrokkene 3] en [betrokkene 4], en [betrokkene 2] en [betrokkene 1] anderzijds. In het verslag van dit overleg (met kenmerk: 2001.04.V.20) [5] is het volgende aangegeven:
Artikel 6de zin "
gemeente zal met de middelen die haar ter beschikking staan, voorkomen dat er strijdigheden c.q. markttechnische conflicten ontstaan tussen de ontwikkeling van Ludinga en eventuele andere ontwikkelingen binnen de grenzen van de gemeente" komt in zijn geheel te vervallen. (....).
de side-letter) heeft de gemeente Ludinga het volgende meegedeeld:
Achtergrond
Ludinga Vastgoed B.V.
Gemeente
Bepalingen
[betrokkene 8]), wethouder [betrokkene 7], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] voor de gemeente enerzijds en [betrokkene 2] en mr. Sleijfer voor Ludinga anderzijds. Van dit overleg zijn notulen [9] gemaakt die door [betrokkene 8] en [betrokkene 2] op 18 oktober 2006 voor akkoord zijn ondertekend. In deze notulen is onder meer aangegeven:
9. Versnelde ontwikkeling (vervolg)fase Ludinga een en ander in relatie tot andere planontwikkeling
Woonplan Ludinga
Opvaart zuidpunt en aansluitende deel
Openstaande nota, verlijden transportakten etc.
Bouwvolumes
Planschadepost
Driehoek nabij De Batting
Koop-en pachtrecht Kingma
Uitleg van de passage
Qua contingentering zal de gemeente in haar beleid aansluiten op de ontwikkeling van Ludinga, zij zal met de middelen die haar ter beschikking staan, voorkomen dat er strijdigheden c.q. markttechnische conflicten ontstaan tussen de ontwikkeling van Ludinga en eventuele andere ontwikkelingen binnen de grenzen van de gemeente Harlingen.” uit twee afzonderlijke onderwerpen bestaat. Enerzijds ziet deze zin op de (destijds geldende, door de provincie en gemeenten gehanteerde) contingenteringsregeling voor woningbouw en anderzijds heeft deze zin betrekking op het voorkomen van met het plan Ludinga strijdige ontwikkelingen. Beide aspecten beogen concurrerende ontwikkelingen tegen te gaan, maar er bestaat geen onlosmakelijk verband tussen. De gemeente dient beide verplichtingen na te komen, hetgeen zij - aldus nog steeds Ludinga Vastgoed - ten aanzien van de contingentering ook heeft gedaan, maar ten aanzien van het andere aspect niet. De gemeente heeft betwist dat de hiervoor bedoelde zin twee afzonderlijke afspraken behelst. Volgens de gemeente ging het ten tijde van de contractsonderhandelingen uitsluitend om het toekennen van contingenten aan Ludinga Vastgoed. Destijds gold zowel voor in- als uitbreiding een contingenteringsregeling. Voor het plan was een groot aantal contingenten nodig en de gemeente heeft zich daarom verbonden tot het toewijzen van vele contingenten aan Ludinga Vastgoed. De afspraak zoals die in 2004 in de overeenkomst is neergelegd blijkt ook uit de omstandigheid dat in artikel 6 een Pro regeling is opgenomen over een evaluatie van (onder meer) de woningbouwproductie en over een uitwisseling van contingenten indien uit de evaluatie zou blijken dat de woningbouwproductie in het plan Ludinga niet voorziet in het beoogde aantal woningen. Daarnaast blijkt uit de aanvullend gemaakte afspraak inzake de zuidoostelijke ontwikkeling van het plan Ludinga dat de gemeente (alleen) aan die ontwikkeling op exclusiviteitsbasis wil meewerken. Deze specifieke afspraak vormt - aldus nog steeds de gemeente - ook een aanwijzing voor het feit dat partijen met artikel 6 niet Pro hebben beoogd om een algehele exclusiviteit voor het plan Ludinga overeen te komen.
"(...), zij zal met de middelen (...)" terug op de zinsnede die begint met "
Qua contingentering (...)". De overige inhoud van artikel 6 bevestigt Pro de juistheid van deze (taalkundige) uitleg, nu hierin een regeling over een (minimaal) tweejaarlijkse gezamenlijke evaluatie van de woningbouwproductie is opgenomen, die ertoe kan leiden dat een uitwisseling van contingenten naar andere locaties in beeld kan komen. Zoals hiervoor reeds overwogen kunnen de overige omstandigheden van het geval evenwel meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bewoordingen van de overeenkomst moet worden gehecht.
principaal hoger beroepgrief 3 (deels) en grief 4 slagen, terwijl de overige grieven falen, en dat in het
incidenteel hoger beroepgrief I faalt en grief II slaagt, terwijl de vermeerderde eis in reconventie zal worden toegewezen (rov. 5.1).
grief 1betoogt Ludinga Vastgoed dat de rechtbank in haar tussenvonnis van 10 juni 2015 een onjuiste uitleg heeft gegeven van artikel 6 van Pro de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen van 8 oktober 2004. Een juiste uitleg van deze bepaling houdt volgens Ludinga Vastgoed in dat daaronder niet alleen uitbreidingsplannen van de gemeente worden begrepen, maar ook inbreidingsplannen. De betreffende passage bevat twee onderdelen: de contingentering en daarnaast de verplichting voor de gemeente om te voorkomen dat zich binnen de stadsgrenzen bouwontwikkelingen voordoen die concurreren met woonplan Ludinga. Alleen als het aan Ludinga Vastgoed toegewezen contingent door Ludinga Vastgoed niet wordt gerealiseerd, kan dat aan een ander project worden toegewezen, aldus Ludinga Vastgoed. Ludinga Vastgoed had deze bescherming ook nodig, omdat zij grote financiële risico’s liep met woonplan Ludinga. De door de rechtbank genoemde “side-letter” van 6 september 2004 (zie hiervoor onder de feiten overweging 2.15 [33] ) maakt dat niet anders, nu de in die brief bedoelde woningbouwplannen geheel los staan van woonplan Ludinga.
Grief 2richt zich op de betekenis van het verslag van een overleg tussen de gemeente en Ludinga Vastgoed van 30 augustus 2006 waarin wordt vermeld dat burgemeester [betrokkene 8] opmerkt dat artikel 6 alleen Pro op uitbreidingen en niet op inbreidingen ziet. Ludinga Vastgoed heeft dat verslag wel ondertekend, maar dat betekent slechts dat zij daarmee bevestigde dat de burgemeester dit heeft gezegd en niet dat zij deze uitleg van artikel 6 onderschreef Pro. (…)
grieven 1 en 2 in het principaal hoger beroepen in de daarop door Ludinga Vastgoed gegeven toelichting ten aanzien van de uitleg van artikel 6 in Pro essentie evenmin andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank in haar tussenvonnis van 10 juni 2015 gemotiveerd zijn verworpen. Het hof is van oordeel dat de rechtbank in rechtsoverweging 4.5.1 van het bestreden vonnis van 10 juni 2015 van het juiste criterium is uitgegaan. De rechtbank verwijst daarbij onder meer naar het arrest van de Hoge Raad van 5 april 2013 in de zaak Lundiform - Mexx (ECLI:NL:HR:2013:BY8108), waarin de Hoge Raad met betrekking tot de wijze van uitleggen van een overeenkomst onder meer het volgende heeft bepaald:
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Lundiform/Mexx [34] :
Qua contingentering zal de gemeente in haar beleid aansluiten op de ontwikkeling van Ludinga, zij zal met de middelen die haar ter beschikking staan, voorkomen dat er strijdigheden c.q. markttechnische conflicten ontstaan tussen de ontwikkeling van Ludinga en eventuele andere ontwikkelingen binnen de grenzen van de gemeente Harlingen” behelst, zoals de gemeente terecht in haar verweer stelt, niet twee afzonderlijke onderwerpen en geen algehele exclusiviteitsregeling [37] , omdat:
de rechtsklacht van subonderdeel A1geeft de beslissing van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, indien die berust op de gedachte dat de in het onderdeel genoemde zeven stellingen geen rol (kunnen) spelen in verband met de interpretatie van de samenwerkingsovereenkomst.
de motiveringsklacht van subonderdeel A1, het oordeel van het hof in rov. 4.27 en 4.28 zonder nadere motivering onbegrijpelijk in het licht van zeven essentiële stellingen van Ludinga waaraan het hof ten onrechte geen (kenbare) aandacht heeft besteed.
Lundiform/Mexxop een juiste wijze toepast.
Lundiform/Mexx-arrest.
stelling (i)ging ook de gemeente uit van een vergaande strekking van artikel 6 en Pro werd er in het rapport van Ecorys op gewezen dat het voor de gemeente niet raadzaam was een dergelijke vergaande afspraak te accepteren, waarbij bovendien gold dat de gemeente vaak in het geheel niet in staat zou zijn een dergelijke vergaande garantie te effectueren. [43] Stelling (iii)houdt in dat uit de omstandigheid dat de gemeente artikel 6 wenste Pro te schrappen, blijkt dat die bepaling ook volgens de gemeente niet slechts zag op uitbreidingsplannen. [44] De verwerping van deze stellingen ligt mijns inziens besloten in rov. 4.27 en 4.28 van het arrest.
stelling (ii)zou de omstandigheid dat in het rapport van Ecorys in artikel 6 in Pro plaats van een komma het woord “en” werd gebruikt, erop wijzen dat die adviseur van de gemeente twee verschillende onderwerpen leest in de eerste volzin van artikel 6. [45] Op deze stelling behoefde het hof naar mijn mening überhaupt niet in te gaan. Het rapport - zie voor het relevante citaat uit het rapport, hiervoor 1.1-(vi) - bevat geen citaat van artikel 6 maar Pro een beschrijving van dat artikel en uit die beschrijving blijkt dat het woord ‘en’ in plaats van de komma geen andere functie heeft dan een taalkundige, namelijk het goed laten lopen van de zin.
afspraak(en niet afsprak
en, toev. A-G) te accepteren”.
stelling (iv)dat de gemeente werd bijgestaan door juridisch adviseurs [46] en de
stelling (v)dat Ludinga uitsluitend bijstand had van een adviseur met planologische kennis [47] , zijn stellingen die de juridische bijstand betreffen bij de totstandkoming van de samenwerkingsovereenkomst.
stelling (v), zoals de gemeente terecht opmerkt (s.t. onder 4.12), in feitelijke instanties door de gemeente weerlegd. De gemeente heeft in eerste aanleg en hoger beroep namelijk aangevoerd dat het eerste concept voor de samenwerkingsovereenkomst afkomstig was van mr. F.J.G. Heeres (notaris te Harlingen), die dit concept als partij-notaris in opdracht van Ludinga had opgesteld. [51] Ludinga heeft dit niet weersproken.
stelling (vi)dat er - gelet op de ligging van de gemeente - in Harlingen geen uitbreiding mogelijk is, zodat het om die reden niet voor de hand liggend is dat artikel 6 slechts Pro betrekking zou hebben op uitbreidingsplannen [52] is weerlegd door de gemeente in hoger beroep, terwijl Ludinga die weerlegging niet gemotiveerd heeft weersproken. De gemeente heeft er in haar MvA in principaal appel namelijk - kort gezegd - op gewezen dat Ludinga ten onrechte heeft gesteld dat uitbreidingsplannen slechts mogelijk zouden zijn op de locatie Ludinga, omdat er nog wel andere gebieden zijn waar nog eventueel uitbreidingsplannen met betrekking tot woningbouw gerealiseerd zouden kunnen worden, zoals het gebied ten noordoosten van Ludinga en ten zuiden van bedrijventerrein Koningsbuurt. [53]
stelling (vii)dat tegen de toewijzing van een contingent geen rechtsmiddel openstond, zodat de door de gemeente voorgestane en door de rechtbank aanvaarde interpretatie van artikel 6 niet Pro logisch zou zijn en artikel 6 zinledig Pro zou zijn indien die slechts contingentering zou betreffen [55] , is het hof, anders dan de klacht veronderstelt, expliciet ingegaan in rov. 4.27.
Lundiform-Mexxgroot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis, doordat het hof niet ingaat op de taalkundige betekenis van het kommagebruik in de tweede volzin van deze bepaling. [56]
subonderdeel A3is het arrest innerlijk tegenstrijdig, althans is de interpretatie van artikel 6 onvoldoende Pro begrijpelijk, aangezien het hof bij de bespreking in rov. 4.26 van de vraag of artikel 6 door Pro partijen is overeengekomen belang heeft gehecht aan de omstandigheden dat artikel 6 van Pro de samenwerkingsovereenkomst belangrijk was voor de samenwerking tussen partijen en dat van de gemeente als professionele contractspartij ook mag worden verwacht dat zij dat belang heeft ingezien, terwijl het hof deze omstandigheden niet (expliciet) heeft betrokken bij de in rov. 4.27 en 4.28 gegeven interpretatie van artikel 6.
verderdat het onbegrijpelijk is dat het hof bij de interpretatie van artikel 6 niet Pro heeft meegewogen dat de gemeente er schijnbaar veel aan gelegen was haar standpunt dat (het relevante deel van) artikel 6 geen Pro deel uitmaakte van de overeenkomst, gehonoreerd te krijgen, hetgeen een relevant gezichtspunt oplevert bij de interpretatie van die bepaling.
onvoldoende heeft gesteld, er geen reden is haar toe te laten tot (tegen)bewijslevering van feiten die, indien bewezen, tot een andere uitleg van de overeenkomst kunnen leiden (tussenvonnis, rov. 4.5.3).
subonderdeel B2dat de afwijzing van de bewijsaanbiedingen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting danwel onbegrijpelijk is, faalt eveneens.