Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
omvangvan de fraude en de aansprakelijkheid van [eiseres 2] en [eiser 3] als bestuurders van HKZ.
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
is vergroot, terwijl bovendien de inhoud van door HKZ c.s. in de procedure overgelegde (papieren) patiëntendossiers niet betrouwbaar is gebleken, in de zin dat, kort en duidelijk gezegd, die dossiers zijn gemanipuleerd (dit laatste betreft dus niet de initiële fraude, waarmee de betalingen zijn uitgelokt).
nietde bewijslast droeg. Daarmee zijn we op het terrein van het eerste subonderdeel. Het hof heeft het risico van een verrassingsbeslissing in de zojuist bedoelde zin onder ogen gezien, zoals blijkt uit de laatste zin van rechtsoverweging 32. Volgens het hof kan HKZ c.s. door de omkering van de bewijslast niet zijn verrast, omdat bewijslastomkering door DSW c.s. nadrukkelijk was bepleit. Het subonderdeel geeft toe dat dit het geval is, maar voert aan dat het hof miskent dat een fraudepercentage van 80% door geen van partijen was bepleit, terwijl op de uitkomsten van het geneesmiddelenonderzoek, waarin het hof steun vindt voor het percentage van 80%, door DSW c.s. geen beroep is gedaan in het kader van het debat over de omvang van de fraude.
door toedoen van HKZin een onredelijke bewijspositie verkeren. [14] Uiteraard maakt in dit verband geen verschil dat het hof niet voor 93% van de gedeclareerde DBC’s de bewijslast heeft omgekeerd, maar voor 80%, en voor dat verlaagde percentage steun heeft gezien in de uitkomsten van het geneesmiddelenonderzoek. Waar HKZ c.s. reden had om met het meerdere rekening te houden, had zij dat ook voor het mindere.