Conclusie
1.Feiten en procesverloop
"Ik heb jullie voor wat betreft de kinderalimentatie en de partneralimentatie gewezen op de mogelijkheid van het opstellen van een behoefte- en een draagkrachtberekening. Daarvan hebben jullie beiden afgezien. In onderling overleg hebben jullie de kinderalimentatie vastgesteld op een bedrag van € 125,- per kind per maand en de partneralimentatie op een bedrag van € 2.250,- bruto per maand."
"De in de onderneming gerealiseerde winst (= inkomen) is bepalend om tot een berekening en een vaststelling van de hoogte van de alimentatie te kunnen komen". Ook uit het door partijen in het convenant opgenomen artikel 2.2. waarin is bepaald dat eventueel te verwerven inkomsten van de vrouw en verbetering van het inkomen van de man niet tot wijziging van de afgesproken bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zullen leiden, leidt tot de conclusie dat partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven.
2.Juridisch kader
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subsidiaireA-G) tweede, derde, vierde en vijfde grief van de vrouw, waarin zij – kort gezegd en onder meer – stelt dat als geen sprake is van een bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven, de rechtbank is uitgegaan van onjuiste financiële gegevens bij de berekeningen van de partneralimentatie, heeft het hof evenwel niet besproken, terwijl het hof de daaraan ten grondslag liggende verzoeken wel heeft toegewezen. Het cassatieberoep klaagt hier echter niet over, zodat ik hier niet verder op in ga.
onderdeel 1stelt de man in de kern weergegeven dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting voor wat betreft de uitleg van de term “bewuste”. Het onderdeel bevat, naast een inleiding, vijf (sub)klachten:
“het betreft gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens, dus niet bewust van de wettelijke maatstaven, zijn afgeweken”,is te beperkt geformuleerd.
onderdeel 2klaagt de man dat het oordeel van het hof dat partijen welbewust een van de wettelijke maatstaven afwijkende regeling hebben willen treffen zoals vermeld in rechtsoverweging 5.9, onbegrijpelijk en rechtens onjuist is tegen de achtergrond van het toetsingskader zoals vermeld in onderdeel 1 en het partijdebat. De man voert daartoe – samengevat weergegeven – het volgende aan. De vrouw heeft slechts gesteld (betwist door de man) dat partijen er op zijn gewezen hoe de behoefte en draagkracht normaliter worden becijferd. Ambtshalve had het hof op grond van art. 25 Rv Pro waarde moeten toekennen aan wat er niet is gesteld en overgelegd door de vrouw. Nergens in de procedure heeft de vrouw gesteld dat en op welke wijze partijen (eerst) door de mediator en/of (later nogmaals) door de advocaat op de gevolgen van het bewust afwijken van de wettelijke maatstaven zijn gewezen: de in een dergelijke situatie voor de hand liggende stukken zijn niet overgelegd (het mediationverslag waaruit blijkt dat de mediator de gevolgen van het bewust afwijken aan partijen heeft voorgehouden en dat zij deze desondanks welbewust hebben aanvaard en de brief van de gezamenlijke advocaat aan partijen waarin hij schriftelijk aan hen bevestigt dat hij partijen op de juridische gevolgen van het maken van een eigen afspraak heeft gewezen).
indien partijen zich wel op de wettelijke maatstaven hebben willen richten doch als gevolg van een onjuist inzicht in de betekenis van die maatstaven, of doordat zij uitgingen van onjuiste of onvolledige gegevens, tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe de toepassing van die maatstaven zou hebben geleid [mijn arcering].
“op de koop toegenomen”) dat zij bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken en niet op de hoogte zijn van de gevolgen daarvan, is niet onbegrijpelijk en ook niet onvoldoende gemotiveerd. Voorts heeft het hof er rekening mee gehouden dat partijen zijn bijgestaan door een mediator en een advocaat.
onderdeel 4stelt de man de laatste zin van overweging 5.6 van het hof aan de orde, die luidt: “
Zowel aan de stelplicht van de verzoeker als aan de motivering van de rechter worden daarbij zware eisen gesteld.” De man klaagt dat voor zover het hof daarmee heeft geoordeeld dat op de man, als verzoeker in eerste aanleg de stelplicht en bewijslast rust op de stelling dat partijen (niet) bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven, dit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.” Deze (voorwaardelijke) klacht treft geen doel, omdat de overweging van het hof ziet op de situatie dat (reeds) vast staat dat sprake is van bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven en op de stelplicht van de partij die meent dat de alimentatieovereenkomst moet worden gewijzigd omdat de omstandigheden zo ingrijpend zijn gewijzigd dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden. Die vraag is door het hof in rechtsoverweging 5.11 behandeld waartegen het cassatieberoep zich niet richt en is – anders dan het onderdeel stelt - niet aan de orde in rechtsoverweging 5.9.