Conclusie
middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof, inhoudende dat de verdachte geen grieven als bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv tegen het vonnis in eerste aanleg heeft ingediend, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. Volgens de stellers van het middel kunnen de bezwaren die in een brief aan het openbaar ministerie zijn vervat bezwaarlijk anders worden verstaan dan als grieven tegen het vonnis.
[…]
Betreft: bezwaarschrift tegen zaak met parket nr. 96-197665-16
Naar aanleiding van een zaak die op 16-12-2016 voor de kantonrechter is geweest, stuur ik u dit bezwaarschrift.
De uitspraak van de zaak was € 2200 boete, subsidiair 32 dagen hechtenis en 6 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid. Ter informatie, [verdachte], zit al geruime [tijd] vast in Keulen te Duitsland waardoor hij geen mogelijkheid had om kennis te nemen en in beroep te gaan. Tevens heeft [verdachte] geen baan of uitkering als inkomstenbron voor het exorbitant hoge bedrag van € 2200. Dit kan [verdachte] niet betalen naast het feit dat hij in hechtenis is genomen in Duitsland.(…)”
[…]
is niet ter terechtzitting verschenen.
[…]
De raadsheer verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De raadsheer deelt mede dat in de onderhavige zaak geen schriftuur is ingediend.
NJ2018/49 m.nt. T. Kooijmans, r.o. 2.4.2.het volgende:
NJ2010/461).
NJ2012/426). Opmerking verdient bovendien dat de hiervoor onder 2.4.2 bedoelde informatieplicht voor de griffie beperkt is tot een geval waarin de bijzonder gevolmachtigde ter griffie verschijnt.”