ECLI:NL:PHR:2019:1188

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2019
Publicatiedatum
18 november 2019
Zaaknummer
18/04136
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 410 SvArt. 416, tweede lid, SvArt. 450, eerste lid, aanhef en onder b, SvArt. 452, eerste lid, SvArt. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken bijzondere schriftelijke volmacht

In deze zaak stond centraal of een brief van de moeder van de verdachte, gericht aan het Openbaar Ministerie, kon worden aangemerkt als een schriftuur houdende grieven in de zin van artikel 416, tweede lid, Sv, en daarmee als een geldig middel tot hoger beroep. De brief bevatte bezwaren tegen de opgelegde straf, waaronder het niet kunnen betalen van een boete vanwege detentie in Duitsland en gebrek aan inkomsten.

De Hoge Raad benadrukte dat hoewel de inhoud van de brief als grief kan worden gezien, de brief niet door de verdachte zelf was ingediend, noch door een vertegenwoordiger met een bijzondere schriftelijke volmacht. De wet vereist dat een schriftuur houdende grieven door de verdachte zelf of door een gemachtigde met een schriftelijke volmacht wordt ingediend. De moeder beschikte niet over een dergelijke volmacht, en uit de stukken bleek niet dat de verdachte op de hoogte was van de brief of het vonnis.

Het hof had de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van een geldige schriftuur. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. Tevens werd opgemerkt dat het vereiste van een bijzondere schriftelijke volmacht een belangrijke waarborg is ter bescherming van de procesautonomie van de verdachte en niet lichtvaardig kan worden gepasseerd.

De Hoge Raad wees ook op de procedurele eisen rond het indienen van rechtsmiddelen en dat de griffie niet verplicht is om de afzender van een brief zonder volmacht te wijzen op het ontbreken daarvan. De conclusie van de procureur-generaal was dan ook dat het cassatieberoep moet worden verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een bijzondere schriftelijke volmacht.

Conclusie

Nr. 18/04136
Zitting: 19 november 2019
Mr. F.W. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
Bij arrest van 5 oktober 2017 heeft de enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 19 december 2016 waarbij de verdachte bij verstek wegens “overtreding van het bepaalde in artikel 21 sub a RVV Pro 1990”, is veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 2200 subsidiair 32 dagen hechtenis en waarbij hem de bevoegdheid is ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.
Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof, inhoudende dat de verdachte geen grieven als bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv tegen het vonnis in eerste aanleg heeft ingediend, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. Volgens de stellers van het middel kunnen de bezwaren die in een brief aan het openbaar ministerie zijn vervat bezwaarlijk anders worden verstaan dan als grieven tegen het vonnis.
De brief waarop de stellers van het middel doelen, betreft een brief van 17 mei 2017 van “[betrokkene 1] (moeder van [verdachte])”, gericht aan het (Parket) Centrale Verwerking Openbaar Ministerie. De brief vermeldt dat het een “bezwaarschrift” is tegen het vonnis van de kantonrechter.
De brief, die zich bij de stukken bevindt, houdt het volgende in:
“[betrokkene 1] (moeder van [verdachte])
[…]
Betreft: bezwaarschrift tegen zaak met parket nr. 96-197665-16
Geachte heer/mevrouw,
Naar aanleiding van een zaak die op 16-12-2016 voor de kantonrechter is geweest, stuur ik u dit bezwaarschrift.
De uitspraak van de zaak was € 2200 boete, subsidiair 32 dagen hechtenis en 6 maanden ontzegging van de rijbevoegdheid. Ter informatie, [verdachte], zit al geruime [tijd] vast in Keulen te Duitsland waardoor hij geen mogelijkheid had om kennis te nemen en in beroep te gaan. Tevens heeft [verdachte] geen baan of uitkering als inkomstenbron voor het exorbitant hoge bedrag van € 2200. Dit kan [verdachte] niet betalen naast het feit dat hij in hechtenis is genomen in Duitsland.(…)”
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2017 houdt het volgende in:
“De verdachte, hoewel behoorlijk gedagvaard
[…]
is niet ter terechtzitting verschenen.
[…]
De raadsheer verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De raadsheer deelt mede dat in de onderhavige zaak geen schriftuur is ingediend.
De advocaat-generaal voert het woord, leest haar vordering voor en legt die aan het gerechtshof over. Zij vordert dat nu de verdachte noch bij schriftuur, noch mondeling, het namens hem ingestelde hoger beroep heeft toegelicht of heeft doen toelichten en de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is
verschenen, het hof de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk zal verklaren in het namens hem ingestelde hoger beroep.
Na beraad sluit de raadsheer het onderzoek ter terechtzitting en deelt mede dat terstond uitspraak zal worden gedaan.
De raadsheer spreekt het arrest uit.”
7. De aantekening mondeling arrest bevat de volgende beslissing van het hof:
“Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep (artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.”
8. De stellers van het middel concentreren zich op de vraag of de inhoud van het in de brief aangevoerde als grief kan worden aangemerkt in de zin van art. 416, tweede lid, Sv (en art. 410, eerste lid, Sv). Daarover kan ik kort zijn. Met de klacht dat de verdachte het “exorbitant hoge bedrag van 2.200 euro” niet kan betalen omdat hij “geen baan of uitkering als inkomstenbron” heeft, wordt tot uitdrukking gebracht dat bezwaar bestaat tegen de opgelegde straf. Zowel de wetsgeschiedenis als de jurisprudentie wijst erop dat de lat voor de formulering van grieven niet hoog mag worden gelegd. [1] Daarbij speelt een rol dat in art. 410 Sv Pro geen nadere eisen van materiële aard aan de schriftuur houdende grieven worden gesteld, terwijl deze ook door de verdachte zelf kan worden ingediend. Tegen deze achtergrond, kan het aangevoerde bezwaarlijk anders worden aangemerkt dan als een grief tegen de opgelegde straf.
9. Daarmee is echter niet alles gezegd. De desbetreffende brief is immers niet afkomstig van de verdachte, maar van de moeder van de verdachte. Ingevolge art. 450, eerste lid, aanhef en onder b, Sv in verbinding met art. 452, eerste lid, Sv, kan de indiening van een schriftuur van de zijde van de verdachte ook geschieden door tussenkomst van een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk door de verdachte bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat ten aanzien van de appelschriftuur niet het vereiste geldt dat deze in persoon moet worden ingediend. [2] De enkele omstandigheid dat de moeder van de verdachte niet persoonlijk ter griffie is verschenen, maar een brief heeft verstuurd die – met een omweg via het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie – de griffie heeft bereikt, hoeft dus niet fataal te zijn.
10. De vraag is evenwel of die brief kan worden aangemerkt als een schriftuur houdende grieven van de verdachte. Daartoe is in elk geval nodig dat blijkt dat de moeder daartoe persoonlijk door de verdachte bij bijzondere volmacht is gemachtigd (art. 450, eerste lid, aanhef en onder b, Sv in verbinding met art. 452, eerste lid, Sv).
11. Uit de brief van de moeder kan niet blijken dat zij over een bijzondere schriftelijke volmacht van de verdachte beschikte om een schriftuur houdende grieven in te dienen. Voetstoots kan worden aangenomen dat de moeder haar zoon heeft willen helpen, maar dat is niet voldoende. Van een bijzondere schriftelijke volmacht blijkt niet. In de brief van de moeder wordt zelfs nergens uitdrukkelijk vermeld dat zij de brief namens de – meerderjarige – verdachte heeft gestuurd. Evenmin blijkt dat de verdachte ten tijde van het sturen van de brief op de hoogte was van het vonnis en van de brief die zijn moeder als “bezwaarschrift” stuurde. Uit de akte van uitreiking blijkt dat de voor de verdachte bestemde appeldagvaarding aan haar is uitgereikt op een adres waarop de verdachte sinds 5 oktober 2015 niet meer in de BRP stond ingeschreven. [3] De stukken bieden geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat de appeldagvaarding de verdachte heeft bereikt en dat zijn moeder vervolgens namens hem de brief heeft geschreven. Ook de cassatieschriftuur zwijgt over dit aspect. De moeder schrijft in dit verband dat de verdachte “in hechtenis is genomen in Duitsland” en dat hij al geruime tijd in Keulen is gedetineerd “waardoor hij geen mogelijkheid had om kennis te nemen en in beroep te gaan”.
12. Elzinga heeft bepleit het vereiste van een bijzondere schriftelijke volmacht te relativeren. Dient een derde een schriftuur in zonder een bijzondere schriftelijke volmacht te overleggen, dan is dat naar haar mening een voldoende aanwijzing dat de verdachte heeft bedoeld dat namens hem op juiste wijze een schriftuur moet worden ingediend. [4] Ik zie geen aanknopingspunten in de rechtspraak dat de Hoge Raad het vereiste van een bijzondere schriftelijke volmacht zo vergaand zou willen relativeren. Te wijzen valt in dit verband op de rechtspraak ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep en de eisen die worden gesteld aan de bijzondere schriftelijke volmacht van de verdachte om een rechtsmiddel aan te wenden. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3071,
NJ2018/49 m.nt. T. Kooijmans, r.o. 2.4.2.het volgende:
“2.4.2.
Ingevolge art. 450, eerste lid aanhef en onder b, Sv kan het aanwenden van een rechtsmiddel (ook) geschieden door een vertegenwoordiger van de verdachte die daartoe persoonlijk door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd. Die aldus gemachtigde vertegenwoordiger van de verdachte dient zelf ter griffie te verschijnen en aldaar die volmacht over te leggen. Is deze niet in het bezit van een volmacht dan zal het opmaken van een akte achterwege dienen te blijven. Overigens ligt het in een dergelijk geval waarin de gemachtigde vertegenwoordiger ter griffie verschijnt, op de weg van de griffieambtenaar hem te wijzen op het vereiste van een bijzondere volmacht en de daaraan te stellen eisen, waarbij dan alsnog de gelegenheid dient te worden geboden om een dergelijke volmacht tijdig ter griffie over te leggen. De wet biedt niet de mogelijkheid dat een dergelijke volmacht anders dan in persoon ter griffie wordt overgelegd. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2496,
NJ2010/461).
2.4.3.
Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen onder 2.3.1 is weergegeven, getuigt het oordeel van het Hof dat het hoger beroep niet op de juiste wijze tijdig is aangewend en dat de verdachte om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het ook niet onbegrijpelijk. Daarbij verdient nog opmerking dat, anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, in dit verband niet relevant is of ter terechtzitting in hoger beroep de verdachte of een door hem op de voet van art. 279 Sv Pro gemachtigde raadsman is verschenen en deze aldaar heeft verklaard dat de verdachte de wens had om op rechtsgeldige wijze hoger beroep in te stellen; die omstandigheid is immers specifiek van belang bij een onvolkomen volmacht door advocaten die, anders dan bijzonder gemachtigden, wel hoger beroep door middel van een schriftelijke volmacht kunnen instellen (vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6999,
NJ2012/426). Opmerking verdient bovendien dat de hiervoor onder 2.4.2 bedoelde informatieplicht voor de griffie beperkt is tot een geval waarin de bijzonder gevolmachtigde ter griffie verschijnt.”
13. Voor gevallen waarin een schriftuur is ingediend door een raadsman die bij het indienen heeft verzuimd te verklaren daartoe door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd, heeft de Hoge Raad de deur naar deformalisering geopend. In een geval waarin de advocaat die de appelschriftuur heeft ingediend als raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, brengen beginselen van een goede procesorde mee dat de rechter de raadsman – ook indien deze niet is gemachtigd op de voet van art. 279 Sv Pro – de gelegenheid biedt om zich uit te laten over de vraag of hij tot het indienen van de appelschriftuur bepaaldelijk was gevolmachtigd en zal bij bevestigende beantwoording van die vraag toepassing van art. 416, tweede lid, Sv achterwege dienen te blijven. [5] Deze rechtspraak heeft betrekking op gevallen waarin sprake is van een onvolkomen volmacht van advocaten. Daarbij komt dat in deze zaak de behandeling in hoger beroep bij verstek heeft plaatsgevonden.
14. Ik meen dat de door Elzinga gepropageerde koerswijziging ook onwenselijk zou zijn. Het vereiste van een bijzondere schriftelijke volmacht vormt een waarborg dat de grieven namens de verdachte zijn ingediend. De procesautonomie van de verdachte is daarbij in het geding. Het recht beschermt in voorkomende gevallen niet alleen tegen handelingen van derden die voortkomen uit kwade bedoelingen, maar ook tegen handelingen die goed zijn bedoeld maar niet overeenkomen met het belang dan wel de wens van degene om wie het gaat. Dat geldt temeer in een geval waarin in de brief niet wordt kenbaar gemaakt dat namens de verdachte wordt gehandeld. Het wettelijk vereiste van een bijzondere schriftelijke volmacht van de derde kan in dezen niet worden gepasseerd.
15. Het voorafgaande leidt tot de conclusie dat de brief van de moeder van de verdachte van 17 mei 2017 en de overige stukken geen aanknopingspunt bieden om aan te nemen dat de moeder persoonlijk door de verdachte bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd een schriftuur houdende grieven namens hem in te dienen. De brief kan dan ook niet worden aangemerkt als een schriftuur houdende grieven van de verdachte als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv en art. 416, tweede lid, Sv. Nu ook overigens niet blijkt van mondelinge bezwaren die door of namens de verdachte tegen het vonnis zijn ingebracht, getuigt het in cassatie aangevochten oordeel van het hof dat toepassing kan worden gegeven aan art. 416, tweede lid, Sv niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk.
16. Het middel strandt op het voorafgaande. Wel merk ik nog het volgende op.
17. De brief van de moeder van de verdachte van 17 mei 2017 is gestuurd aan het (Parket) Centrale Verwerking Openbaar Ministerie. Het openbaar ministerie heeft deze brief klaarblijkelijk doorgestuurd aan de griffie van de rechtbank Noord-Holland. [6] Op basis van de brief is een “Akte instellen hoger beroep” opgemaakt. De griffie heeft de brief van de moeder van de verdachte kennelijk aangemerkt als een schriftelijke bijzondere volmacht die is verleend aan een medewerker van de griffie als bedoeld in art. 450, eerste lid aanhef en onder b, Sv. In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het hof besloten dat de verdachte rechtsgeldig hoger beroep heeft ingesteld. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Uit het voorafgaande volgt immers dat de brief van de moeder van de verdachte in de onderhavige zaak niet kan worden aangemerkt als een bijzondere schriftelijke volmacht als bedoeld in art. 450, eerste lid, onder b Sv om het rechtsmiddel van hoger beroep aan te wenden, terwijl de griffie niet was gehouden de afzender van de brief daarop te wijzen. [7] Hieruit volgt dat het hof er niet van had mogen uitgaan dat in de onderhavige zaak door of namens de verdachte het rechtsmiddel van hoger beroep was aangewend.
18. Het middel is evenwel niet gericht tegen het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat rechtsgeldig hoger beroep is ingesteld. [8] Evenmin bestaat grond voor ambtshalve cassatie. [9]
19. Het middel faalt.
20. Gronden voor ambtshalve cassatie heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl.
2.HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702
3.Zo blijkt uit de informatiestaat SKDB, die zich bij de stukken bevindt.
4.H.K. Elzinga,
5.Zie onder meer HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9223, rov. 2.0035.
6.Vgl. HR 3 april 1984, ECLI:NL:HR:1984:AB8365, NJ 1984/634 m.nt. Th.W. van Veen, r.o. 5.2.
7.HR 5 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3071,
8.Anders dan in HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2411.
9.Zie nader A.J.A. van Dorst,