Conclusie
1.Feiten en procesverloop
dictum. Verder heeft de Hoge Raad het merendeel van de klachten in het principaal cassatieberoep van Montis beoordeeld als ongegrond. De middelonderdelen 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.4 hadden betrekking op het standpunt van Montis dat het schrappen van het vereiste van een instandhoudingsverklaring in artikel 21 lid Pro 3 (oud) van de eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen of modellen (BTMW) tot gevolg heeft dat het auteursrecht van Montis op de fauteuil ‘Charly’ – ook als dit bij gebreke van een instandhoudingsverklaring in 1993 is vervallen − is herleefd. Om de op dit betoog gebaseerde klachten te kunnen beoordelen heeft de Hoge Raad de navolgende vragen van uitleg aan het Benelux-Gerechtshof gesteld:
2.Verdere bespreking van het principaal cassatiemiddel
nietals gevolg van het schrappen van art. 21 lid Pro 3 (oud) BTMW is herleefd. Dit betekent dat de hiervoor genoemde (resterende) klachten van de onderdelen 2.1.8, 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.4 op een onjuiste rechtsopvatting zijn gebaseerd en daarom niet tot cassatie kunnen leiden.
ook als ius conventionismoet worden beschermd; niet alleen volgens het nationale recht van de Uniestaat waar bescherming wordt ingeroepen [7] . Art. 5 lid 1 BC Pro bepaalt: “(d)e auteurs genieten voor
de werken waarvoor zij krachtens deze Conventie zijn beschermd, in de landen van de Unie die niet het land van oorsprong van het werk zijn, de rechten, welke de onderscheidene wetten (…) aan eigen onderdanen verlenen,
alsmede de rechten door deze Conventie in het bijzonder verleend.” (cursivering toegevoegd). Dit laatste betekent volgens Montis dat het formaliteitenverbod van art. 5 lid 2 BC Pro wel degelijk verhindert dat het auteursrecht op de ‘Charly’ ingevolge art. 21 lid Pro 3 (oud) BTMW bij gebreke van een instandhoudingsverklaring is vervallen (dus als gevolg van het niet voldoen aan een formaliteit).
voor zover de nationale wet dat toestaat. Daarmee werd eventuele auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst overgelaten aan de nationale wetgever. Tijdens de conferentie van Brussel in 1948 werd opnieuw voorgesteld toegepaste kunst te beschermen in de BC. Hierover is uiteindelijk een compromis bereikt. Weliswaar werden werken van toegepaste kunst toegevoegd aan de opsomming van ‘werken’ in art. 2 lid 1 BC Pro, maar − in afwijking van het oorspronkelijk aan de conferentie gedane voorstel − hebben de verbondslanden het voorschrift van art. 2 lid Pro 4 (oud) BC
als beginselgehandhaafd in een nieuw vijfde lid van dit artikel; dit nieuwe artikellid kwam overeen met het huidige art. 2 lid 7 BC Pro. [13] Met deze bepaling waren de verbondslanden vrij om in hun nationale recht te kiezen voor modellenrechtelijke bescherming, auteursrechtelijke bescherming of een cumulatie van beide, alsook in de wijze waarop zij hieraan vorm geven. Een in de Berner Conventie uitdrukkelijk geregelde uitzondering op deze vrijheid is de minimale beschermingsduur van 25 jaar, genoemd in art. 7 lid 4 BC Pro.
in de nationale wetgevingmet inachtneming van de minimumtermijn van 25 jaar als bedoeld in art. 2 lid 7 in Pro verbinding met art. 7 lid 4 BC Pro. [15] In het tijdschriftartikel waarop Montis zich thans beroept heeft Van Gompel betoogd dat Schaafsma hier over het hoofd zag dat in 1948 de catalogus van door de Berner Conventie beschermde ‘werken’ is uitgebreid met ‘werken van toegepaste kunst’. Daarmee is volgens Van Gompel expliciet als
ius conventioniserkend dat werken van toegepaste kunst in de gehele Berner Unie moeten worden beschermd. Daarmee heeft volgens Van Gompel het formaliteitenverbod in art. 5 lid 2 BC Pro sinds 1948 betrekking op de bescherming die een verbondsland aan buitenlandse werken moet verlenen op basis van zowel het beginsel van nationale behandeling als het
ius conventionis. [16]
voor zoverdeze afbreuk doet aan de minimumbeschermingstermijn van art. 7 lid 4 BC Pro. In het arrest Cassina heeft de Hoge Raad, zoals NJ-annotator Verkade constateert, niet overwogen dat het vormvoorschrift (de instandhoudingsverklaring) voor zover die doorwerkt na het verloop van 25 jaar, in strijd zou zijn met het formaliteitenverbod van art. 5 lid 2 BC Pro.
Duitslandals het ‘land van oorsprong’ moet worden aangemerkt) Montis niet met een beroep op het gelijkstellingsbeginsel van art. 5 lid 1 BC Pro en het formaliteitenverbod van art. 5 lid 2 BC Pro in Nederland een verder gaande auteursrechtelijke bescherming kan inroepen dan toekomt aan de rechthebbende van een werk van toegepaste kunst waarvoor
Nederlandals het land van oorsprong moet worden aangemerkt. In HR 11 mei 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AB1558), NJ 2002/55 m.nt. J.H. Spoor (rov. 3.3.3) was al beslist dat een Nederlandse auteur in Nederland met betrekking tot een werk waarvan Nederland het ‘land van oorsprong’ is, geen beroep kan doen op (het formaliteitenverbod in) de Berner Conventie.
ius conventionisdat zich uitstrekt over een aan art. 7 lid 4 BC Pro te ontlenen recht, na het verstrijken van de termijn van 25 jaar moet wijken voor een andersluidende regeling in het nationale recht indien het gaat om werken van toegepaste kunst die alleen in het nationale recht worden beschermd.