Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
ookindien mocht worden geoordeeld
(in plaats van “uitsluitend indien mocht worden geoordeeld”)dat nog geen sprake was van een volledige overeenkomst tussen partijen: te verklaren voor recht dat de Gemeente de onderhandelingen niet
op deze wijzehad mogen afbreken en dat zij, door dit toch te doen, onrechtmatig heeft gehandeld en de hierdoor door Huizon geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
3.Bespreking van het cassatiemiddel
contractueleaansprakelijkheid zich verhoudt tot de eerder bedoelde
buitencontractueleaansprakelijkheid van het arrest CBB/JPO.
uitsluit, merk ik op dat die opvatting niet goed doordacht is. Dat is zij in de eerste plaats niet omdat zij slecht past bij de gewone regels van samenloop. In de tweede plaats roept zij onvermijdelijk allerlei weinig gelukkige afbakeningsvragen op. (Wél juist is dat de inhoud van een contractuele onderhandelingsplicht door het contract wordt bepaald en niet door de norm van CBB/JPO. Mogelijk hebben een of meer van de aangehaalde auteurs niet meer bedoeld dan dat. De door hen gekozen formulering roept dan echter een misverstand op dat behoort te worden bestreden.)
verderdan wat volgens de gewone regels geldt en betoogt een partij dat de onderhandelingen niet hadden mogen worden afgebroken (althans de voorbereiding van de totstandkoming van een overeenkomst niet hadden mogen worden gestaakt), dan zal een subsidiair beroep op die gewone regels voor deze partij uiteraard geen meerwaarde kunnen hebben (wat intussen iets anders blijft dan te zeggen dat een beroep erop niet mogelijk of toegelaten is). Op haar beurt geldt voor de aangesproken partij dat zij tegenover een beroep op een contractuele onderhandelingsplicht niet kan aanvoeren dat zij volgens de gewone regels tot
mindergehouden is – zij heeft zich immers vrijwillig tot méér verbonden.
afaan wat zonder zo’n regeling op grond van de gewone regels zou gelden, dan kan dit aan een vordering die op de gewone normen voor de precontractuele fase is gegrond, uiteraard worden tegengeworpen. Dat is niet werkelijk iets bijzonders. Geheel op dezelfde wijze kan ook een exoneratiebeding aan een vordering uit onrechtmatige daad worden tegengeworpen zo vaak als het beding aldus behoort te worden uitgelegd dat het (ook) een zodanige vordering uitsluit of beperkt.
onbepaalde tijdgold, [16] is dat mijns inziens niet onjuist. Het in het arrest Arcadis/DLO besliste geval is mijns inziens niet vergelijkbaar met bijvoorbeeld het geval dat een overeenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan en een onderhandelingsplicht over een verlenging van de overeenkomst is overeengekomen. In laatstbedoeld geval is het vertrekpunt dat partijen na afloop van de bepaalde duur vrij zijn; op grond van de overeengekomen onderhandelingsplicht onderhandelen zij over
nieuwegebondenheid. In het geval Arcadis/DLO was het vertrekpunt dat partijen aan de samenwerkingsovereenkomst gebonden waren: op grond van de overeengekomen onderhandelingsplicht onderhandelden zij over wijziging dan wel beëindiging van
bestaandegebondenheid. [17] In eerstbedoeld geval is mijns inziens onjuist om te zeggen dat de gewone regels van de precontractuele fase geen toepassing zouden kunnen vinden; in laatstbedoeld geval is dit anders. Kortom, als wij goed letten op de feiten in de zaak Arcadis/DLO, biedt het arrest van uw Raad in die zaak geen grond voor de opvatting dat het bestaan van een contractuele onderhandelingsplicht een beroep op de gewone, buitencontractuele regels voor de precontractuele fase uitsluit. [18]
onderdelen Ia en Icveronderstellen – behalve aan de contractuele norm, óók getoetst aan de gewone, buitencontractuele norm voor de precontractuele fase. Dat die toetsing volgens het hof voor Huizon niet meer oplevert dan toetsing aan de contractuele norm, is daarbij weinig verrassend. Dit laatste maakt ook begrijpelijk waarom het hof de contractuele grondslag (de voorovereenkomst) en de buitencontractuele grondslag (zoals die in ieder geval door het beroep van Huizon op onrechtmatige daad wordt verondersteld) min of meer in één adem bespreekt.
De subsidiair geformuleerde vorderingen (iii) en (iv) veronderstellen dat het College of de Gemeente met Huizon lopende onderhandelingen heeft afgebroken. Huizon heeft echter onvoldoende geconcretiseerd gesteld dat zij met de Gemeente in onderhandeling was.Ook de subsidiaire vordering onder (v) is tevergeefs ingesteld. (…)’ [Hierna volgen de laatste twee zinnen zoals onder 3.22 geciteerd.]
aanvullendenkele opmerkingen over de diverse door Huizon ingestelde vorderingen. Wat betreft de vordering sub (i) en de subsidiaire vordering sub (ii) volstaat het hof met een verwijzing naar de voorgaande overwegingen. Wat betreft de subsidiair vorderingen sub (iii) en (iv) overweegt het hof dat die vorderingen veronderstellen dat het College of de Gemeente met Huizon lopende onderhandelingen heeft afgebroken, maar dat Huizon onvoldoende geconcretiseerd heeft gesteld dat zij met de Gemeente in onderhandeling was. Dit laatste hangt samen met de formulering van de bedoelde vorderingen. Beide vorderingen (zie hiervoor onder 2.4) betroffen een verklaring voor recht die met zoveel woorden van ‘onderhandelingen’ spreekt. Wat het hof klaarblijkelijk bedoelt is dat de stellingen van Huizon niet gemotiveerd inhouden dat tussen partijen – afgezien van het traject dat partijen naar aanleiding van de voorovereenkomst van 5 april 2002 hebben doorlopen en dat het hof in de voorafgaande overwegingen uitvoerig had besproken – nog
anderszinsis onderhandeld.
zelfstandigebeslissingsvrijheid heeft. [22]
onderdelen IIb en IIcandere (begrijpelijk toegelichte) klachten te lezen dan hiervoor reeds zijn besproken.