Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
uitkwam” en wenste geen contact met haar. De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken ter zake van de onder 1 tenlastegelegde belaging, wegens het ontbreken van het oogmerk om [aangeefster] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden of vrees aan te jagen. Ook heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit, te weten het gebruik van een verborgen camera jegens verscheidene (onbekend gebleven) minderjarige personen, aanwezig op een voor het publiek toegankelijke plaats. Het onder 2 tenlastegelegde, het (meermalen) vervaardigen van een afbeelding van [aangeefster] in haar woning door middel van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, achtte de rechtbank wel bewezen. De verdachte is daarvoor veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, waaraan verscheidene bijzondere voorwaarden waren verbonden.
middelklaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de daarin voorkomende term ‘oogmerk’, althans dat het hof de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit ontoereikend heeft gemotiveerd.
oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen”, aldaar zijn gebruikt in dezelfde betekenis als de betekenis die toekomt aan gelijkluidende termen in dit wetsartikel.
Van Daleals zijnde
“iemand, die een anders leven of vrijheid op arglistige, bedekte wijze bedreigt”. Voor zover relevant wordt belaging in de memorie als volgt toegelicht:
Bij belaging wordt iemand opzettelijk door een ander herhaaldelijk lastig gevallen en wordt daardoor een inbreuk gemaakt op iemands persoonlijke levenssfeer. Dit kan door een en dezelfde activiteit, maar ook door middel van een variëteit aan gedragingen, zoals bijvoorbeeld het op straat achtervolgen, bedreigingen uiten, telefonisch of schriftelijk ongewenst benaderen, voor de woning of werkplek posten, het ongewenst bestellen van goederen en diensten op naam en op rekening van het slachtoffer, het laten bezorgen van grafkransen en het plaatsen van overlijdensadvertenties, het ongevraagd geven van opdrachten op naam van het slachtoffer, het verspreiden van valse geruchten over het slachtoffer, het bekladden van de woning, het beschadigen, vernielen of verplaatsen van goederen, het onder valse voorwendselen informatie inwinnen bij instanties over het slachtoffer, het telkenmale nodeloos aanspannen van gerechtelijke procedures etc. De gedragingen behoeven zich niet louter tot het slachtoffer uit te strekken, ook familieleden, de werkgever, collega’s, vrienden en kennissen kunnen door de belager worden geterroriseerd. Als gevolg van de diepgaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt het slachtoffer vaak bang of onzeker. Een normaal functioneren is in veel gevallen onmogelijk.” [5]
steedsbewust is geweest van de belagingshandelingen, [11] maar over de implicaties van de (on)bekendheid van de belaagde met de handelingen van de belager als het gaat om diens oogmerk, heeft de Hoge Raad zich bij mijn weten nog niet uitgelaten.
In het voorgestelde belagingsartikel is de oogmerkbepaling opgenomen na het bestanddeel «wederrechtelijk», zodat dat bestanddeel zijn uitstraling naar de oogmerkbepaling heeft. Het oogmerk is een bestanddeel van psychische aard. Het moet bestaan hebben op het moment dat de belager zijn gedragingen verrichtte. Bij oogmerk moet er een opzet op het gevolg zijn, het oogmerk is er op gericht. Het door de belager nagestreefde gevolg hoeft evenwel niet gerealiseerd te zijn. De strafwaardigheid is dan ook niet afhankelijk van het intreden van de gevolgen. Er is geen resultaatsverbintenis. Ontkent de dader dat hij de gevolgen wilde, dan moet gekeken worden naar wat er uit de gedragingen voortvloeide en wat daaruit objectief gezien afgeleid kan worden. De initiatiefnemers verwachten dat de rechter de «oogmerkjurisprudentie» ook op de onderhavige delictsomschrijving zullen toepassen. De initiatiefnemers hebben de bepaling opgenomen om een zekere begrenzing aan het inbreuk maken op eens anders persoonlijke levenssfeer aan te geven. Het hart van de bepaling zit echter, zo beantwoorden de indieners ook een vraag van de PVDA-fractieleden, in het stelselmatig inbreuk maken op die persoonlijke levenssfeer.” [12]
een vreemde eend in de bijt”. Geconfronteerd met de vraag of de toevoeging van het oogmerkvereiste bewijsrechtelijk niet eerder een bemoeilijkend effect heeft, dan dat zij materieel iets aan de delictsomschrijving toevoegt, stelde hij dat het idee nu juist was de bepaling een niet al te groot bereik te geven door middel van de toevoeging van het oogmerk om “
de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wat in [te perken]”. [14]
potentiëleinvloed die het stiekeme gedrag kan hebben op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, vergt een ingewikkelde en zeer subjectieve exercitie, waarmee de kern – de bedoeling van de belager – uit het oog dreigt te worden verloren, omdat bekendheid met veel contextuele omstandigheden nodig is om tot een zodanig oordeel te komen.