Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag dat het vonnis van de politierechter in Rotterdam bevestigde. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 dagen wegens eenvoudige belediging van een ambtenaar tijdens diens rechtmatige bediening.
In cassatie werd aangevoerd dat het hof heeft verzuimd de motieven voor de oplegging van de vrijheidsbenemende straf in het bijzonder op te geven, zoals vereist op grond van artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De politierechter had in zijn vonnis slechts algemeen verwezen naar de ernst van het feit en eerdere veroordelingen, zonder ondubbelzinnig te maken dat hij zich bewust was van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
De Hoge Raad oordeelt dat deze strafmotivering niet voldoet aan de wettelijke eisen en dat dit verzuim leidt tot nietigheid van het vonnis op grond van artikel 359, achtste lid, Sv. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging.
Er zijn geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen. De zaak wordt aldus beperkt vernietigd en terugverwezen, waarbij de overige aspecten van het vonnis ongewijzigd blijven.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens ontbreken van een deugdelijke motivering van de vrijheidsbenemende straf en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling.