ECLI:NL:PHR:2019:1351

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2019
Publicatiedatum
17 december 2019
Zaaknummer
18/05116
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266.1 SrArt. 267.2 SrArt. 359.6 SvArt. 359.8 SvArt. 9a Sr
Verwijzingen
16 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid strafoplegging wegens ontbreken motivering vrijheidsbenemende straf bij eenvoudige belediging ambtenaar

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag dat het vonnis van de politierechter in Rotterdam bevestigde. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 dagen wegens eenvoudige belediging van een ambtenaar tijdens diens rechtmatige bediening.

In cassatie werd aangevoerd dat het hof heeft verzuimd de motieven voor de oplegging van de vrijheidsbenemende straf in het bijzonder op te geven, zoals vereist op grond van artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De politierechter had in zijn vonnis slechts algemeen verwezen naar de ernst van het feit en eerdere veroordelingen, zonder ondubbelzinnig te maken dat hij zich bewust was van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.

De Hoge Raad oordeelt dat deze strafmotivering niet voldoet aan de wettelijke eisen en dat dit verzuim leidt tot nietigheid van het vonnis op grond van artikel 359, achtste lid, Sv. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging.

Er zijn geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen. De zaak wordt aldus beperkt vernietigd en terugverwezen, waarbij de overige aspecten van het vonnis ongewijzigd blijven.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens ontbreken van een deugdelijke motivering van de vrijheidsbenemende straf en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/05116
Zitting5 november 2019

CONCLUSIE

P.C. Vegter
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte
Bij arrest van 29 november 2018 heeft het Gerechtshof Den Haag, met overneming van gronden bevestigd het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 30 april 2018, waarbij de verdachte wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, veroordeeld is tot een gevangenisstraf van 12 dagen en waarbij de tenuitvoerlegging is gelast van een gedeelte van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het
middelklaagt dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
4. In het door het hof bevestigde vonnis heeft de politierechter ten aanzien van de strafoplegging als volgt overwogen:
“De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van een politieagent. Dit is een ernstig strafbaar feit, waardoor de verbalisant in kwestie zich in zijn goede eer en naam aangetast voelde.
In het nadeel van de verdachte wordt rekening gehouden met het feit dat hij, blijkens het op zijn naam staande uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 23 april 2018 al meerdere malen eerder is veroordeeld voor ditzelfde feit. Sterker nog, de vordering tenuitvoerlegging ziet ook op een veroordeling wegens belediging. Hij wist dus dat hij zijn onvrede niet op deze manier moest uiten. Kennelijk heeft de verdachte geen lering getrokken uit eerdere veroordelingen, want het heeft hem er niet van weerhouden onderhavig feit te plegen. Toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht of het opleggen van een voorwaardelijke geldboete zijn daarom een gepasseerd station. Het verweer van de raadsvrouw zal dan ook niet worden gevolgd.”
5. Art. 359, zesde lid, Sv moet zo worden uitgelegd dat uit de strafmotivering expliciet moet blijken dat de rechter onder ogen heeft gezien dat hij een straf of maatregel oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt door in de strafmotivering tot uitdrukking te brengen dat een dergelijke sanctie wordt opgelegd en die sanctieoplegging te verbinden met in de strafmotivering opgegeven redenen. [1] Door in de strafmotivering slechts te verwijzen naar de “De straf die aan de verdachte wordt opgelegd”, heeft de politierechter niet ondubbelzinnig doen blijken dat hij onder ogen heeft gezien dat een straf wordt opgelegd die vrijheidsbeneming met zich brengt. De door het hof bevestigde strafmotivering van de politierechter bevat daarmee, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv Pro, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid. [2]
6. Het middel slaagt.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat de strafoplegging betreft, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2191, NJ 2016/437, HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1774, en HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2196.
2.HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2202, HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2495, en HR 6 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:152.