Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
6 februari 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor meerdere verkeersovertredingen, waaronder het rijden onder invloed en het besturen van een voertuig zonder geldige rijbevoegdheid. Het hof legde een gevangenisstraf van vier weken op, waarvan twee weken voorwaardelijk, mede vanwege eerdere veroordelingen van de verdachte voor soortgelijke feiten.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof in strijd met artikel 359, zesde lid, Sv heeft nagelaten de specifieke redenen te geven waarom een vrijheidsbenemende straf werd opgelegd in plaats van een taakstraf. De Hoge Raad oordeelde dat het arrest inderdaad niet voldeed aan de motiveringsvereisten van artikel 359, zesde lid, Sv, omdat het hof niet expliciet heeft toegelicht waarom een taakstraf onvoldoende was.
Dit gebrek aan motivering leidt volgens artikel 359, achtste lid, Sv tot nietigheid van het strafopleggingsdeel van het arrest. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van de strafoplegging. Het overige van het arrest werd gehandhaafd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor het onderdeel strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.