Conclusie
Nummer 18/05164
Het verweer en de verwerping
“rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of indien bij die uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop dit ontzegging is verstreken”.
“indien ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan de houder in geval van veroordeling door een rechter (....) geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende welke de bewijzen zijn ingevorderd of ingevorderd zijn geweest”.
Enkele opmerkingen over artikel 164, zesde lid, WVW 1994
Bespreking van de middelen
eerstemiddel klaagt dat het hof bij de beoordeling van de vraag of artikel 164, zesde lid, WVW 1994 is geschonden een onjuist criterium heeft gehanteerd. Het hof zou als criterium hebben gehanteerd ‘of de mogelijkheid open was dat een rijontzegging werd opgelegd van langere duur dan de invordering had geduurd’. Het
tweedemiddel klaagt dat het hof het verweer dat art. 164, zesde lid, WVW 1994 is geschonden nu het rijbewijs ‘te lang ingevorderd is gehouden’ niet dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking
derdemiddel klaagt (zo begrijp ik) dat het hof het verweer dat door het openbaar ministerie zodanig is gehandeld dat niet-ontvankelijkheid op grond van het Zwolsman- dan wel het Karman-criterium had moeten volgen, niet dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
NJ1999/567 m.nt. Schalken sprake van was. [29] Het openbaar ministerie had aan de verdachte toegezegd om een eventueel door de rechter opgelegde gevangenisstraf niet ten uitvoer te leggen. Het fundamentele karakter van deze rechtsschending leidde tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Van een vergelijkbare rechtsschending is hier geen sprake; de verdediging heeft dat ook niet beargumenteerd. Het openbaar ministerie weigert niet het vonnis uit te voeren, maar ziet daarin geen beletsel voor een langere inhouding van het rijbewijs. Dat schaadt belangen van de verdachte, die zich daar via een klaagschrift tegen kan verweren.