Conclusie
Standpunt van de verdediging
Stb. 1935, 554), welke bepaling is gewijzigd bij de Wet van 15 mei 1991, houdende wijziging van de Wegenverkeerswet (invordering en inhouding rijbewijzen),
Stb.1991, 291. Bij deze wet van 15 mei 1991 zijn tevens ingevoerd de bepalingen die (voor slechts enkele jaren) hun wettelijke vindplaats vonden in de artikelen 27, vierde lid, 32, derde lid, en 39, zevende lid, WVW (oud;
Stb. 1935, 554) en die als voorlopers kunnen worden beschouwd van onderscheidenlijk de huidige artikelen 164, zesde lid, en 9, zevende lid, WVW 1994. Om de wetsgeschiedenis van deze bepalingen te achterhalen, is het voor de beoordeling van het middel dus ook van belang kennis te nemen van de parlementaire stukken aangaande de bedoelde wet van 15 mei 1991, naast die welke betrekking hebben op de WVW 1994.
Stb.1991, 291 houdt onder meer het volgende in:
Stb.1994, 475, voorzag vervolgens in een wijziging van de – dus vrij kort daarvoor in respectievelijk art. 32, derde lid, art. 27, vierde lid, en in art. 39, zevende lid, WVW (oud) opgenomen – voorlopers van de huidige artikelen 9, zevende lid, 164, zesde lid, en 179, zesde lid, WVW 1994. De parlementaire geschiedenis houdt over deze laatstgenoemde bepalingen – die aanvankelijk in het wetsvoorstel in de artikelen 8, vijfde lid, 155, vijfde lid, en 169, zevende lid, WVW 1994 hun beslag hadden gekregen – het volgende in:
vijfde lidheeft betrekking op het op de weg besturen van een motorrijtuig terwijl het daarvoor vereiste rijbewijs ingevolge artikel 155 is Pro ingevorderd. Dit verbod dat thans nog voortvloeit uit artikel 9, eerste lid, onder 3e, van de Wegenverkeerswet, zal in het kader van het bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel inzake de invordering en inhouding van rijbewijzen (kamerstukken II, 1987-1988, 20591) als derde lid aan vorengenoemd artikel 32 van Pro de Wegenverkeerswet worden toegevoegd. De bepaling is hier ongewijzigd overgenomen, behoudens aanpassing aan het slot voor wat betreft de juridische bestuurder.
eerste tot en met derde lidworden de strafbare feiten, ter zake waarvan de bijkomende straf kan worden opgelegd, opgesomd. Het
vierde en vijfde lidvoorzien, evenals de overeenkomstige leden van artikel 39 van Pro de Wegenverkeerswet, in verdubbeling van de maximum termijn waarvoor de bijkomende straf kan worden opgelegd, in gevallen van recidive.
zevende lidgeheel in mindering te worden gebracht op die straf. Ten opzichte van artikel 39, zevende lid, van de Wegenverkeerswet, waar sprake is van een
bevoegdheidvan de rechter, is hier derhalve sprake van een wijziging. De verplichte aftrek sluit aan bij de artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht gegeven regeling voor het geheel in mindering brengen van de voorlopige hechtenis.” [6]
NJ2020/131 –, dat het hof in deze zaak heeft gedwaald “nu blijkens het arrest aan de omstandigheid van het ontbreken van onherroepelijkheid van de uitspraak van 4 september 2018, een betekenis werd toegekend welke daaraan niet toekwam” en dat “de vordering tot afgifte van het rijbewijs haar kracht [verloor] na de uitspraak van de politierechter van 4 september 2018, nu daar enkel een geheel voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden werd uitgesproken”.
Ten eerste: de in art. 164 WVW Pro 1994 bedoelde vordering tot overgifte van het rijbewijs is een steunbevoegdheid die – net als de bevoegdheden die zij beoogt te steunen, te weten de invordering en inhouding van het rijbewijs – strekt tot bescherming van de verkeersveiligheid.
Ten tweede: het in art. 9, zevende lid, WVW 1994 neergelegde verbod om een motorrijtuig te besturen terwijl niet is voldaan aan de vordering tot overgifte van het rijbewijs beoogt mede de effectieve invordering en inhouding van het rijbewijs te verzekeren en dient ook daarom het belang van de bescherming van de verkeersveiligheid.
Ten derde: niettegenstaande dat de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs in tijd is begrensd en deze begrenzing doorwerkt in de in art. 9, zevende lid, WVW 1994 neergelegde strafbaarstelling van het rijden na de invordering (en inhouding) van het rijbewijs dat niet is teruggegeven, is de duur van de vordering tot overgifte van het rijbewijs niet uitdrukkelijk gelimiteerd en klinkt een limitering evenmin duidelijk door in de strafbaarstelling van het rijden tijdens het niet-voldoen aan de vordering tot overgifte van het rijbewijs als bedoeld in art. 9, zevende lid, WVW 1994.
NJ2005/262 oordeelt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.5 dat de veiligheidsmaatregelen van invordering en eventuele inhouding van het rijbewijs slechts hun rechtskracht verliezen door teruggave van het rijbewijs op een daartoe strekkende beslissing van de officier van justitie, dan wel door een door de rechter gegeven last tot teruggave naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 164, achtste lid, WVW 1994. In zijn arrest van 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:453,
NJ2020/131 (rov. 2.2.3) overweegt de Hoge Raad dat de officier van justitie ingevolge het bepaalde in art. 164, zesde lid, WVW 1994 het ingevorderde of ingehouden rijbewijs dient terug te geven in geval aan de verdachte een onvoorwaardelijke rijontzegging is opgelegd en het onvoorwaardelijke gedeelte van die ontzegging korter is dan – of zodra het gelijk wordt aan – de periode die het rijbewijs ingevorderd of ingehouden is geweest. [26] Dat een rechtsmiddel is ingesteld tegen de beslissing waarbij de (deels) onvoorwaardelijke rijontzegging is opgelegd, doet niet eraan af dat de officier van justitie het rijbewijs dient terug te geven.
NJ2020/131 niet de gedachte worden ontleend dat de vordering tot overgifte van het rijbewijs haar rechtskracht verliest op het moment waarop een ingevorderd of ingehouden rijbewijs ingevolge het bepaalde in art. 164, zesde lid, WVW zou moeten worden teruggeven. Evenmin kan uit de hiervoor genoemde arresten de stelling worden afgeleid dat het besturen van een motorrijtuig, terwijl niet is voldaan aan de vordering tot overgifte van het rijbewijs, slechts gedurende een bepaalde periode strafbaar is.
NJ2020/131 voor de hand dat de strafbaarheid van het besturen tijdens het niet-naleven van de vordering tot overgifte van het rijbewijs eindigt op het moment dat de noodzaak om het rijbewijs fictief terug te geven volgt uit de niet-onherroepelijke uitspraak waarbij de rechter naar aanleiding van het feit waarvoor de overgifte van het rijbewijs is gevorderd, al dan niet een onvoorwaardelijke rijontzegging heeft opgelegd.
NJ2020/131 op basis van een niet-onherroepelijke uitspraak van de rechter voor teruggave van het rijbewijs in aanmerking wil komen, moet hij op enig moment daadwerkelijk voldoen aan de vordering tot overgifte. In dat geval is de verdachte weliswaar zijn rijbewijs feitelijk kwijt, en is hij tevens strafbaar als hij rijdt zonder dat het overgelegde rijbewijs aan hem is teruggegeven, maar dat neemt niet weg dat hij op grond van art. 164, vierde en zesde lid, WVW 1994 aanspraak kan maken op teruggave van het rijbewijs zodra daarvoor vanwege de (te verwachten) duur van de onvoorwaardelijke rijontzegging aanleiding bestaat. Dat de verdachte die niet voldoet aan de vordering tot overgifte wat betreft de duur van het in art. 9, zevende lid, WVW neergelegde verbod om een motorrijtuig te besturen in een slechtere positie kan komen te verkeren dan de verdachte die zijn rijbewijs overgeeft, is ook niet vreemd gelet op de achtergrond van de uitbreiding van deze strafbaarstelling tot personen die rijden zonder te voldoen aan de vordering tot overgifte. Met die uitbreiding werd immers – zo blijkt uit het hiervoor onder V. weergegeven wettelijke kader – beoogd de effectieve invordering en inhouding van het rijbewijs te bevorderen. Tegen die achtergrond valt te rechtvaardigen dat de verdachte die zijn rijbewijs niet overgeeft langer met een strafrechtelijk gesanctioneerd verbod om te besturen kan worden geconfronteerd dan de verdachte die wel meewerkt en zijn rijbewijs inlevert.