Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Ten aanzien van feit 1
4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 juli 2015 van de politie Eenheid Den Haag met nummer PL1500-2015194582-20. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (pagina's 47 t/m 48):
eerste middelkomt met drie deelklachten op tegen het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen van brandstichten. Het hof heeft volgens de steller van het middel (1) de bewezenverklaring niet mogen baseren op een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar dat slechts de inhoud van de camerabeelden overbrengt en (2) niet begrijpelijk geoordeeld dat opsporingsambtenaar [verbalisant 1] de verdachte heeft herkend op de camerabeelden die hij heeft bekeken. Voorts (3) is het hof niet begrijpelijk, dan wel op ontoereikende gronden afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van opsporingsambtenaar [verbalisant 1] uitgesloten hadden moeten worden van het bewijs.
isherkend, maar niet dat
hijde verdachte heeft herkend. Ook de bewijsoverwegingen bieden in dat opzicht geen soelaas, aldus het middel. Deze klacht is gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest. In het tot bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal wordt inderdaad gerelateerd dat de man die (door een ander of anderen) aan de hand van beeldmateriaal van de ongeregeldheden, waarop een persoon zichtbaar was met een witte pet en wit T-shirt die met een megafoon de menigte toesprak, is herkend als zijnde [verdachte], en daarnaast heeft opsporingsambtenaar [verbalisant 1] aan de hand van de door hem bekeken camerabeelden van de ongeregeldheden een man die een wit shirt en een witte baseballpet droeg en de menigte toesprak middels een megafoon, aangeduid als de verdachte. Het hof heeft hieromtrent overwogen:
Verzoek tot bewijsuitsluiting
tweede middelkomt op tegen ’s hofs verwerping van het namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van opsporingsambtenaar [verbalisant 2] uitgesloten hadden moeten worden van het bewijs. De steller van het middel klaagt dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven voor zijn afwijkende oordeel hieromtrent en voor zover het dat wel zou hebben gedaan, dat die verwerping niet begrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd is.
derde middelklaagt over ’s hofs gebruik van de verklaring van opsporingsambtenaar [verbalisant 2] voor het onder 2 en 3 bewezenverklaarde, aangezien dat gebruik in strijd is met verdachtes recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro, althans over ’s hofs afwijzende oordeel van het namens de verdachte gedane verzoek die [verbalisant 2] als getuige te horen.
‘in de gelegenheid die de verdediging is geboden om opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3] te ondervragen’. [17] ’s Hofs kennelijke oordeel dat met het gebruik van [verbalisant 2] haar verklaring voor het bewijs geen afbreuk is gedaan aan verdachtes recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro, acht ik in het licht van het voorgaande niet onbegrijpelijk. De eerste deelklacht faalt.
[verbalisant 4](a)
en [verbalisant 2](b), stelt het hof voorop dat dit verzoek – anders dan het verzoek tot het als getuige horen van vorenbedoelde [verbalisant 1] en [verbalisant 3] – is gegrond op het twistpunt of de verdachte terecht is aangemerkt als de persoon waarop de door de verbalisanten gedane waarnemingen betrekking hebben.
vierde middelklaagt over ’s hofs oordeel dat de inbreuk op het ondervragingsrecht voldoende is gecompenseerd en over ’s hofs verwerping van het namens de verdediging gevoerde verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, dan wel tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van de getuigen [verbalisant 4] en [verbalisant 2].
de onzekerheid over de eerlijkheid van het proces, die door de inbreuk op het ondervragingsrecht is ontstaan”ook is gecompenseerd door de gelegenheid die de verdediging is geboden om andere opsporingsambtenaren te ondervragen, te weten de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3].
vijfde middelklaagt over de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit, dan wel over ’s hofs verwerping van het verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde.
zesde middelklaagt dat de redelijke (inzend)termijn, als bedoeld in art. 6 EVRM Pro, is overschreden, nu tussen het instellen van cassatie en het insturen van het dossier naar de griffie een periode van meer dan acht maanden is verstreken.