Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte, alsmede de verwerping door het gerechtshof van het Meer en Vaart-verweer c.q. het geschetste alternatieve scenario onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. De toelichting op het middel behelst een tweede klacht, die inhoudt dat niet voldaan is aan het gestelde bewijsminimum als bedoeld in artikel 342 Sv Pro.
Feit 1
aangifte van [betrokkene 1], zakelijk weergegeven:
verklaring van [betrokkene 2], zakelijk weergegeven:
relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:
NJ2010/515).’
split-second.’
tweedemiddel klaagt dat redelijke termijn in cassatie – waaronder begrepen de inzendingstermijn die acht maanden bedraagt – is overschreden. [3]
derdemiddel klaagt dat het hof ten nadele van de verdachte ten onrechte geen rekening gehouden heeft ‘met de toepassing van de samenloopregeling als bedoeld in artikel 56 Sr Pro., waardoor de strafoplegging onvoldoende is gemotiveerd, althans zonder nadere motivering niet begrijpelijk is’. De beslissing van het hof zou hierdoor in strijd zijn met het ne bis in idem-beginsel. De toelichting houdt in dat sprake is van eendaadse samenloop. Daartoe wordt aangevoerd dat het slaan met gebalde vuist in het gezicht van [betrokkene 2] zowel diefstal gevolgd van geweld om de vlucht mogelijk te maken of om het bezit van het gestolene te verzekeren (feit 1) oplevert als het wederrechtelijk dwingen van [betrokkene 2] om de verdachte los te laten (feit 2).
NJ2019/116 m.nt. Mevis, heeft Uw Raad het volgende overwogen:
- (…)