De zaak betreft een beklag ex art. 552a Sv door de erfgename van een overleden verdachte over de teruggave van in beslag genomen geldbedragen. De verdachte was veroordeeld en het geld verbeurd verklaard, maar na cassatie en terugwijzing overleed de verdachte waarna het hof het OM niet-ontvankelijk verklaarde.
De erfgename vorderde teruggave van het beslag, maar het hof verklaarde het klaagschrift ongegrond omdat het beslag volgens het hof nog steeds een strafvorderlijk belang diende vanwege de verdachte herkomst van het geld en ongeloofwaardige verklaringen van de verdachte.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd welk strafvorderlijk belang nog bestaat nu de strafzaak is geëindigd in niet-ontvankelijkheid wegens overlijden. Verbeurdverklaring is niet meer mogelijk, onttrekking aan het verkeer is uitgesloten voor geld, en het recht tot strafvordering vervalt door overlijden.
De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en wijst de zaak terug naar het hof voor nieuwe behandeling van het klaagschrift met correcte motivering over het strafvorderlijk belang. Tevens wordt gewezen op de mogelijkheid van hernieuwde verdenking en het belang van de erfgename bij het melden van verdachte goederen.