Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
€ 1.326.000 bijgeschreven ten laste van de BV met de omschrijving “
(...) Voorschot liquidatie [A] BV”. In de jaarrekening over 2005 van de BV is de overboeking van
€ 1.326.000 naar belanghebbende verwerkt als een rekening- courantvordering van de BV op belanghebbende. Hierover is in 2005 een rente berekend van € 30.365, waardoor de vordering op belanghebbende volgens de jaarrekening per ultimo 2005 € 1.356.365 bedroeg.
“Slotuitk. liquidatiesaldo”.
liquidatie-uitkering bij voorbaat, tot een bedrag gelijk aan de per 02 januari 2006 ten laste van gemelde aandeelhouders jegens de vennootschap openstaande schulden in rekening courant, zijnde:
(...)
(€ 1.356.365 + € 23.005 -/- € 4.720).
liquidatie- uitkering uit de BV dus belastbaar, nu de BV was gevestigd in Nederland, maar is het te belasten voordeel beperkt tot € 1.374.650 (€ 1.379.370 min de verkrijgingsprijs van € 4.720).
Miljoen [12] van het HvJ [13] kan naar het oordeel van het Hof hem niet baten omdat ingezeten en niet- ingezeten belastingplichtigen met een box 2-inkomen gelijk worden behandeld:
Iiquidatie-uitkering anderzijds. In het geval van verkoop wordt namelijk de koopsom verkregen van de koper van de aandelen, terwijl de Iiquidatie-uitkering wordt verkregen van de vennootschap waarin de aandelen worden behouden.
3.Het geding in cassatie
4.Fiscale behandeling liquidatie-uitkeringen in Nederland
Wetgeving
Hofstrageschreven: [16]
5.OESO-Modelverdrag en Verdrag Nederland-België
Verdragtekst
BNB2004/123 overwogen dat het door een in België woonachtige belastingplichtige behaalde voordeel met inkoop van aandelen niet onder het dividendbegrip van artikel 10 van Pro het oude Verdrag Nederland-België viel maar werd gekwalificeerd als vervreemdingswinst op grond van artikel 13 Verdrag Pro Nederland: [20]
BNB2007/41 herhaald voor het door Nederland belasten van liquidatie-uitkeringen aan een in België wonende belastingplichtige in de Nederlandse inkomstenbelasting. Naar het oordeel van de Hoge Raad valt een liquidatie-uitkering niet onder artikel 10 van Pro het oude Verdrag Nederland-België maar onder artikel 13 ter Pro zake van vervreemdingswinst: [21]
Peetersniet op grond van het verdrag in de vorm van bronheffing te geschieden: [24]
OESO-commentaar bepaalt inderdaad expliciet dat uitkeringen door een vennootschap die tot gevolg hebben dat de maatschappelijke rechten in de vennootschap verlagen, normaliter niet onder het dividendbegrip vallen. Inkomsten uit de vervreemding van vennootschappelijke rechten zoals hierboven uiteengezet vallen bovendien normaliter ook niet onder art. 10 maar Pro onder art. 13. Dit geldt voor inkoop omdat men zijn aandelen verkoopt aan de vennootschap en in wezen voor de sluiting van een liquidatie omdat de aandelen ingetrokken worden en dus in wezen ook aan de vennootschap vervreemd worden. Datzelfde OESO-commentaar bepaalt in tegenstelling hiermee echter dat liquidatieboni en zogenaamde ‘verdoken dividenden’ eventueel wel onder het dividendartikel kunnen vallen. Deze problematiek is in België nog niet echt aan de orde geweest aangezien de inkoop van eigen aandelen in België vrijgesteld was van roerende voorheffing (zie WIB, art. 264(2)). In Nederland, waar deze inkomsten onder het interne recht al lang aangezien werden als dividend onderworpen aan de Nederlandse dividendbelasting heeft de vraag of de inkoop van eigen aandelen onder art. 10 valt Pro, dus met recht van de bronstaat om dividendbelasting te heffen, of ander art. 13, dus zonder recht tot heffing in de bronstaat, echter tot een hele controverse geleid die uiteindelijk voerde tot een arrest van de Hoge Raad waarin beslist werd dat inkomsten uit inkoop eigenlijk onder beide artikelen zouden kunnen ressorteren, maar dat art. 10 voorrang Pro heeft. Gezien bovenstaande onzekerheden is het dan ook niet verwonderlijk dat de onderhandelende Staten deze materie expliciet hebben willen regelen in het Protocol. Het protocol bevat nu, zoals eerder reeds gemeld, de expliciete bepaling dat inkomsten uit de inkoop van eigen aandelen en liquidatieboni onder art. 10 ressorteren Pro en niet onder art. 13.
liquidatie-uitkering door Nederland en België geschreven: [27]
6.Vrijheid van kapitaalverkeer
Wetgeving
Kerckhaert en Morresheeft het HvJ geoordeeld dat de nadelige gevolgen van de inkomensheffing van België bij de ontvangst van dividenden uit het buitenland door een in België woonachtige aandeelhouder het gevolg zijn van een parallelle uitoefening van belastingbevoegdheid door twee lidstaten: [31]
Orange European Smallcap Fundgeoordeeld dat Nederland, als de lidstaat van de dividend ontvangende vennootschap, een fiscaal nadeel dat voortvloeit uit een opeenvolgende belastingheffing die geheel plaatsvindt in de lidstaat van vestiging van de dividend uitkerende vennootschap, niet hoeft te compenseren: [32]
Damseauxgeoordeeld dat in een situatie waarin zowel de bronstaat van de dividenden als de woonstaat van de aandeelhouder deze dividenden belast, geen onoverkomelijke verplichting op de woonstaat rust tot voorkoming van de daaruit voortvloeiende juridische dubbele belasting: [33]
Miljoen,
Xen
Société Généralegeoordeeld dat de heffing van dividendbelasting in strijd is met de vrijheid van kapitaalverkeer als niet ingezetenen worden geconfronteerd met een zwaardere belastingdruk dan ingezetenen: [34]
niet-ingezetenen ervan doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of ingezetenen van deze lidstaat ontmoedigen in andere staten investeringen te doen (arrest Santander Asset Management SGIIC e.a., C-338/11–C-347/11, EU:C:2012:286, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Miljoengeoordeeld dat 15% dividendbelasting over de ontvangen dividenden niet een belemmering van het kapitaalverkeer vormt: [37]
€ 149.132 = € 1789. Dit betekent dat de belastingdruk voor belanghebbende lager is dan de definitieve belastingdruk voor een inwoner van Nederland. Derhalve is geen sprake van een schending van de vrijheid van kapitaalverkeer. De middelen falen.
Riskin en Timmermansis net als in de zaken
Kerckhaert en Morres [38] ,
Damseaux [39] sprake van dubbele belasting op dividenden die zijn uitgekeerd aan natuurlijke personen die inwoner zijn van België. In beginsel wordt, omdat het forfaitaire gedeelte van buitenlandse belastingen voor natuurlijke personen in België is afgeschaft, de buitenlandse belasting op ontvangen dividenden niet meer verrekend. In het Pools-Belgische verdrag wordt verwezen naar het interne Belgische recht terwijl België ook dubbelbelastingverdragen heeft gesloten waarin wel dubbele belasting wordt verrekend. Het HvJ oordeelt dat Belgische inwoners die Poolse dividenden ontvangen, zich niet in een situatie bevinden die objectief vergelijkbaar is met inwoners die dividenden ontvangen uit een land waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft dat voorziet in onvoorwaardelijke verrekening: [40]
7.Heffingsrente
Wetgeving
BNB2009/295 geoordeeld dat onder omstandigheden het zorgvuldigheidsbeginsel mee kan brengen dat geen heffingsrente in rekening mag worden gebracht dan wel dat die dient te worden beperkt: [42]
BNB2011/138 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij het opleggen van een definitieve aanslag de inspecteur met zorgvuldigheid kennis moet nemen van de inhoud van de aangifte en, indien hij aan de juistheid van de in de aangifte opgenomen gegevens twijfelt, een nader onderzoek moet instellen. Het belopen van de heffingsrente is een gevolg van de omstandigheid dat de belastingplichtige een onjuiste aangifte heeft gedaan: [43]
8.Beoordeling van de klachten
niet-ingezetene. Belanghebbende wijst erop dat de in België woonachtige
(groot-)aandeelhouder niet volledig de ingehouden Nederlandse dividendbelasting kan verrekenen.
niet-ingezeten aanmerkelijk belanghouder die een liquidatie-uitkering heeft ontvangen van een Nederlandse vennootschap. Gelet op het arrest
Miljoenlegt het Hof hier de juiste vergelijkingsmaatstaf aan. Nagegaan dient te worden of uiteindelijk in Nederland de belastingdruk zwaarder is voor niet-ingezeten dan voor ingezetenen voor dezelfde liquidatie-uitkering. [51]
Miljoenwordt als vergelijkingsmaatstaf aangelegd: “of voor de betrokken dividenden de toepassing op verzoekers in de hoofdgedingen van de in de nationale wettelijke regeling voorziene bronheffing van 15 % ertoe leidt dat voor die verzoekers uiteindelijk in Nederland de belastingdruk zwaarder is dan voor ingezetenen voor dezelfde dividenden”. [57]
Damseauxheeft het HvJ geoordeeld dat dividenden die door een in een lidstaat gevestigde onderneming aan een in een andere lidstaat wonende aandeelhouder worden uitgekeerd, aan een juridische dubbele belastingheffing kunnen worden onderworpen wanneer beide lidstaten hun belastingbevoegdheid wensen uit te oefenen en deze dividenden wensen te belasten bij de aandeelhouder. [65] Vervolgens overweegt het HvJ dat de nadelen die uit de parallelle uitoefening van belastingbevoegdheden door verschillende lidstaten kunnen voortvloeien, voor zover deze uitoefening geen discriminatie oplevert, geen door het EG-Verdrag verboden beperkingen vormen. [66]
Orange European Smallcap Fundheeft het HvJ geoordeeld dat het gemeenschapsrecht een lidstaat niet verplicht om het nadeel te compenseren dat voortvloeit uit een opeenvolgende belastingheffing die uitsluitend het resultaat is van de parallelle uitoefening van de fiscale bevoegdheden waarover de verschillende lidstaten beschikken. [67]
BNB2011/138 [84] geoordeeld dat het belopen van heffingsrente in het onderhavige geval een gevolg is van de omstandigheid dat de belastingplichtige een onjuiste aangifte heeft gedaan. Naar het oordeel van de Rechtbank kan niet worden gezegd dat de Inspecteur onzorgvuldig handelt doordat hij in een dergelijk geval bij de correctie overeenkomstig de wettelijke bepalingen heffingsrente in rekening brengt. [85]