Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Feiten
3.Het geding in cassatie
4.Werkkostenregeling – gebruikelijkheidseis
Wettekst
BNB1995/255 ter zake van de totale omvang van de op inkomsten uit dienstbetrekking drukkende kosten van een bepaalde soort geoordeeld dat is vereist dat deze als redelijkerwijs normaal moeten kunnen worden beschouwd: [45]
BNB1996/128 geoordeeld dat de beperking tot ‘hetgeen gebruikelijk is’ niet aldus moet worden uitgelegd dat aftrek slechts mogelijk is tot ‘een gemiddeld bedrag’: [46]
Redactie van Fiscaal up to Datemeent dat de onderhavige verstrekking naar haar aard gebruikelijk is: [50]
Redactie van Vakstudie-Nieuwsmeent dat geen sprake is van een overtuigende uitspraak van het Hof: [51]
Redactie van Fiscaal up to Dateheeft geschreven dat er het nodige valt op te merken over de motivering van het Hof: [56]
Hoogstratenop dat de wetgever er ten tijde van de introductie van de werkkostenregeling kennelijk nog niet helemaal uit was hoe de gebruikelijkheidseis moest worden toegepast en wenste de wetgever de ontwikkelingen af te wachten: [58]
Oosterbaanhebben ter zake van de gebruikelijkheidstoets geschreven dat de rode draad lijkt te zijn “doe vooral niet te gek”: [60]
5.Behandeling van de middelen
toekenningvan de aandelen gebruikelijk is, óf moet getoetst worden of het
aanwijzenvan de toegekende aandelen als eindheffingsbestanddeel gebruikelijk is?
aangewezenals eindheffingsbestanddeel. [86]
BNB1996/128 [97] dat niet slechts het ‘gemiddelde bedrag’ gebruikelijk is. Het gemiddelde bedrag in het voorbeeld is € 137.500. De vraag is welk bedrag
welgebruikelijk is: mag het hoogste bedrag (€ 225.000) worden genomen? En mag daar dan weer 30% (te weten € 67.500) van worden afgeweken? Bovendien zou dat er weer toe kunnen leiden dat andere inhoudingsplichtigen van € 292.500 weer 30% van kunnen afwijken, etc., etc., etc. Ik merk op dat deze punten in de parlementaire behandeling niet aan de orde zijn geweest. Ik meen dat de gebruikelijkheidseis gezien zijn karakter – een beperking van de fiscale faciliteit de werkkostenregeling – en gezien de mededelingen van de bewindsman in de parlementaire geschiedenis dat de gebruikelijkheidseis slechts in extreme situaties en slechts bij uitzondering hanteerbaar is [98] , beperkt moet worden uitgelegd. Zo bezien zou bijvoorbeeld als ‘gebruikelijk’ kunnen worden aangemerkt het bedrag waar 90% van de werkgevers die het loonbestanddeel aanwijzen, niet bovenuit gaat, zodat de toelaatbare omvang op 30% daarboven wordt bepaald.