Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
gemiddeldDBC (diagnose-behandelcombinatie), uitgaande van 100%-vergoeding, bij Conductore al snel zo’n € 3.900,- gemoeid is, een kortingspercentage voor een verzekerde als snel tot een hinderpaal zal leiden. Nu Achmea slechts bereid is 60% van de kosten te vergoeden, blijft 40% niet vergoed. Het gaat hierbij om bedragen van gemiddeld rond de € 1.560,-;
B.
nietom de schade die zij lijdt doordat wegens het zogenaamde hinderpaalcriterium (waarover later meer) patiënten met haar geen geneeskundige behandelingsovereenkomst sluiten voor GGZ-zorg.
toevoeging hof),waarvan Achmea uitgaat. Achmea handelt in strijd met artikel 13 lid 1 Zvw Pro en daarmee onrechtmatig jegens haar door voor GGZ-zorg een tarief te hanteren van niet meer dan 75% van het gemiddelde gecontracteerde tarief. Achmea mag volgens Conductore op de vergoeding voor ongecontracteerde zorg alleen een korting toepassen in verband met administratiekosten voor de betalingen (vergelijkbaar met € 9,- die het CJB bij het innen van verkeersboetes in rekening brengt); een hogere korting leidt immers tot een feitelijke belemmering voor de verzekerde om zorg af te nemen van een zorgaanbieder van zijn keuze (het hinderpaalcriterium). Hierop zien de vorderingen onder
Cen
D.
nietop de schade die zij lijdt doordat wegens het zogenaamde hinderpaalcriterium patiënten met haar geen geneeskundige behandelingsovereenkomst sluiten voor GGZ-zorg.
,waarvan Achmea uitgaat. De vordering onder E. ziet op de volledige schade die Conductore lijdt door onrechtmatig handelen van Achmea.
De Zorgverzekeringswet biedt zorgverzekeraars de gelegenheid om in de zorgverzekeringsovereenkomst met hun verzekerden te bepalen dat die voor het verkrijgen van de zorg in beginsel uitsluitend gebruik mogen maken van de gecontracteerde zorgaanbieders. (...) Verzekerden die hebben gekozen voor een zorgverzekering waarbij zij hun zorgverzekering bij gecontracteerde zorgaanbieders moeten inroepen, hebben de mogelijkheid toch te kiezen voor het inroepen van zorgverzekering bij een niet- gecontracteerde zorgaanbieder. (...) Omdat de verzekerden daarmee een administratieve last veroorzaken voor hun zorgverzekeraar, die immers de noodzakelijke zorgverzekering in beginsel al had ingekocht, zullen zij niet het volledige bedrag dat de zorgaanbieder in rekening brengt, gerestitueerd krijgen. De precieze vormgeving van die korting wordt overgelaten aan de zorgverzekeraar. De omvang ervan mag op grond van de overwegingen van het Europese Hof van Justitie (...) niet zodanig groot zijn dat die een feitelijke hinderpaal vormt voor het inroepen van zorgverzekering bij een (...) niet-gecontracteerde (buitenlandse) zorgaanbieder’
(Kamerstukken II, 2003-2004, 29 763, nr. 3, p. 30-31).
Op basis van jurisprudentie is de NZa van oordeel dat een vergoedingspercentage voor niet gecontracteerde zorgverzekering van minder dan 75% van het marktconforme tarief naar verwachting een feitelijke hinderpaal zullen opleveren, tenzij de zorgverzekeraar kan motiveren en zo nodig onderbouwen waarom het lager percentage geen feitelijke hinderpaal zal opleveren”.
C. D. en Eniet worden toegewezen. Hetzelfde lot treffen dan ook de vorderingen onder
F. G en H.” [13]
3.Het wettelijk kader
Dit heeft als consequentie dat ziekenfondsverzekerden zijn aangewezen op de hulpverleners binnen het werkgebied van hun ziekenfonds en met wie het ziekenfonds een overeenkomst heeft gesloten. Daarnaast kan het ziekenfonds een verzekerde ingevolge artikel 9, vierde lid, van de Ziekenfondswet toestemming verlenen zich voor het geldend maken van zijn recht op hulp te wenden tot een hulpverlener die niet in zijn woonplaats of in de naaste omgeving daarvan is gevestigd, indien dit voor de geneeskundige verzorging van de verzekerde noodzakelijk is. In dergelijke situaties beoordelen de ziekenfondsen of het voor de noodzakelijke geneeskundige verzorging van de verzekerde vereist is dat een hulpverlener buiten de woonplaats of de naaste omgeving of zelfs buiten het werkgebied van het ziekenfonds wordt ingeschakeld [onderstreping door A-G].Indien de noodzakelijke behandeling ter plaatse niet kan worden verleend, wordt toestemming op grond van artikel 9, vierde lid gegeven.” [16]
Zorgverzekeringswetper 1 januari 2006, was ongeveer twee derde deel van de bevolking (destijds zo’n 10,2 miljoen mensen) van rechtswege verzekerd onder de
Ziekenfondswet. [19] De Ziekenfondswet schreef voor:
toestemmingverlenen om zich voor het geldend maken van zijn recht op een verstrekking te wenden tot een
niet-gecontracteerdepersoon of instelling, maar enkel ‘indien zulks voor zijn geneeskundige verzorging nodig is’.
met name lid 4 is van belang):
gecontracteerdezorgverlener moest wenden (zie lid 1 en lid 2). [38] Lid 3 bepaalde vervolgens dat een ziekenfonds een verzekerde toestemming kon verlenen om zich tot een
niet-gecontracteerdepersoon of instelling te wenden voor zorgverlening. In dat geval – met verkregen toestemming dus – kon de verzekerde aanspraak maken op gehele of gedeeltelijke vergoeding van de voor de (niet-gecontracteerde) zorg gemaakte kosten. Op grond van lid 4 werd dit uitgewerkt in een ministeriële regeling. In die ministeriële regeling – de Uitvoeringsregeling artikel 9 Ziekenfondswet Pro en artikel 10 Algemene Pro Wet Bijzondere Ziektekosten [39] – werden bepalingen als de volgende opgenomen:
extramurale zorg in een andere lidstaat dan Nederlandbehoeft de verzekerde geen toestemming van het ziekenfonds of uitvoeringsorgaan.
intramurale zorgte wenden tot een niet door hem gecontracteerde persoon of instelling in een andere lidstaat dan Nederland indien het ziekenfonds of uitvoeringsorgaan heeft vastgesteld dat dat voor de geneeskundige verzorging van de verzekerde nodig is.
intra- of extramurale zorgte wenden tot een niet door hem gecontracteerde persoon of instelling in Nederland of een andere staat dan een lidstaat, indien het ziekenfonds of uitvoeringsorgaan heeft vastgesteld dat dat voor de geneeskundige verzorging van de verzekerde nodig is.
Het beginsel van vrije artsenkeuze zegt echter niets over de financiering van de door de verkozen arts geleverde zorg [onderstreping door A-G].Het impliceert dus niet, dat een verzekeraar verzekerde zorg altijd, dus ongeacht de arts die deze levert, volledig moet vergoeden. Aangezien voorliggende amvb niet méér regelt, dan dat de vergoeding van ziekenfondszorg niet volledig hoeft te zijn indien de zorg van een niet gecontracteerde arts is betrokken, belemmert de amvb de vrije artsenkeuze juridisch gezien niet.
NJ2015/83, gewezen in een zaak tussen zorgverzekeraar CZ en zorgaanbieder Momentum , de betekenis van art. 13 Zvw Pro in het Nederlandse zorgstelsel besproken. [60] Hij merkt op dat met art. 13 lid 1 Zvw Pro wordt geregeld dat de verzekerde met een
naturapolis [61] (of met een restitutiepolis waaronder alleen gecontracteerde zorg wordt vergoed) niettemin recht heeft op een door de verzekeraar te bepalen vergoeding, als hij zich tot een niet-gecontracteerde [62] zorgaanbieder wendt. De zorgverzekeraar moet in de modelovereenkomst [63] opnemen hoe hij die vergoeding berekent. Daarmee is voor de verzekerde duidelijk waarop hij recht heeft. [64]
weldat iemand die ziek is, zich ter genezing in beginsel moet kunnen wenden tot de arts(en) naar eigen keuze. [68] De overheid kan dus geen wettelijke regel voorschrijven in de trant van ‘Als u ziek bent, mag u enkel naar deze specifieke, door ons aangewezen arts’. Het staat de zieke vrij om naar een zelf uitgekozen arts te gaan.
Hieruitvolgt echter niet dat ook recht bestaat op (volledige) vergoeding door de overheid of de zorgverzekeraar van de kosten die door de zelf uitgekozen artsen in rekening worden gebracht bij de patiënt/verzekerde. [69]
een door de zorgverzekeraar te bepalen vergoedingvan de voor deze zorg gemaakte kosten. Op grond van lid 2 moet in de ‘modelovereenkomst’ zijn opgenomen hoe de vergoeding wordt berekend. [70] Op grond van lid 4 moet de wijze waarop de vergoeding wordt berekend, voor alle verzekerden die in een zelfde situatie een zelfde vorm van zorg behoeven, gelijk zijn.
De vergoeding zal veelal niet volledig zijn. De hier bedoelde verzekerde veroorzaakt voor zijn zorgverzekeraar immers extra kosten. Deze is er bij het in dienst nemen of contracteren van zorgaanbieders namelijk van uitgegaan dat al zijn naturaverzekerden voor de desbetreffende vormen van zorg of overige diensten verstrekking in plaats van vergoeding wensen, en heeft de omvang van zijn contracten daarop afgestemd.
Voor het overige heeft de verzekeraar alle vrijheid, met dien verstande dat de wijze van berekenen uiteraard niet afhankelijk mag worden gemaakt van verzekerdenkenmerken (vierde lid).Wel staat het vierde lid het de zorgverzekeraar overigens toe de hoogte van de vergoeding afhankelijk te maken van de situatie waarin de verzekerde zich bij het inroepen van de niet gecontracteerde zorg bevond. Een zorgverzekeraar kan aldus besluiten noodhulp volledig te vergoeden, en andere hulp slechts gedeeltelijk. […].
Er moet immers niet uit het oog worden verloren dat het hier gaat om een vergoedingsmogelijkheid die de wet biedt binnen het model waarbij de verzekerde in beginsel heeft gekozen voor gecontracteerde zorg. Een verzekerde die absolute zekerheid wil hebben dat hij alle kosten van de verzekerde zorg die hij ontvangt van niet gecontracteerde zorgaanbieders vergoed krijgt, zal niet voor een polis met gecontracteerde zorg moeten kiezen maar voor een restitutiepolis voor niet-gecontracteerde zorg. Het is de verzekerde zelf die deze keuze moet maken en daarbij kan hij alle voor hem relevante aspecten betrekken.Zo zal iemand die niet graag wil wachten op restitutie door zijn zorgverzekeraar, zoals wellicht het geval is in de situatie die door de leden van de fractie van de ChristenUnie in dit verband wordt genoemd, een polis met gecontracteerde zorg kunnen kiezen waarbij de zorgverzekeraar de zorgkosten rechtstreeks aan de zorgaanbieder betaalt. Iemand die geen enkele beperking wenst met betrekking tot zorgaanbieders, zal mogelijk een voorkeur hebben voor een restitutiepolis voor niet-gecontacteerde zorg.” [73]
Artikel 13
De vergoeding wordt door zijn zorgverzekeraar bepaald en mag gedeeltelijk zijn.Hoe de zorgverzekeraar de vergoeding berekent, dien[t] deze in de modelovereenkomst en in de zorgpolis op te nemen. Indien een verzekerde van mening is dat zijn zorgverzekeraar hem een bedrag vergoedt dat lager is dan hetgeen uit de zorgpolis voortvloeit, kan hij daartoe een geschil voorleggen aan de onafhankelijke instantie, bedoeld in artikel 113 Zorgverzekeringswet Pro, waar zijn zorgverzekeraar bij is aangesloten. Hij kan ook naar de civiele rechter, al dan niet na de uitspraak van die onafhankelijke instantie. Ik acht het niet wenselijk om een verplicht advies van het CVZ, zoals op dit moment in de Zfw is geregeld, voor te schrijven. Wel kan het CVZ door partijen of door de onafhankelijke instantie op vrijwillige basis voor een advies worden benaderd. Dit in antwoord op een vraag van de leden van de PvdA-fractie.” [74]
Hier komt nog bij dat de Zorgverzekeringswet de mogelijkheid voor de verzekerden openlaat om bij naturapolissen toch naar een niet-gecontracteerde zorgaanbieder van eigen keuze te gaan. Indien een verzekerde daarvoor kiest, dan mag de verzekeraar een korting toepassen op het te restitueren bedrag. Deze korting mag niet dusdanig hoog zijn dat die een belemmering vormt voor de toegankelijkheid van de zorg voor de verzekerde in kwestie.
Omdat artikel 13 slechts Pro geldt voor mensen die in eerste instantie voor een zorgverzekering hebben gekozen krachtens welke zij naar gecontracteerde zorgaanbieders zouden moeten, mag de verzekeraar zelf de hoogte van de vergoeding bepalen, met dien verstande dat die vergoeding niet dusdanig laag mag zijn dat dit een feitelijke hinderpaal vormt voor het inroepen van de zorg bij een niet-gecontracteerde zorgaanbieder.” [76]
Onder de Zvw zijn de mogelijkheden voor restitutie verruimd ten opzichte van de situatie zoals die onder de Zfw geldt na inwerkingtreding van de zogenaamde Restitutie-amvb (Vergoedingenbesluit Zfw).De Zfw kent niet de mogelijkheid om zelf tevoren de prestatiewijze van de verzekering (natura of restitutie) te kiezen. De Zfw blijft ook met de restitutiemogelijkheid een naturaverzekering, waarbij men zich in beginsel tot de gecontracteerde aanbieders dient te wenden.
De Zvw verruimt de keuzemogelijkheden voor de verzekerde, door voor elke zorgvorm de restitutiemogelijkheid in de zorgpolis open te stellen.Natura en restitutie zijn in de Zvw nevengeschikte prestatiewijzen.
Juist vanwege het hoge niveau van de medische opleidingen in Nederland en de daaruit resulterende professionaliteit van de zorgaanbieders, mag verwacht worden dat, ook al contracteert een verzekeraar niet het gehele aanbod, het gecontracteerde deel in staat zal zijn tot het onderhouden van een goede vertrouwensrelatie met de verzekerde patiënten.
Een verzekeringsplichtige die zo’n verzekering sluit, dient er dus rekening mee te houden dat de zorgverzekeraar een korting kan toepassen op het te vergoeden bedrag en dat hij dus moet bijbetalen indien hij naar een niet op die lijst voorkomende zorgaanbieder gaat. Als hij er belang aan hecht zonder bijbetaling bij een bepaalde ziekte of aandoening naar een bepaalde zorgaanbieder te kunnen, zal hij een zorgverzekering moeten sluiten met een zorgverzekeraar die de desbetreffende aanbieder heeft gecontracteerd (dan wel een restitutie-zorgverzekering met vrije keuze tussen alle zorgaanbieders moeten sluiten).Een zorgverzekering die een verzekerde het recht geeft om, op het moment dat hij zorg nodig heeft, op te stappen indien de gecontracteerde zorgaanbieders hem niet bevallen, maakt het zorgverzekeraars onmogelijk om scherp zorg in te kopen.” [79]
De verzekeraar kan er zelfs voor kiezen om (al dan niet slechts voor door hem in de modelovereenkomst aangegeven vormen van zorg of andere diensten) in het geheel geen vergoeding te geven. Dat vloeit voort uit de zinsnede, in het eerste lid, dat er een vergoeding kan worden gegeven «voor zover de zorgverzekeraar dit in de modelovereenkomst heeft bepaald» in combinatie met de zinsnede dat (voor de vormen van zorg of overige diensten waarvoor de zorgverzekeraar dit heeft bepaald) een vergoeding «in een door de zorgverzekeraar te bepalen mate» wordt gegeven.” [82]
hetvehikel is om afspraken te maken over doelmatigheid, kwaliteit, innovatie, organiserend vermogen en de juiste zorg op de juiste plek. [86] De groei van niet-gecontracteerde zorg is onwenselijk. Met name in de wijkverpleging en in de GGZ-sector kan en moet het contracteerproces beter worden. De minister en de staatssecretaris vermelden in de brief dat zorgaanbieders, zorgverzekeraars, patiëntenorganisaties en het kabinet afspraken hebben gemaakt over maatregelen om het contracteerproces te verbeteren, de contracteergraad te verhogen en de informatievoorziening voor verzekerden te verbeteren. [87] Als stok achter de deur zal een wetsvoorstel worden voorbereid:
De hoogte van de vergoeding
een feitelijke hinderpaalzou vormen om zich tot een niet-gecontracteerde zorgaanbieder van zijn keuze te wenden (rov. 3.5.7). [93]
jegens Momentumhandelt als de hoogte van de thans door haar gehanteerde vergoeding een hinderpaal oplevert, geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en niet onvoldoende gemotiveerd was:
Hof Arnhem-Leeuwarden (kort geding) 28 augustus 2014
de Wmg-tarieven [101] voor zorg verleend door CrisisCare aan verzekerden van VGZ en Univé met een naturapolis.
Het is volgens het hof volstrekt aannemelijk dat CrisisCare aanmerkelijk in haar bedrijfsvoering wordt geschaad bij een vergoeding van slechts 60% van het Wmg-tarief. Ook in zoverre is naar het oordeel van het hof duidelijk dat het door de zorgverzekeraars vergoede percentage een feitelijke hinderpaal vormt. [103] Het hof merkt op dat de zorgverzekeraars overigens ook niet bestreden hebben dat een vergoeding van 60% als zodanig een belemmering vormt voor verzekerden om niet-gecontracteerde zorg te betrekken. [104]
Rb. Zeeland-West-Brabant (kort geding) 24 juni 2016
het gemiddeldevan de met de door haar
gecontracteerdeinschrijvers overeengekomen prijzen voor het betreffende product. Daarop wordt bovendien een
afslagkorting van 25% toegepast. Indien de klant bij CZ is verzekerd op basis van een budgetpolis wordt een korting van 35% toegepast. [108]
Uit een voetnoot in een nieuwsbrief van de Nederlandse Zorgautoriteit maakt de rechtbank op dat ‘het gemiddelde tarief waartegen de betreffende prestatie is gecontracteerd door de zorgverzekeraar’ mag worden beschouwd als een ‘marktconform tarief’.Dat het dienovereenkomstig door CZ gehanteerde tarief desondanks een hinderpaal is voor naturaverzekerden, heeft BetterCare onderbouwd door te stellen dat een niet-gecontracteerde zorgaanbieder nimmer het volumevoordeel heeft dat de gecontracteerde zorgaanbieders wel hebben. Uit deze enkele stelling blijkt echter nog niet, zo overweegt de rechtbank, dat BetterCare als niet-gecontracteerde zorgaanbieder de gevraagde leveringen niet rendabel kan uitvoeren tegen het bedrag dat door CZ wordt vergoed. Om te voorkomen dat de stoma- en incontinentiematerialen niet rendabel kunnen worden geleverd, heeft CZ in het kader van de aanbestedingsprocedures – waaraan BetterCare heeft deelgenomen – de eis gesteld dat er uitsluitend wordt ingeschreven met realistische prijzen. CZ heeft gesteld dat zij dit ook heeft laten controleren. BetterCare heeft noch gesteld, noch is gebleken dat de gecontracteerde partijen met onrealistisch lage prijzen hebben ingeschreven. Mocht BetterCare om bedrijfseconomische redenen de naturaverzekerden van CZ niet willen bedienen tegen het bedrag dat door CZ wordt vergoed, dan staat haar dat vrij. Maar de alsdan door haarzelf gecreëerde beperking in de vrije keuze van zorgaanbieders voor CZ-verzekerden wil de voorzieningenrechter niet aanmerken als feitelijke hinderpaal als bedoeld in artikel 13 lid 1 van Pro de Zorgverzekeringswet. [110]
Rechtbank Noord-Nederland (ktr.) 30 januari 2018
De kantonrechter spreekt van ‘het gemiddelde gecontracteerde tarief’.
Niet in geschil is dat dit lager is dan 75-80% van het gemiddeld gecontracteerde tarief.Weliswaar kan niet zonder meer worden aangenomen dat elke afwijking van het vergoedingspercentage van 75-80% van het gemiddeld gecontracteerde tarief een feitelijke hinderpaal vormt, maar de zorgverzekeraar behoort bij een lager percentage wel te motiveren en zo nodig te onderbouwen waarom het lagere percentage geen feitelijke hinderpaal zal opleveren. Dat heeft De Friesland in deze zaak niet gedaan.
De hardheidsclausule die De Friesland in artikel 2.7.4 van de polisvoorwaarden heeft opgenomen, op grond waarvan zij in een individueel geval de vergoeding kan verhogen, acht de kantonrechter niet afdoende.De verzekerde weet vooraf niet waarop hij recht heeft. Het is immers de vrijheid van De Friesland om de clausule wel of niet toe te passen en het is niet bekend of en in welke gevallen De Friesland het een of het ander zal doen. Deze onzekerheid brengt mee dat de hardheidsclausule de feitelijke verhindering voor de verzekerde om zich te wenden tot de zorgaanbieder van de eigen keuze niet kan opheffen. Het moet daarom ervoor worden gehouden dat het door De Friesland vastgestelde tarief voor niet-gecontracteerde zorg een feitelijke hinderpaal voor de verzekerde oplevert om te kiezen voor de zorg door Forte GGZ .
De Friesland is dus gehouden in elk geval 75-80% van het gemiddeld gecontracteerde tarief aan de verzekerde en dus aan Forte GGZ te vergoeden. [113]
Er zal tevens moeten worden nagegaan tot welk resultaat de toepassing van het percentage in het concrete geval leidt. Het komt dan aan op de hoogte van het bedrag dat voor rekening van de verzekerde komt. De vraag of de hoogte van het bedrag een feitelijke hinderpaal vormt, kan niet worden beantwoord aan de hand van de individuele kenmerken of omstandigheden van de verzekerde. Die mogen immers ingevolge artikel 13 lid 4 Zvw Pro bij het bepalen van de vergoeding geen rol spelen. [114] Dit brengt mee dat het er in wezen om gaat of (ook) de minst draagkrachtige door de hoogte van het bedrag wordt verhinderd om zich te wenden tot de niet-gecontracteerde zorgaanbieder. [115]
Dit brengt mee dat in de regel toepassing van het vergoedingspercentage van 75-80 van het gemiddeld gecontracteerde tarief eerst dan tot een uitkomst leidt die voor de minst draagkrachtige een feitelijke hinderpaal oplevert, indien het door de verzekerde te betalen bedrag hoger is dan het hoogste vrijwillig eigen risico op grond van artikel 20 lid 2 Zvw Pro[onderlijning door A-G].
Het past niet bij het doel en systeem van de wet dat niet-gecontracteerde zorgaanbieders via de omweg van het hinderpaalcriterium een vergoeding volgens de NZa-tarieven kunnen verkrijgen verminderd met een betrekkelijk beperkte inhouding, terwijl gecontracteerde zorgaanbieders met een lagere vergoeding genoegen moeten nemen. Van niet-gecontracteerde zorgaanbieders mag daarom worden verlangd dat zij in gevallen als de onderhavige hun tarief beperken tot ten hoogste het gemiddeld gecontracteerde tarief, zodat het bedrag dat voor rekening van de verzekerde komt, moet worden afgeleid van dat tarief[onderlijning door A-G].”
in concretovoor rekening van de verzekerde komt. Nu individuele kenmerken of omstandigheden van de verzekerde geen rol mogen spelen op grond van art. 13 lid 4 Zvw Pro, komt het volgens de kantonrechter aan op de vraag of (ook) de minst draagkrachtige door de hoogte van het bedrag wordt verhinderd om zich te wenden tot de niet-gecontracteerde zorgaanbieder. Van een feitelijke hinderpaal is volgens de kantonrechter sprake indien het door de verzekerde te betalen bedrag hoger is dan het hoogste vrijwillig eigen risico op grond van artikel 20 lid 2 Zvw Pro (€ 500,-). [116]
Rechtbank Den Haag 21 november 2018
NJ2015/83) en dus in strijd is met art. 13 Zvw Pro. [117] De rechtbank komt tot het oordeel dat onder de geschetste omstandigheden het vergoeden door Zilveren Kruis c.s. van 75% van het gemiddeld gecontracteerd tarief [118] overeenkomstig haar polisvoorwaarden aan Momentum geen strijd oplevert met artikel 13 Zvw Pro en derhalve geen onrechtmatig handelen jegens Momentum .Zilveren Kruis c.s. kan volgens de rechtbank daarom niet gehouden worden de door Momentum gevorderde schadebedragen – zijnde volgens Momentum steeds het verschil tussen de betaalde 75% van het gemiddeld gecontracteerd tarief en 75% van het NZa-tarief [119] – aan Momentum te betalen. [120]
Rechtbank Gelderland 1 februari 2019
welk tarief als uitgangstarief dient te worden gehanteerdbij het bepalen van de hoogte van vergoeding van de niet-gecontracteerde zorg en op basis van welke criteria en met inachtneming van welke grenzen op dit uitgangstarief welke korting in mindering mag worden gebracht. [122]
De rechtbank constateert dat ‘de zorgverzekeraars’ daarvoor hanteren:het gewogen gemiddelde tarief dat een zorgverzekeraar met gecontracteerde zorgaanbieders is overeengekomen voor een soortgelijke vorm van zorg en/of behandeling, ook wel het(gewogen) gemiddeld gecontracteerde tariefgenoemd. [124] De rechtbank is van oordeel dat het gewogen gemiddeld gecontracteerde tarief, voor zover daarmee wordt bedoeldhet gewogen gemiddelde van het daadwerkelijk gedeclareerde tarief voor een bepaalde zorgvorm, een realistisch beeld geeft van de kosten van de voor die zorgvorm gecontracteerde zorg.Daarbij zijn de uitschieters naar boven en naar beneden immers uitgevlakt en spelen overeengekomen tarieven die niet daadwerkelijk zijn gedeclareerd, geen rol. De wetgever heeft dit volgens de rechtbank ook uitdrukkelijk als mogelijk uitgangstarief genoemd (naast het tarief van de dichtstbijzijnde zorgaanbieder). [125] De rechtbank concludeert, op grond van het voorgaande, dat ‘de zorgverzekeraars’ bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg minimaal de kosten van gecontracteerde zorg als uitgangstarief dienen te hanteren, waarbij toepassing van het ongewogen gemiddeld gecontracteerde tarief niet is toegestaan.
Toepassing vanhet gewogen gemiddeld gecontracteerde tariefis daarentegen wel toegestaan.Een verplichting is het echter niet. De kosten van gecontracteerde zorg kunnen ook op andere wijze(n) worden bepaald en een hogere vergoeding is hoe dan ook toegestaan. [126]
Dat maakt volgens de rechtbank dat ergeen algemeen percentageaan korting is vast te stellen dat in alle omstandigheden voldoende verband houdt met de extra gemaakte kosten.De extra kosten kunnen per zorgverzekeraar en per zorgtype verschillen en zijn afhankelijk van de wijze van contracteren. Bij de onderhavige zaak zijn vier verschillende zorgverzekeraars betrokken die ieder hun eigen labels hebben, en die ieder op hun eigen wijze zorg inkopen. Zij hebben daartoe ook de vrijheid gelet op de hun door de wetgever toegekende regierol. Sommige zorgverzekeraars werken met een vaste aanneemsom, andere zorgverzekeraars maken prijsafspraken en weer andere maken gebruik van een variant die een combinatie is hiervan. Indien minder zorg wordt afgenomen dan bij het inkopen daarvan was begroot, omdat naturaverzekerden zich tot niet-gecontracteerde zorgaanbieders wenden, kan de zorgverzekeraar (een deel van) zijn kwantumkorting verliezen. Ook gelet op de diversiteit aan wijzen van zorginkoop door zorgverzekeraars kan dus géén generiek kortingspercentage, ook niet per zorgverzekeraar, worden vastgesteld dat voor alle vormen van niet-gecontracteerde zorg geldt. De zorgverzekeraars zullen dit per zorgtype nader moeten bepalen. [127]
Een vergoeding van 85% kan een feitelijke hinderpaal opleveren bij een complexe en dure operatie, terwijl een vergoeding van bijvoorbeeld 30% geen hinderpaal hoeft op te leveren bij een kleine, goedkope ingreep. De rechtbank is derhalve van oordeel dat bij het bepalen van de vergoeding (anders gezegd het kortingspercentage) ook in het kader van het hinderpaalcriterium rekening dient te worden gehouden met de feitelijke (inkoop)kosten per zorgtype. [128]
De rechtbank merkt op dat het, gelet op al het voorgaande, niet aan de rechtbank is om één algemeen kortingspercentage te bepalen. Zij kan alleen achteraf beoordelen of een zorgverzekeraar in de gegeven omstandigheden in redelijkheid het betreffende kortingspercentage heeft kunnen hanteren.In deze procedure ligt – in tegenstelling tot eerder gevoerde procedures waarin het hinderpaalcriterium aan de orde was – geen geschil over de vergoeding van een bepaalde vorm van niet-gecontracteerde zorg voor. Gelet op de wijze waarop de onderhavige procedure is ingestoken, kan de rechtbank dan ook niet meer dan een algemeen kader geven voor de wijze waarop een kortingspercentage zou kunnen worden bepaald, zodat geen sprake is van een hinderpaal in de zin van artikel 13 Zvw Pro. [132]
Geschillencommissie Zorgverzekeringen 18 januari 2017
althans zolang dit percentage binnen de markt breed wordt gedragen. [133]
Geschillencommissie Zorgverzekeringen 22 maart 2017
het gemiddelde gecontracteerde tariefof
het door de NZa (maximum- of vaste) tariefvoor de betreffende prestatie naar verwachting een feitelijke hinderpaal opleveren, tenzij de zorgverzekeraar kan motiveren en zo nodig onderbouwen waarom het lagere percentage geen feitelijke hinderpaal zal opleveren.
4.Behandeling van het cassatiemiddel
uitsluitendworden beantwoord door het betreffende percentage te relateren aan de (gemiddelde) zorggebruiker, de (gemiddelde) zorgduur en (in samenhang daarmee) de (gemiddelde) zorgkosten van de (concrete zorg in kwestie).
waaromen
waaruit concreet blijktdat ( Conductore onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat) de door Achmea gebruikte vlaktaks van 25% geen feitelijke hinderpaal oplevert voor Achmea-verzekerden die zorg hebben afgenomen van Conductore .
moet betalen, dan [niet] naar ongecontracteerde zorgverlener';
uitsluitendteruggaat op de
feitelijke vaststellingvan waar naturaverzekerden
volgens hun polisvoorwaardenrecht op hadden;
ziet op dure en goedkope behandelingen', en dat een patiënt ‘
maar van tevoren [moet] bedenken of ze een bepaalde dure behandeling wel of niet wil doen en ook op basis daarvan besluiten welke verzekering je neemt en welke polis bij je past'.
RvdW2018/1089 over het criterium van de redelijk handelend verzekeraar. In rov. 3.4.8. van die uitspraak overweegt de Hoge Raad het volgende:
kunnenhouden – met het vonnis van de rechtbank Gelderland van 1 februari 2019 (zie het wettelijk kader onder randnummers 3.56. en 3.57.). De rechtbank Gelderland heeft mijns inziens terecht overwogen dat het zorgverzekeraars niet is toegestaan om een generiek kortingspercentage toe te passen op het uitgangstarief (de kosten van gecontracteerde zorg).
noodzakelijkerwijsdat de (gemiddelde) minst daadkrachtige verzekerde als referentiesubject dient te worden gebruikt bij de beantwoording van de vraag of een bepaald vergoedingspercentage in strijd is met het hinderpaalcriterium. Indien immers de minst draagkrachtige verzekerde door de hoogte van een bepaald kortingspercentage feitelijk wordt verhinderd om zich te wenden tot een niet-gecontracteerde zorgaanbieder, dan brengt het verbod op vergoedingsdifferentiatie met zich dat het kortingspercentage
over de hele liniezodanig dient te worden aangepast dat voor de (gemiddelde) minst draagkrachtige verzekerde geen sprake meer is van een feitelijke hinderpaal. De vergoeding mag immers niet voor meer en minder draagkrachtigen in een zelfde situatie op verschillende wijze worden bepaald.
feitelijkzelf moeten betalen. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 24 Rv Pro, nu de rechtbank in rov. 3.5 van haar vonnis van 21 oktober 2015 in eerste aanleg reeds had geoordeeld dat voor de vraag of sprake is van strijd met het hinderpaalcriterium naar de ‘fictieve situatie’ moet worden gekeken waarin Conductore genoodzaakt zou zijn een factuur aan cliënten te sturen. Tegen dit oordeel van de rechtbank zijn geen grieven gericht.