Conclusie
second opinion.
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
de behandelaarverwacht dat redelijkerwijs is aan te nemen dat de betrokkene de in artikel 14a lid 6 bedoelde voorwaarde zal naleven. Het bepaalde in artikel 14a is overeenkomstig van toepassing op het verzoek om een
nieuwevoorwaardelijke machtiging (artikel 14c lid 7 Wet Bopz).
redelijkerwijsis aan te nemen dat betrokkene de voorwaarden zal naleven, heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat deze verwachting in zekere mate objectiveerbaar moet zijn. Deze formulering is ook een verwijzing naar de eisen die aan de motivering hiervan mogen worden gesteld [4] .
second opinionhad verzocht [10] . Ook de eerste klacht van onderdeel I treft geen doel.
second opinion. Volgens het middelonderdeel is dit oordeel in strijd met artikel 23 Rv Pro. Indien de rechtbank van oordeel was dat artikel 23 Rv Pro niet geldt in een Bopz-procedure, had de rechtbank dit in de motivering tot uitdrukking moeten brengen.
second opinionniet van belang heeft geacht voor haar beslissing, is dat oordeel onbegrijpelijk en een miskenning van haar motiveringsplicht.
second opinioneen andere uitslag dan de huidige diagnose komt, is rechtens onjuist omdat de wet niet in deze mogelijkheid voorziet; in ieder geval is onduidelijk welke wettelijke grondslag de rechtbank hierbij voor ogen heeft gestaan.
second opinion, is de rechter niet verplicht dit verzoek toe te wijzen. Niettemin geldt de regel dat, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen en tot vrijheidsbeneming leidende beslissing, een dergelijk verzoek slechts
gemotiveerdkan worden afgewezen [19] . In dit geval is geen verzoek om een nader deskundigenonderzoek tot de rechtbank gericht: de behandelaar had al ingestemd met het verzoek van betrokkene om een
second opinion [20] . De gevraagde
second opinionhad kennelijk (mede) betrekking op de juistheid van de gestelde diagnose [21] .
second opinion-onderzoek plaatsvinden in Utrecht op 28 augustus 2018, dus twee weken later [23] . Betrokkene verzocht om aanhouding van de behandeling totdat het resultaat van dat onderzoek bekend was. De rechtbank heeft het verzoek om aanhouding afgewezen op grond van alleen de overweging dat “indien er uit de second opinion een andere uitslag komt dan de huidige diagnose die gesteld is, aan de officier van justitie een nieuw verzoek gedaan kan worden”. Die motivering kan de gevolgtrekking (de weigering van het aanhoudingsverzoek) niet dragen. Onduidelijk is wat de rechtbank bedoelt met ‘een nieuw verzoek’. Wellicht heeft de rechtbank gedacht aan artikel 14g Wet Bopz. Op grond van die wettelijke bepaling kan de behandelaar een verklaring verstrekken die inhoudt dat de betrokkene niet langer in zijn geestesvermogens gestoord is en/of niet langer gevaarlijk is. Indien de behandelaar het verzoek om zo’n verklaring te verstrekken afwijst, kan de betrokkene aan de officier van justitie vragen daarover de beslissing van de rechter te verzoeken (artikel 14g lid 4). Nadat de bedoelde verklaring is verschaft kan geen dwangopneming meer plaatsvinden; de voorwaardelijke machtiging blijft in stand (artikel 14f Wet Bopz). Het bestaan van deze wettelijke mogelijkheid verklaart echter niet waarom betrokkene er geen belang bij zou hebben dat het resultaat van de aangevraagde second opinion wordt afgewacht vóórdat de rechtbank een beslissing neemt op het verzoek om een voorwaardelijke machtiging. Zoals gezegd had het verzoek (mede) betrekking op de diagnose. In een dergelijke situatie geldt naar mijn mening evenzeer een verzwaarde motiveringsplicht indien de rechter het verzoek verwerpt om het resultaat van de verzochte
second opinionaf te wachten.