Conclusie
2.Procesverloop
heeft zich zo goed mogelijk proberen in te lichten over de relevante omstandigheden in de relevante periode en vragen gesteld aan partijen. De hoeveelheid relevante en voor de CvD verifieerbare informatie uit de relevante periode is echter beperkt.
economische benaderingwordt vermogensschade gelijkgesteld aan het verlies aan ondernemingswaarde, toe te rekenen aan de schadeoorzaak. Waarde is, in financieel-economische zin, de omvang van de verwachte geldstromen op een bepaald moment. Om het verlies aan (ondernemings)waarde te berekenen, dient de omvang van de verwachte geldstromen zowel met als zonder schadeoorzaak te worden bepaald. Om de waarde van verwachte geldstromen op een bepaald moment (de peildatum) te bepalen dienen deze gedisconteerd oftewel contant gemaakt te worden naar dat moment. Dit contant maken geschiedt aan de hand van een disconteringsvoet. In deze disconteringvoet dient volgens de deskundigen ook het ondernemingsrisico gereflecteerd te worden.
hybride methode.Hierbij wordt bij de bepaling van de schade gebruik gemaakt van ex-post informatie die beschikbaar is op het waarderingsmoment, maar de schade zelf wordt bepaald op de peildatum (de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis) conform de ex-ante methode.
3.Begroting en afwikkeling van (toekomstige) schade
Peildatum-arrestenalle personenschade betreffen, strekken de gevolgen zich in beginsel ook uit naar andere vormen van voortdurende schade, zoals nog te maken (periodieke) kosten of het derven van winst in de ondernemingssfeer, zoals ook in de onderhavige zaak blijkt.
Peildatum-arrestenheeft Uw Raad zijn zegel gehecht aan het kapitaliseren van reeds ingetreden schade, aan de hand dus van een peildatum in het verleden, en berekening over de aldus begrote som ineens van wettelijke rente per kapitalisatiepeildatum. [52] Daarbij heeft, zo blijkt ook uit de literatuur op dit punt, het regime onder het oude recht een hoofdrol gespeeld. [53]
Peildatum-arrestenworden gezien: met de in deze arresten gekozen benadering wordt uiteindelijk voorkomen dat benadeelden wettelijke rente zouden mislopen, omdat deze niet op correcte wijze is aangezegd.
Eerste Peildatum-arrestbetreft een zaak met betrekking tot beroepsaansprakelijkheid van advocaten. Centraal staat een vordering van een echtpaar tot vergoeding van schade bestaande in gederfde wettelijke rente, geleden door het achterwege blijven van een tijdige rente-aanzegging door de (opeenvolgende) advocaten die de getroffenen na een verkeersongeval in 1978 hebben bijgestaan. Daarbij hebben zij de verantwoordelijk WAM-verzekeraar aangesproken tot vergoeding van hun inkomensschade over de jaren 1978 tot en met 1984 plus de dan nog toekomstige schade, gekapitaliseerd naar een som ineens per 1 januari 1985. Met betrekking tot de gekapitaliseerde schade kon voor het doen ingaan van de wettelijke rente worden volstaan met een eenmalige aanmaning. Omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt, is een procedure gevolgd. Op het moment van dagvaarden, medio mei 1987, lag de kapitalisatiepeildatum al bijna tweeëneenhalf jaar achter ons en was de schade over die periode niet langer toekomstig. Ten aanzien van reeds ingetreden schade was telkens na het ontstaan (en daarmee het opeisbaar worden) van een schadepost weer een nieuwe aanmaning nodig. De eerder genoemde advocaten hadden echter verzuimd voorafgaand aan de dagvaarding aanspraak te maken op die wettelijke rente. In deze tegen hen gerichte beroepsaansprakelijkheidszaak wordt dat in twee instanties inderdaad als beroepsfout aangemerkt, maar de oordelen van rechtbank en hof over de omvang van de daarbij geleden schade lopen vervolgens uiteen. Terwijl de rechtbank er in haar berekening van de gederfde rente van uitgaat dat de inkomensschade van het echtpaar vanaf het moment van het ongeval periodiek wordt geleden, is de renteschadeberekening van het hof gebaseerd op de gedachte dat de inkomensschade in de vorm van het gekapitaliseerde bedrag ineens wordt geleden op het moment van het ongeval. Als gevolg daarvan verschillen ook de uitkomsten waartoe rechtbank en hof komen aanzienlijk. Naar aanleiding van een tegen de benadering van het hof gericht cassatieberoep, overweegt Uw Raad aldus: [55]
Tweede Peildatum-arrestspeelt een vergelijkbaar probleem in een zaak waarin werkgeversaansprakelijkheid aan de orde is voor de inkomensschade waarmee een werknemer wordt geconfronteerd door een arbeidsongeval in juli 1987. In cassatie is de vraag gerezen of voor de berekening van de toekomstige schade het moment van het ongeval in 1987 als peildatum mocht worden gekozen, hoewel de schadeberekening was gebaseerd op een kapitalisatie tegen een latere peildatum, namelijk 1 januari 1997. Ook hier draait het om de ingangsdatum van de wettelijke rente naar oud recht. Uw Raad geeft in dit arrest een toelichting op het
Eerste Peildatum-arrest: [57]
Tweede Peildatum-arrestheeft Uw Raad daarmee bevestigd dat in geval van kapitalisatie de schade wordt geacht in zijn geheel te zijn ontstaan op de voor de kapitalisatie aangehouden dag, zodat de vordering tot schadevergoeding vanaf dat moment opeisbaar is (rov. 3.5).
Derde Peildatum-arrestbetreft de (omvang van de) aansprakelijkheid voor een medische fout. In deze zaak staat de vraag centraal hoe moet worden omgegaan met na de peildatum opkomende (in casu ingrijpende wijziging van het belastingstelsel) of juist uitblijvende omstandigheden (in casu sterfte van eiser) wanneer de kapitalisatiepeildatum in het verleden ligt. In deze personenschadezaak gaat het om uitgaven die de getroffene periodiek zou moeten doen. Ook die schade kan gekapitaliseerd worden in de vorm van een som ineens. Uit het arrest blijkt ook hier kapitalisatie naar een peildatum in het verleden mogelijk, zodat de wettelijke rente vanaf dat moment is gaan lopen: [58]
Derde Peildatum-arrestcentraal staande vraag: hoe moet worden omgegaan met een ingrijpende wijziging van het belastingstelsel die lang na de peildatum in 2001 haar beslag heeft gekregen? Vanuit de peildatum beoordeeld ging het om een toekomstig gebeuren waarop toen geen zicht bestond, maar ten tijde van de uitspraak was de wijziging al werkelijkheid geworden. Het antwoord van Uw Raad ligt in de lijn van het antwoord op de hiervoor genoemde vraag: [61]
Peildatum-arrestenis dus dat Uw Raad niet principieel uitsluit dat wordt gekapitaliseerd naar een peildatum in het verleden en op dit punt wijst op ‘vrijheid’ van de feitenrechter, zij het dat tegelijkertijd uitgangspunt blijft dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de “werkelijk geleden en te lijden schade behoort te worden begroot”. In de literatuur en, zo zou men kunnen zeggen, ook in ‘eigen huis’ [62] , is deze rechtspraak nogal kritisch ontvangen. [63] Daarbij wordt er onder meer op gewezen dat berekening tegen een kapitalisatiepeildatum in het (verre) verleden onvermijdelijk een hybride karakter krijgt, omdat weliswaar een schadebedrag wordt berekend per peildatum in het verleden, maar niet mag worden weggekeken van later optredende feiten en omstandigheden. Behalve dat die berekening inconsistent is, immers ex ante en ex post door elkaar laat lopen en daarmee ook verschenen en toekomstige schade vermengt, kan zij leiden tot onzekerheid en discussie. Van welke nieuwe feiten en omstandigheden mag eventueel nog wel worden geabstraheerd en van welke niet (meer)? Welke vrijheid heeft de feitenrechter op dit punt werkelijk? [64]
Peildatum-arrestenheeft willen voorkomen dat de benadeelde verstoken zou blijven van serieuze bedragen aan wettelijke rente, doch de gevonden oplossing verdient, ik ben geneigd de critici te volgen, geen schoonheidsprijs. Het lijkt daarom verstandig de toepassing ervan te beperken tot de gevallen waarin de problematiek van de verschuldigdheid van wettelijke rente krachtens art. 1286 BW Pro (oud) nog aan de orde is. Naar huidig recht kan zij beter achterwege blijven.
Peildatum-arrestenaangenomen ‘vrijheid’ van de feitenrechter om toekomstige schade te kapitaliseren naar een peildatum in het verleden beperkt is tot de genoemde gevallen van toepassing van oud recht.
4.Bespreking van het principale cassatiemiddel
eerste subonderdeelvan onderdeel 1 richt zich tegen de tweede zin van rov. 18. van het Tussenarrest, waarin het hof heeft overwogen: “De deskundigen hebben vervolgens bij het contant maken van de vrije geldstromen van beide scenario’s naar 1 januari 1976 niet alleen rekening gehouden met de daarbij normaliter in aanmerking te nemen rente, maar hebben daaraan een risico-opslag toegevoegd.” Volgens de Gemeente is deze vaststelling van het hof onbegrijpelijk voor zover het hof daarmee heeft bedoeld dat normaal gesproken bij het contant maken alleen met de (risicovrije) rente wordt gewerkt en het hanteren van een risico-opslag, zoals hier door de deskundigen, derhalve een afwijking van de normale gang van zaken impliceert.
eerste subonderdeelvan onderdeel 1 faalt daarom.
tweede subonderdeelvan onderdeel 1 richt zich tegen het laatste deel van rov. 18. van het Tussenarrest, waarin het hof (in zijn visie) de beweegreden van de deskundigen weergeeft voor het opnemen van de risico-opslag in de disconteringsvoet: “Vanuit het perspectief van 1976 was het door de deskundigen (met ex post informatie) geconstrueerde SOLL-scenario niet het (meest) aannemelijke/waarschijnlijke scenario, maar slechts één van de vele scenario’s die zich mogelijk hadden kunnen voordoen. Het is bezien vanuit 1976 nog steeds een verwachting waaraan inherent onzekerheden kleven. Ook het IST-scenario was vanuit het perspectief van 1976 overigens niet een zeker scenario, maar slechts één van de scenario’s die zich mogelijk hadden kunnen voordoen. Die onzekerheid, vanuit het perspectief van 1 januari 1976, hebben de deskundigen, zo begrijpt het hof, tot uitdrukking willen brengen door bij het contant maken van de vrije geldstromen in het IST-scenario en SOLL-scenario naar 1 januari 1976 een disconteringsvoet toe te passen waarin een risico-opslag is opgenomen voor het ondernemingsrisico (risico’s gerelateerd aan de markt, branche en bedrijfsgrootte).”
vanuit het perspectief van 1 januari 1976moest worden uitgedrukt (de visie van het hof). Met de risico-opslag zouden de deskundigen louter beogen uitdrukking te geven aan het ondernemingsrisico dat in het meest aannemelijke/waarschijnlijke SOLL-scenario reëel aanwezig zou zijn geweest, met andere woorden: het hanteren van een risico-opslag is inherent aan de door de deskundigen toegepaste hybride methode. Hiermee neemt de Gemeente een voorschot op de overige onderdelen en met name onderdeel 3, in het kader waarvan zij heeft betoogd dat de risico-opslag in de disconteringsvoet inherent is aan c.q. onlosmakelijk is verbonden met de door de deskundigen gehanteerde hybride schadeberekeningsmethode (zie in dit kader ook het derde subonderdeel van onderdeel 1, waarin de Gemeente betoogt dat rov. 19. van het Tussenarrest is gestoeld op de (in onderdeel 1) bestreden overweging uit rov. 18. van het Tussenarrest en daarom niet in stand kan blijven). De uitleg van een deskundigenbericht is voorbehouden aan de rechter in feitelijke instantie en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst, maar wel op begrijpelijkheid. [66] Dat is waar de Gemeente met dit tweede subonderdeel op aanstuurt; zij meent dat de uitleg door het hof van het deskundigenbericht een begrijpelijkheidstoets niet kan doorstaan. Wat mij betreft komt het echter niet zover. Met het door de Gemeente bestreden deel van rov. 18. van het Tussenarrest heeft het hof enkel weergegeven
waaromde deskundigen een risico-opslag hebben opgenomen in de disconteringsvoet. Het hier bestreden deel van rov. 18. van het Tussenarrest is daarmee niet meer dan een uitwerking van wat het hof daarvóór heeft overwogen (en in cassatie niet is bestreden) en dient daarmee in samenhang te worden gelezen, te weten: “Zij hebben bij de schadeberekening het SOLL-scenario, waarbij rekening is gehouden met alle omstandigheden na de peildatum over een zeer lange periode en die het (meest) aannemelijke/waarschijnlijke scenario is, uiteindelijk gehanteerd zoals zij een verwachting op de peildatum op basis van bijvoorbeeld een ex ante opgemaakt businessplan hanteren. Daar waar de deskundigen tijdens de comparitie enerzijds verklaren dat zij het (meest) aannemelijke/waarschijnlijke [SOLL-]scenario hebben geconstrueerd, verklaart de deskundige Groeneveld anderzijds: “Het is dus een ex-ante berekening die wij doen, inderdaad. Het was een indicator van een verwachting, en is als een verwachting gehanteerd”.” Ik zal hierna toelichten dat het niet onbegrijpelijk is wat het hof doet.
vanuit het perspectief van 1976niet de meest aannemelijke/waarschijnlijke scenario’s waren. Daarnaast heeft de deskundige Groeneveld tijdens de comparitie van 31 maart 2017 ook nog het volgende verklaard: [68] “Wij hebben een verwachtingswaarde [van de kasstromen] weergegeven. De uitkomst is omgeven door onzekerheid, en die hebben we in kaart gebracht. Bij een verwachting hoort een risico. (…)” Hieruit, en uit de verklaring van de deskundige Groeneveld zoals hiervoor in randnummer 4.7 weergegeven, volgt dat de deskundigen – ondanks dat zij een IST-scenario hebben geconstrueerd dat overeenkomt met de werkelijkheid en zij een (meest) aannemelijk/waarschijnlijk SOLL-scenario hebben geconstrueerd aan de hand van ex post-informatie – alsnog deze uitkomsten hebben gehanteerd als een
verwachtingper peildatum oftewel
vanuit het perspectief van 1976, dat aan die verwachting onzekerheden/risico’s kleven en dat de geldstromen
daaromvia een ex ante-benadering contant zijn gemaakt (op basis van een disconteringsvoet bestaande uit onder meer een risico-opslag die het ondernemingsrisico weergeeft op de peildatum). Hetgeen het hof heeft weergegeven aan het eind van rov. 18. van het Tussenarrest is dus consistent met wat de deskundigen hebben verklaard. De uitleg die het hof geeft van het deskundigenbericht (
waaromde deskundigen een risico-opslag hebben opgenomen) doorstaat dan ook de in randnummer 4.7 vermelde begrijpelijkheidstoets. Bovendien heeft het hof reeds in (de in cassatie niet bestreden) rov. 9. van het Tussenarrest overwogen: “(…) De deskundigen nemen deze risico-opslag op omdat de discontering dient plaats te vinden met inachtneming van de aan de uitbreiding van de fabriek van [verweerster] verbonden risico’s;
op 1 januari 1976 kon immers niet vaststaan of de uitbreiding van de productie door [verweerster] winstgevend zou zijn.(…)” [onderstreping, A-G]. Ook hieruit volgt dat de risico-opslag is opgenomen om de bij de verwachting (lees: de door de deskundigen geconstrueerde geldstromen/kasstromen) behorende onzekerheid vanuit het perspectief van 1976 tot uitdrukking te brengen. Het
tweede subonderdeelvan onderdeel 1 faalt derhalve ook.
derde subonderdeelvan onderdeel 1 betoogt de Gemeente dat nu ’s hofs oordeel in rov. 19. van het Tussenarrest, te weten het schrappen van de risico-opslag, is gestoeld op de hiervoor weergegeven overweging van rov. 18. van het Tussenarrest (randnummer 4.5 van deze conclusie), ook het oordeel in rov. 19. van het Tussenarrest niet in stand kan blijven. Nu het
derde subonderdeelvan onderdeel 1 een voortbouwende klacht behelst, heeft deze klacht geen zelfstandige betekenis en faalt deze. Daarmee faalt dus
onderdeel 1.
onderdeel 2, dat ook weer uiteenvalt in drie subonderdelen, voert de Gemeente aan dat ’s hofs oordeel in rov. 19. van het Tussenarrest, dat er geen ruimte is voor een risico-opslag voor markt-, branche- en bedrijfsspecifieke risico’s, ontoereikend is gemotiveerd c.q. onbegrijpelijk is.
eerste subonderdeelvan onderdeel 2 betoogt de Gemeente dat de motivering omtrent het doorhalen van de risico-opslag ontoereikend is, omdat het hof niet heeft toegelicht i) waarom de hantering van een risico-opslag in strijd is met het uitgangspunt dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de werkelijk geleden en te lijden schade behoort te worden begroot en ii) waarom een risico-opslag tot gevolg zou hebben dat de schade van [verweerster] wordt onderschat. Het hof had volgens de Gemeente niet kunnen volstaan met de opmerking dat anders (bij toepassing van een risico-opslag) niet de werkelijke schade zou worden vergoed. Dit zou temeer gelden nu zowel de deskundigen als de Gemeente hebben aangevoerd dat een risico-opslag dient te worden toegepast, omdat anders juist sprake zou zijn van overcompensatie, aldus de Gemeente.
in afwijking vande omstandigheden waarvan bij de verwachting op de peildatum werd uitgegaan. Daarmee heeft het hof in rov. 12. van het Tussenarrest in de kern overwogen dat indien de vergelijking, derhalve de feitelijke situatie (in het onderhavige geval steeds IST-scenario genoemd) met de (vermoedelijke) hypothetische situatie (die in de onderhavige zaak als SOLL-scenario wordt aangeduid), kan worden geconstrueerd met gebruikmaking van kennis omtrent feiten en omstandigheden die zich na de peildatum hebben voorgedaan (dus: (deels) ex post kan worden vastgesteld), het de rechter vrijstaat om daarmee rekening te houden
in afwijking vanverwachtingen vanuit het perspectief van de peildatum (dus: ex ante-verwachtingen).
alle aspectenhebben meegewogen die van invloed zijn op de exploitatie in het SOLL-scenario en de schade van [verweerster] , ii) dat de deskundigen bij deze constructie van het SOLL-scenario (ex post, als onderdeel van de hybride methode) zoveel als redelijkerwijs mogelijk met relevante feitelijke ontwikkelingen na 1 januari 1976 rekening hebben gehouden, iii) dat de deskundigen zelfstandig het SOLL-scenario hebben geconstrueerd als “een aannemelijk scenario” en iv) dat de deskundigen zelf hebben verklaard dat over de uitkomst van het SOLL-scenario geen twijfel was. Ter vaststelling van de schadeomvang van [verweerster] is, kortom, de vergelijking, van de feitelijke situatie (IST-scenario) met de (vermoedelijke) hypothetische situatie (SOLL-scenario), geschied op basis van een constructie waarbij gebruik is gemaakt van feiten en omstandigheden die zich na de peildatum hebben voorgedaan (dus: ex post vastgesteld).
met alle omstandigheden na de peildatumover een zeer lange periode en die het (meest) aannemelijke/waarschijnlijke scenario is, uiteindelijk [hebben] gehanteerd zoals zij een
verwachting op de peildatumop basis van bijvoorbeeld een ex ante opgemaakt businessplan hanteren.” [onderstrepingen, A-G]. De deskundigen hebben derhalve met behulp van kennis na de peildatum zowel het IST-scenario als het SOLL-scenario geconstrueerd. Het IST-scenario respectievelijk SOLL-scenario is echter, aldus de deskundigen,
vanuit het perspectief van 1 januari 1976niet het enige scenario dat zich mogelijk had kunnen voordoen, maar slechts één van de vele IST- respectievelijk SOLL-scenario’s. Vanuit het perspectief van 1 januari 1976 is zowel het IST-scenario als het SOLL-scenario volgens de deskundigen dus nog steeds een verwachting waaraan inherent onzekerheden kleven. Die onzekerheid (oftewel: die onzekere toekomstige verwachtingen)
vanuit het perspectief van 1 januari 1976hebben de deskundigen tot uitdrukking willen brengen door bij het contant maken van de vrije geldstromen naar de peildatum een disconteringsvoet toe te passen waarin een risico-opslag is opgenomen voor het ondernemingsrisico, aldus rov. 18. van het Tussenarrest.
alle aspecten(rov. 17. van het Tussenarrest) zijn meegewogen en bovendien rekening is gehouden met
alle omstandigheden na de peildatum(rov. 18. van het Tussenarrest), brengt de vergelijking daarvan (juridisch gezien) zoveel als redelijkerwijs mogelijk de werkelijk geleden schade in beeld en staat het de rechter derhalve vrij om hiervan uit te gaan en niet terug te rekenen naar de peildatum om dan wel de meest aannemelijke/waarschijnlijke scenario’s tot uitgangspunt te nemen maar daar dan vervolgens een risico-opslag (vanwege de onzekerheid die strikt genomen vanuit de peildatum gedacht zou bestaan) op los te laten (rov. 12. en 18. van het Tussenarrest). Concreet betekent dit dat het de rechter vrijstaat de risico-opslag niet toe te passen of te schrappen, zoals het hof hier heeft gedaan. [72] Nu het hof (in navolging van deskundigen) de omvang van de werkelijk geleden schade zodanig kan benaderen op basis van kennis omtrent feiten en omstandigheden na de peildatum dat gesproken kan worden van het meest aannemelijke/waarschijnlijke scenario, leidt een correctie daarop aan de hand van een risico-opslag (waardoor de omvang van de begrote schade lager uitkomt) logischerwijs tot een onderschatting van de werkelijke schade van [verweerster] en daarmee tot ondercompensatie.
eerste subonderdeelvan onderdeel 2 faalt.
tweede subonderdeelvan onderdeel 2 klaagt de Gemeente erover dat ’s hofs oordeel in rov. 19. van het Tussenarrest onbegrijpelijk zou zijn, omdat dat oordeel impliceert dat vanwege een opname van een risico-opslag in de disconteringsvoet bij de begroting
slechtsrekening zou worden gehouden met de op de peildatum bestaande verwachtingen. Dat oordeel is niet verenigbaar met ’s hofs aanvaarding van de door de deskundigen gehanteerde hybride methode waarbij immers gebruik wordt gemaakt van alle ex post-informatie die op het waarderingsmoment beschikbaar is en waarvoor door de deskundigen juist is gekozen om te
voorkomendat
slechtsmet de op de peildatum bestaande verwachtingen rekening zou worden gehouden, aldus de Gemeente.
Derde Peildatum-arrest [73] – uitlegt dat de consequentie daarvan is dat het de rechter vrijstaat om rekening te houden met omstandigheden die zich inmiddels na de peildatum hebben voorgedaan
in afwijking vande omstandigheden waarvan bij de verwachting op de peildatum werd uitgegaan. Met andere woorden: het ex ante-perspectief dat een risico-opslag zou rechtvaardigen heeft in die situatie niet te gelden. [74] De risico-opslag geldt derhalve niet, omdat er in plaats van met zuivere ex ante-verwachtingen (waarbij het IST- en SOLL-scenario vanuit het perspectief van 1 januari 1976 slechts één van de vele scenario’s zouden zijn) door de deskundigen bij de schadebegroting is gewerkt met een door hen – op basis van alle omstandigheden na de peildatum, dus op basis van ex post-informatie – geconstrueerd specifiek IST- en SOLL-scenario. Het
tweede subonderdeelvan onderdeel 2 kan dus ook niet slagen.
derde subonderdeelvan onderdeel 2 klaagt erover dat voor zover het oordeel van het hof aldus dient te worden verstaan dat het is gebaseerd op de (impliciete) honorering van [verweerster] ’ stelling dat het opnemen van een risico-opslag onjuist zou zijn omdat daarmee in het SOLL-scenario dezelfde onzekerheden dubbel zouden worden verdisconteerd (namelijk zowel in de aannemelijkheid van de jaarschades als via de disconteringsvoet), dat oordeel onbegrijpelijk is, omdat er geen sprake is van een dubbeltelling. Volgens de Gemeente zijn in het door de deskundigen geconstrueerde SOLL-scenario
nietde in de disconteringsvoet (risico-opslag) opgenomen risico’s verdisconteerd.
juridisch gezien– niet juist om de uitkomst van de vergelijking, ten aanzien waarvan de deskundigen zijn uitgegaan van een IST-scenario dat zich daadwerkelijk heeft voorgedaan en waarvan de deskundigen zelf hebben verklaard dat bij het SOLL-scenario i) alle aspecten zijn meegewogen, ii) zoveel als redelijkerwijs mogelijk met relevante feitelijke ontwikkelingen na 1 januari 1976 rekening is gehouden en iii) ook wat betreft die uitkomst geen twijfel was, te behandelen alsof het zou gaan om een toekomstige onzekere verwachting per peildatum waarover nog een risico-opslag moet worden berekend om uitdrukking te geven aan de onzekerheid op het moment van peildatum of de verwachting in de toekomst zal worden gerealiseerd. Het hof heeft de risico-opslag derhalve niet doorgehaald, omdat er sprake is van een dubbeltelling, al raakt het daar wel aan. Ik acht het dan ook bepaald niet uitgesloten dat – indien het hof de risico-opslag wel in stand had gelaten – een klacht van [verweerster] over dubbeltelling doel zou treffen. [75] Ook het
derde subonderdeelvan onderdeel 2 faalt en daarmee derhalve ook
onderdeel 2.
wijzevan begroting van de schade [76] (enigszins anders geformuleerd: of de rechter bij de keuze voor een bepaalde wijze van schadebegroting is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting). Hierop stuurt de Gemeente aan met haar betoog dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgaat door de risico-opslag uit de begrotingsmethodiek te schrappen. De uiteindelijke (toepassing van deze wijze van) begroting is sterk met de feiten verweven en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. [77] Uiteraard kan de begroting van de schade door de rechter in een concrete zaak in cassatie ook met motiveringsklachten worden bestreden. [78] De Gemeente zit ook nog op dit spoor met haar standpunt dat ’s hofs oordeel ter zake onbegrijpelijk is.
eerste subonderdeelvan onderdeel 3 dat het hanteren van een risico-opslag in de disconteringsvoet inherent is aan c.q. onlosmakelijk verbonden is met de door de deskundigen geadviseerde hybride schadeberekeningsmethode. De risico-opslag zou systematische risico’s reflecteren, die niet in het SOLL-scenario zijn verdisconteerd. Alleen als het SOLL-scenario
zekerzou zijn, zou het verdedigbaar zijn om in de disconteringsvoet alleen met een risicovrije rente te rekenen. Bij de bepaling van het SOLL-scenario gaat het volgens de Gemeente steeds om de constructie van een
onzekeresituatie en daarbij dient een disconteringsvoet te worden toegepast die recht doet aan die onzekerheid. De vrijheid van de rechter in het kader van schadebegroting gaat niet zover dat het het hof vrij zou staan een schadeberekeningsmethode te hanteren die vanuit financieel-economisch perspectief onverdedigbaar is, omdat deze uitgaat van het onjuiste vertrekpunt dat er in het geheel geen alternatieve scenario’s mogelijk waren en er (daarmee) geen (systematische) risico’s waren met als gevolg dat de schadevergoeding elementen bevat die niet zijn toe te schrijven aan de schadeveroorzakende gebeurtenis. In dat geval wordt immers ook de premie vergoed die elke ondernemer betaalt voor het risico dat hij loopt over zijn onderneming, aldus nog steeds de Gemeente.
Derde Peildatum-arrest [79] bepaald dat ook dan de werkelijk geleden schade dient te worden begroot en dat daarbij niet past dat de rechter slechts rekening mag houden met de op de peildatum bestaande verwachtingen over hetgeen de toekomst zou kunnen brengen. Het ex ante-perspectief, dat een risico-opslag zou rechtvaardigen waarin de (ondernemings)risico’s tot uitdrukking komen zoals die waren op de peildatum, heeft in de situatie waarin één (meest) aannemelijk/waarschijnlijk scenario kan worden geconstrueerd, waarin
alle aspectenzijn meegewogen en bovendien rekening is gehouden met
alle omstandigheden na de peildatum, dan dus niet te gelden [80] en dient derhalve te wijken voor de (ex post) feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode tussen het moment van het toebrengen van schade en het moment van toewijzing van schade. Indien en voor zover dan ook met de ‘wetenschap achteraf’ de werkelijke feitelijke situatie kan worden vastgesteld en de hypothetische situatie met een grote mate van zekerheid kan worden bepaald omdat deze zijn geconstrueerd aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich hebben voorgedaan na de peildatum, is die vergelijking toereikend om zoveel als redelijkerwijs mogelijk de werkelijk geleden schade te kunnen begroten en dient daarop niet alsnog een risico-opslag te worden gehanteerd. Dan zou de uitkomst van de vergelijking van de feitelijke situatie met de hypothetische situatie immers worden behandeld alsof het puur gaat om een
onzekere verwachting per peildatum, terwijl die vergelijking juist is geconstrueerd aan de hand van de daadwerkelijke feiten en omstandigheden zoals die zich
na de peildatumhebben voorgedaan. Als men de risico-opslag, waarvan het hanteren bij een zuivere ex ante-beoordeling
op het peilmomentgerechtvaardigd zou zijn, ook nog zou meewegen, wordt juist niet de werkelijk geleden schade begroot (die immers reeds in beeld is gebracht door toepassing van de feitelijk/hypothetische methode aan de hand van de daadwerkelijke gerealiseerde feiten en omstandigheden na het peilmoment). In strijd met de uitgangspunten van ons schadevergoedingsrecht zou [verweerster] bij het hanteren van een risico-opslag niet worden gebracht in de vermogenspositie waarin hij zou hebben verkeerd zonder de schadeveroorzakende gebeurtenis.
NTBR-artikel uit 2007 over de nadelen van de ex post-benadering en waarnaar wordt verwezen in het deskundigenbericht: [82]
vanuit het perspectiefvan een peildatum in het verre verleden zal dit wellicht
economischgezien juist zijn, een rechter zal zich echter veelal, bijvoorbeeld in het in het citaat van Joling opduikende geval van het gestolen lot, niet kunnen losmaken van de ex post opgedane kennis (namelijk dat het lot achteraf winnend bleek). [83] Door in de (hybride) schadeberekening het risico mee te wegen dat de benadeelde de prijs ook
niethad kunnen winnen (terwijl ex post vaststaat dat hij de prijs wel had gewonnen), wordt de benadeelde niet teruggebracht in de (vermogens)positie waarin hij zonder de diefstal zou hebben verkeerd en wordt derhalve niet de
werkelijk geleden schadebegroot, hetgeen nou juist het uitgangspunt is van het Nederlands schadevergoedingsrecht. Daarmee wordt overigens meteen ook duidelijk dat eraan deze hybride benadering(en) de nodige bezwaren verbonden zijn. [84]
alle aspecten(rov. 17. van het Tussenarrest) zijn meegewogen en waarbij rekening is gehouden met
alle omstandigheden na de peildatum(rov. 18. van het Tussenarrest), brengt de vergelijking daarvan zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de werkelijk geleden schade in beeld. Daarmee in strijd is het om de uitkomst van deze vergelijking te behandelen alsof het gaat om een
onzekere verwachting per peildatumwaarover nog een risico-opslag moet worden berekend. Terecht heeft het hof de risico-opslag in de door de deskundigen gehanteerde begrotingsmethode doorgehaald.
eerste subonderdeelvan onderdeel 3 faalt.
tweede subonderdeelvan onderdeel 3 in beeld. Voor het geval het zojuist besproken oordeel van het hof geen blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting, is het oordeel volgens de Gemeente zonder nadere motivering immers onbegrijpelijk, omdat het hof er dan kennelijk van is uitgegaan dat het SOLL-scenario als
zekermoet worden aangemerkt c.q. dat er geen andere uitkomst mogelijk was. Nu uit rov. 17. van het Tussenarrest volgt dat het SOLL-scenario niet zeker is maar in de woorden van de deskundigen “een aannemelijk scenario” is, het hof zelf heeft overwogen dat het SOLL-scenario “onvermijdbaar mede [is] gebaseerd op (in)schattingen” en spreekt van een toestand die zich zonder het schadeveroorzakende gebeurtenis
vermoedelijkzou hebben voorgedaan, is ’s hofs oordeel volgens de Gemeente innerlijk tegenstrijdig.
tweede subonderdeelvan onderdeel 3 faalt derhalve en daarmee
onderdeel 3.
Onderdeel 4faalt derhalve.
5.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Vraag 5: Zijn er verder nog opmerkingen die u vanuit uw deskundig oordeel van belang acht.
eerste onderdeel [96] op het standpunt dat het accepteren door het hof van de keuze voor een peildatum in het verleden, een nadere motivering behoeft. Indien namelijk in het kader van het contant maken per peildatum wel van rendement op rendement (“rente op rente”) (samengestelde berekening dus) wordt uitgegaan, maar over dat op de peildatum uiteindelijk niet daadwerkelijk uitgekeerde bedrag enkelvoudig berekende wettelijke rente wordt gerekend, leidt dat er volgens [verweerster] toe dat de “oorspronkelijke waarde van de winsten en kasstromen ‘verdwijnt’ en daarmee de schade”, [97] omdat samengesteld verdisconteren een sterker effect heeft dan de enkelvoudige wettelijke renteberekening. Hiermee bedoelt [verweerster] kennelijk dat haar schade in dat geval niet volledig wordt vergoed; de enkelvoudig berekende wettelijke rente kan dan over zo’n lange reeks van jaren niet goed maken wat een daadwerkelijk op de peildatum beschikbaar gekomen som ineens aan rendement (“rente op rente”) zou hebben opgeleverd. Voorts behoeft het accepteren door het hof van een peildatum in het verleden een nadere motivering, aldus [verweerster] , nu een peildatum in het verleden niet nodig is voor het berekenen van de omvang van de door [verweerster] geleden schade, omdat daarvoor een vergelijking volstaat van de toestand zoals deze in werkelijkheid is (IST-scenario) met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden (SOLL-scenario). Uitgangspunt in het Nederlands schadevergoedingsrecht is immers dat het tijdstip waarop de rechter uitspraak doet het voor de schadevaststelling beslissende tijdstip is, aldus [verweerster] . Een ex ante-benadering met verdiscontering naar een peildatum dient in beginsel beperkt te blijven tot toekomstige schade. Volgens [verweerster] dient deze methode niet te worden gebruikt, althans niet zonder goede reden, wanneer sprake is van schade in het verleden (zoals in de onderhavige zaak). [98] Nu een nadere motivering voor het oordeel van het hof dat een peildatum in het verleden kan worden geaccepteerd in het Tussenarrest ontbreekt, heeft het hof volgens [verweerster] ofwel het uitgangspunt miskend dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de werkelijk geleden schade dient te worden begroot, dan wel onvoldoende gemotiveerd waarom het hanteren van een peildatum in het verleden zou leiden tot een begroting die aan dat uitgangspunt voldoet.
Derde Peildatum-arrest [99] (rov. 15. in samenhang gelezen met rov. 12. van het Tussenarrest). Omdat de onderhavige zaak echter verschilt van die in het
Derde Peildatum-arrest (en overigens ook van die in het
Eerste Peildatum-arresten het
Tweede Peildatum-arrest [100] ), is een enkele verwijzing naar dat
Derde Peildatum-arrestgeen toereikende motivering voor deze cruciale beslissing.
Derde Peildatum-arrestheeft Uw Raad inderdaad overwogen dat het de rechter vrijstaat om toekomstige schade te kapitaliseren in een bedrag ineens naar een peildatum die geruime tijd voor zijn uitspraak ligt. Daarmee is, zoals hiervoor in randnummers 3.17 e.v. al is uiteengezet, een lijn uit twee eerdere arresten doorgetrokken. Uit het
Eerste Peildatum-arrestvalt af te leiden dat Uw Raad het kapitaliseren van toekomstige schade naar een peildatum die ver voor de datum van de rechterlijke uitspraak ligt niet principieel afwijst. [101] In het
Tweede Peildatum-arresten het
Derde Peildatum-arresthoudt Uw Raad vast aan de mogelijkheid van kapitalisatie van schade per een vóór de uitspraakdatum gelegen peilmoment (datum ongeval bijvoorbeeld). [102] De keuze van Uw Raad wordt, zo bleek hiervoor reeds in randnummers 3.15 e.v., doorgaans verklaard met de hoofdvraag die in met name de eerste twee
Peildatum-arrestenspeelde, namelijk het recht op wettelijke rente ex art. 1286 BW Pro (oud). Ten aanzien van periodiek verschijnende maar niet gekapitaliseerde schade gold naar oud recht immers dat, voor de verschuldigdheid van wettelijke rente, na het ontstaan van iedere afzonderlijke schadepost en het opeisbaar worden van de vergoeding ter zake telkens weer een nieuwe aanmaning nodig was, die in de praktijk vaak uitbleef (men stuurde niet steeds een nieuwe aanmaning). Door de mogelijkheid van kapitalisatie in de vorm van een som ineens met een peildatum in het verleden kan het weinig aansprekende neveneffect van die regeling naar oud recht, namelijk dat wettelijke rente werd misgelopen wanneer niet telkens opnieuw een aanmaning was verstuurd, worden vermeden; de gehele ‘toekomstschade’ wordt in geval van kapitalisatie in een bedrag ineens immers geacht te zijn geleden op die peildatum. [103] In de eerste twee
Peildatum-arrestenkwam de totale schadevergoeding door de keuze voor een peildatum in het verleden kortom juist hoger in plaats van lager uit. In de in deze twee arresten centraal staande zaken diende de peildatum in het verleden daarmee uiteindelijk het belang van de benadeelde. [104]
eerste onderdeelslaagt derhalve.
tweede onderdeel [108] klaagt [verweerster] dat het oordeel van het hof ook onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd is, omdat het hof niet, althans niet voldoende, heeft gerespondeerd op de stellingen van [verweerster] i) dat als de wettelijke rente wordt berekend op een andere wijze dan de verdiscontering (enkelvoudig in plaats van samengesteld), het hanteren van een peildatum in het verleden tot onaanvaardbare gevolgen leidt en ii) dat de wettelijke rente onlosmakelijk is verbonden met de beoordeling of een peildatum in het verleden kan worden geaccepteerd. Het hof vat dit verweer wel kort samen aan het slot van rov. 10. van het Tussenarrest, maar heeft het voor het overige niet kenbaar in zijn oordeelsvorming betrokken. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is volgens [verweerster] onbegrijpelijk dat het hof de deskundigen heeft gevolgd en heeft geoordeeld dat in het geval voor de berekening van de schade een in het verleden gelegen peildatum kan worden gehanteerd, waarbij tevens sprake is van samengesteld verdisconteren (rendement op rendement; “rente op rente”), zonder dat het tevens de wettelijke rente heeft betrokken in zijn oordeel en de stellingen van [verweerster] daarover. [verweerster] concludeert dat het hof zonder de wettelijke rente mee te nemen in zijn oordeel geen deugdelijke inschatting kon maken van de eventuele (onaanvaardbare) effecten van het hanteren van een peildatum in het verleden.
tweede onderdeelslaagt derhalve.
derde onderdeel [110] voert [verweerster] tot slot nog aan dat voor het geval het oordeel van het hof in rov. 21. van het Tussenarrest, dat “partijen nog de gelegenheid hebben om desgewenst hun schriftelijk debat over de resterende geschilpunten te vervolgen” en dat ook het punt van de “toepasselijke wettelijke rente (…) van een voortgezet debat deel [kan] uitmaken”, aldus moet worden begrepen dat het hof de toepasselijke wettelijke rente wel degelijk in zijn oordeel heeft betrokken, dat oordeel ook dan rechtens onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd is. Volgens [verweerster] staat dan vast dat het hanteren van een peildatum in het verleden onaanvaardbare gevolgen zal hebben, omdat onder het BW (oud) de wettelijke rente enkelvoudig wordt berekend (terwijl de verdiscontering samengesteld (rendement op rendement; “rente op rente”) plaatsvindt).
De verdere beoordeling van het hoger beroep: het deelgeschil over de door de deskundigen toegepaste methode van schadeberekening”), rov. 3. van het Tussenarrest (“De vraag die thans voorligt is of de door de deskundigen gehanteerde methode van schadeberekening juist is. In overleg met partijen is besloten eerst over deze kwestie van gedachten te wisselen en te beslissen.”) en rov. 20. van het Tussenarrest (“Op grond van het voorgaande komt het hof in dit deelgeschil tot de conclusie dat de door de deskundigen toegepaste methode voor berekening van de schade in deze zaak als grondslag voor begroting van de schade kan worden genomen, met uitzondering van het opnemen van een opslag voor ondernemingsrisico (risico-opslag) in de disconteringsvoet. Dit betekent dat de begroting van de schade met inachtneming hiervan zal moeten worden herzien.”). Uit deze passages in samenhang gelezen volgt dat het hof in dit Tussenarrest alleen de door de deskundigen toegepaste methode van schadeberekening heeft beoordeeld en heeft geoordeeld dat die methode (met uitzondering van de risico-opslag) als grondslag kan worden genomen voor de schadebegroting. Door in rov. 21. van het Tussenarrest te oordelen dat “partijen nog de gelegenheid hebben om desgewenst hun schriftelijk debat
over de resterende geschilpuntente vervolgen. Hoewel zij al een en ander naar voren hebben gebracht over de toepasselijke wettelijke rente, kan ook dit punt van een voortgezet debat deel uitmaken.” [onderstreping, A-G], volgt dat de toepasselijke wettelijke rente een resterend geschilpunt is en volgens het hof geen onderdeel uitmaakte van de door de deskundigen toegepaste methode voor schadeberekening. Over het resterend geschilpunt van de wettelijke rente is door het hof in het Tussenarrest dus nog niet inhoudelijk geoordeeld. Het
derde onderdeelkan derhalve niet slagen.