Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat de afwijzing door het hof van het door de verdediging in hoger beroep gedane verzoek tot het uitvoeren van een contra-expertise onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.
tweede middelbevat de klacht dat het hof in strijd met de onschuldpresumptie contante geldbedragen in de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft betrokken, terwijl de desbetreffende geldbedragen in de bewezenverklaring in de hoofdzaak zijn doorgehaald en de betrokkene daarmee is vrijgesproken van het helen van die geldbedragen.
NJ2010/288. De betrokkene in deze zaak was in de hoofdzaak veroordeeld voor het invoeren van “een hoeveelheid cocaïne”. In de tenlastelegging was deze hoeveelheid nader gespecificeerd tot “7000 gram”, maar deze concretisering was in de bewezenverklaring doorgehaald. Niettemin werd in de ontnemingszaak bij het berekenen van de opbrengst van het bewezen verklaarde feit uitgegaan van 7000 gram. Het hof had in dat verband een politierapport tot het bewijs gebezigd, waaraan de desbetreffende hoeveelheid kon worden ontleend. Van strijd met de Geerings-jurisprudentie was volgens het hof geen sprake. De Hoge Raad overweegt dat het oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is.
derde middelbehelst de klacht dat de verwerping door het hof van het verweer dat bij de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel een “alternatieve verdeelsleutel” moet worden gehanteerd, onvoldoende met redenen is omkleed.