Conclusie
Capri Sun AG
Riha Wesergold Getränke GmbH & CO KG
“containers and packing”en de codering 03.03 staat voor
“small non-cylindrical or non-elliptical containers”. De classificatie kent een aantal uitzonderingen waaronder
“11.3 containers for beverages, plates and dishes, kitchen utensils for serving, preparing or cooking food or drink”. Classificatie code 11 betreft
“household utensils”.
Siekmann-arrest [5] (art. 2.28 lid 1 sub a jo. art. 2.1 lid 1 BVIE), subsidiair omdat het teken uitsluitend bestaat uit een vorm die een wezenlijke waarde aan de waar geeft en bovendien noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen (art. 2.28 lid 1 sub a jo. art. 2.1 lid 2 BVIE), meer subsidiair omdat het teken elk onderscheidend vermogen mist (art. 2.28 lid 1 sub b jo. art. 2.1 lid 1 BVIE, met name niet op significante wijze afwijkt van de norm of van wat in de betrokken sector gangbaar is, onder meer onder verwijzing naar
Sisi-Werke [6] ), uiterst subsidiair omdat de vorm het sta-zakje in het bonafide handelsverkeer gebruikelijk was geworden als verpakking voor levensmiddelen/vruchtensappen (art. 2.28 lid 1 sub d BVIE).
Brite Strike Technologies [11] dat art. 71 EEX Pro-Vo er niet aan in de weg staat dat de rechtelijke bevoegdheidsregels van art. 4.6 BVIE voor geschillen inzake Benelux-merken, Benelux-tekeningen en Benelux-modellen op die geschillen worden toegepast. Daaruit volgt – zo wordt ook in de literatuur aangenomen [12] – dat bij samenloop tussen het BVIE en de EEX-Vo art. 4.6 BVIE prevaleert boven de bevoegdheidsregels van de EEX-Vo.
Philips/Remingtonwas het vormmerk de alom bekende roterende scheerkoppen uit een ‘Philishave’ voorwerp van een geldigheidsaanval op grond van de techniekexceptie. Het Hof gaf aan dat de techniekuitzondering beoogt te voorkomen dat een vorm kan worden ingeschreven waarvan de wezenlijke kenmerken beantwoorden aan een technische functie. De ratio is te verhinderen dat een merkhouder een monopolie krijgt op technische oplossingen waarnaar de consument mogelijk in de waren van concurrenten zoekt (punt 78). Een inschrijving van een dergelijke vorm als merk zou concurrenten de mogelijkheid ontnemen om een product met een dergelijke functie aan te bieden, althans hun beletten de verschillende technische oplossingen voor incorporatie van een dergelijke functie in hun producten vrij te kiezen (punt 79). Vormen waarvan de wezenlijke kenmerken beantwoorden aan een technische functie, moeten door eenieder ongestoord kunnen worden gebruikt (punten 80 en 82). De techniekuitzondering geldt daarom ook als de betreffende technische uitkomst ook door andere vormen kan worden verkregen (punten 81 en 83). Dat is een duidelijke keuze voor de 'apparaatgerichte leer' of concurrerende theorie (beoordeling of de vorm zelf een technisch effect sorteert, anders gezegd: of de technische functie de enige factor is die bepalend is voor de vorm) en niet voor de 'resultaatgerichte leer' (beoordeling of het nodig is om de betreffende specifieke vorm te kiezen om het technisch resultaat te bereiken en als er als er alternatieven zijn met hetzelfde technische effect, dan gaat de techniekexceptie niet op, ook bekend onder het begrip ‘multiplicity of forms’) [28] .
Henkelwerd de weigering om een fles voor vloeibaar wasmiddel als vormmerk in te schrijven aangevochten. Henkel betoogde dat de in
Philips/Remingtongenoemde ratio van de techniekuitzondering niet extensief kan worden uitgelegd als ook betrekking hebbend op vormmerken voor de verpakking van een product. Henkel wees erop dat geen enkele marktdeelnemer wordt belet om vloeibaar wasmiddel op de markt te brengen en dat het na inschrijving alleen niet mogelijk is om de gekozen presentatie, fles of dop te gebruiken (punt 20). Het Hof volgde dat standpunt niet en overwoog dat bepaalde waren (zoals korrels, poeder of vloeistof) geen intrinsieke vorm hebben en alleen verpakt aan de man kunnen worden gebracht. De verpakking geeft dan aan de waar haar vorm. Voor het onderzoek van een merkaanvraag moet de verpakking in die gevallen gelijk worden gesteld met de vorm van de waar (punten 33-37).
Philips/Remington. Aan de voorwaarde dat het teken ‘uitsluitend’ bestaat uit een vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen, is voldaan wanneer alle wezenlijke kenmerken van de vorm beantwoorden aan een technische functie (punten 51-52). Het Hof achtte niet van belang dat de concurrenten ook speelblokjes met een andere vorm en afmeting op de markt kunnen brengen, een bevestiging van de apparaatgerichte leer. Die omstandigheid laat namelijk onverlet dat inschrijving van de legoblokjes als vormmerk een sterke beperking zou opleveren van de mogelijkheden voor concurrenten om vormen van de producten op de markt te brengen waarin dezelfde technische oplossing is gebruikt (punt 59). Wel is het zo dat de techniekuitzondering geen toepassing vindt als de merkaanvraag betrekking heeft op een vorm waarin een niet-functioneel element, zoals een sier- of fantasie-element, een belangrijke rol speelt. De reden is dat een concurrent in dat geval een vorm zal kunnen gebruiken waarin het niet-functionele element van de vorm van de merkhouder ontbreekt (punt 72). Het oordeel dat alle elementen van de legoblokjes – met uitzondering van de kleur – functioneel zijn bepaald, blijft in stand (punt 74).
Sisi Werke [30] -arrest (s.t. 1.4 en plta HB 42), waarin het Luxemburgse Hof het oordeel in stand liet dat inschrijving van een vormmerk op een sta-zakje bij gebrek aan onderscheidend vermogen mocht worden geweigerd. Het betrof een aanvraag voor inschrijving van andere vormmerken dan waar wij ons over buigen, zodat dit arrest niet rechtstreeks van toepassing is. Bovendien ging het daarin met name om het onderscheidend vermogen (punten 30-37), dat in onze zaak in cassatie geen rol meer speelt.
Capri Sun/ [A]ook over het in onze zaak voorliggende vormmerk geoordeeld (zie ook rov. 2 (vi) van het bestreden arrest, hiervoor weergeven in 1.6).
Landgericht Hamburg [32] een aan Riha gelieerde onderneming (Wesergarten) een verbod opgelegd om inbreuk te maken op het vormmerk van Capri Sun zoals dat voor Duitsland was ingeschreven. In 2013 en 2014 hebben het
Landgericht Braunschweig [33] en het
Landgerichten
Oberlandesgericht Köln [34] Riha verboden om inbreuk te maken op het vormmerk van Capri Sun. Het
Patent und Markenamtheeft de inschrijving van het vormmerk van Capri Sun in augustus 2014 echter doorgehaald op de grond dat de kenmerken van het sta-zakje technisch zijn bepaald. Het
Bundespatentsgerichtheeft het daartegen gerichte beroep verworpen [35] en dit oordeel is ten overstaan van het
Bundesgerichtshofovereind gebleven [36] .
Cour de Cassation [39] .
Rechtbank van Koophandelte Brussel is het vormmerk van Capri Sun wel geldig [40] . Daartoe is onder meer overwogen dat de rechte randen van de sta-zakjes minder ergonomisch zijn en minder goed in de (kinder-)hand liggen dan afgeronde zakjes. Hierdoor zijn de sta-zakjes van Capri Sun minder praktisch voor de consument dan sta-zakjes met afgeronde vormen. Verder sluiten volgens dit oordeel de talrijke alternatieve verpakkingen uit dat de vorm noodzakelijk is om een technische functie te vervullen. Bovendien zijn de rechte randen een belangrijk niet-functioneel bepaald element. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld. In 2017 heeft het hof van beroep in Brussel de zaak aangehouden tot de definitieve beslissing van het Amsterdamse hof in onze zaak [41] .
Oostenrijkse Patentamtheeft de corresponderende merkinschrijving van Capri Sun nietig verklaard op grond van de techniekuitzondering (s.t. Riha 1.4 en repliek in cassatie Capri Sun onder 2). Capri Sun heeft geappelleerd bij het
Oberlandesgerichtin Wenen (repliek Capri Sun in cassatie onder 2).
Capri Sun/ [A]heeft de Haagse rechtbank in 2014 geoordeeld dat sprake is van een vorm die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen. Daarbij is van belang geacht dat voor de vorm van het sta-zakje in 1963 in Nederland octrooi is aangevraagd [42] . Capri Sun heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis (zie rov. 2 (vi) van het bestreden arrest, hiervoor weergegeven in 1.6). De octrooiaanvraag uit 1963 is overigens ook vermeld in de feitenweergave van het hier bestreden arrest (rov. 2 (viii), hiervoor weergegeven in 1.8).
eerste onderdeelis gericht tegen het nietigheidsoordeel vanwege technische bepaaldheid in rov. 3.3.1.-3.3.3 van het vormmerk van Capri Sun. Ik neem hier ook de in
subonderdeel II.IIverstopte rechtsklacht tegen rov. 3.3.3 verwoord in 31 van de procesinleiding in cassatie mee.
eerste onderdeelbegint met een weergave van deze aangevallen overwegingen in 14 en 15 van de procesinleiding, in 16 gevolgd door een duiding die neerkomt op een weergave van de opbouw van het nietigheidsoordeel van het hof op grond van de techniekexceptie.
door Capri Sunin appel van het vooraanzicht van het vormmerk als ‘gelijkbenig trapezium’ etc. De
eigen woorden van het hofzijn met weglating van deze omschrijving van Capri Sun in appel die het hof tussen haakjes plaatst: ‘
De (enigszins) taps toelopende vorm(…) zoals afgebeeld in de merkregistratie, is het gevolg van de bolling aan de onderzijde van de zakjes die ontstaat als het gevulde zakje rechtop geplaatst wordt.’ (cursivering A-G). Het gaat hier volgens mij niet om de ‘rechte zijden’ buiten verdere context of in isolatie beschouwd, zoals de klacht dit in deze lezing wil begrijpen, maar om de ‘(enigszins) taps toelopende’ vorm als gevolg van de bolling door vulling. Dàt is het kenmerk waar het hof in rov. 3.3.2 vervolgens wel degelijk iets mee doet: de ‘(min of meer) rechthoekige vorm en gelijkmatige verdeling van de drank in liggende staat’ van het drankzakje maken dat het ‘compact en zonder overbodig verlies van ruimte te plaatsen (is) in (bijvoorbeeld) een boterham trommel’, zo lezen we in rov. 3.3.2; technisch functioneel zodoende, die vorm, volgens het hof. Ik zie de gesignaleerde omissie uit de klacht dan ook niet. In gelijke zin s.t. Riha 43-46.
de (min of meer) rechthoekige vormdie
(enigszins) taps toelooptals een (wezenlijk) kenmerk van het (gevulde) sta-zakje. De (min of meer) rechte zijden zijn
onderdeelvan die vorm. Volgens het hof is het drankzakje door de (min of meer) rechthoekige vorm en gelijkmatige verdeling van de drank compact en zonder overbodig verlies van ruimte te plaatsen in (bijvoorbeeld) een broodtrommel en kan het drankzakje bij het gebruik met een rietje rechtop worden gezet waardoor morsen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het hof is op die grond van oordeel dat deze vorm,
dus de (min of meer) rechthoekige (enigszins taps toelopende) vorm van het gevulde zakjegeheel functioneel/technisch is bepaald (rov. 3.3.2.-3.3.3.). Daarmee faalt de klacht dat het hof de rechte zijden als wezenlijk kenmerk noemt, maar hieraan geen technische functie heeft toegekend. De rechtsklacht van het eerste onderdeel gaat volgens mij niet op.
eerste onderdeelbevat verder
onder 18van de procesinleiding in cassatie een motiveringsklacht voor het geval het hof de rechte zijden functioneel heeft geacht omdat het sta-zakje hierdoor compact is en zonder verlies van ruimte is te plaatsen in (bijvoorbeeld) een boterhamtrommel. Ik begrijp de klacht zo dat deze ook is geformuleerd voor het geval dat de (min of meer) rechte zijden deel uitmaken van een vorm die het hof functioneel heeft geacht, want dat is volgens mij als gezegd het oordeel van het hof. De motiveringsklacht is drieledig.
eerste deelvertrekt vanuit de stelling dat het hof overweegt dat de (vermeende) compactheid van het sta-zakje wordt veroorzaakt door de min of meer rechthoekige vorm. Rechthoekig betekent niets meer dan dat het sta-zakje langer in de hoogte is dan in de breedte, zoals de rechtbank in rov. 4.12 heeft overwogen. Die omstandigheid zegt volgens de klacht (nog) niets over de rechtheid van de zijden van het sta-zakje. Ook sta-zakjes met zijden die niet (geheel) recht zijn, kunnen daarnaast een min of meer rechthoekige vorm hebben en daarmee compact zijn, zo vervolgt de klacht. Capri Sun heeft veel voorbeelden van alternatieve sta-zakjes naar voren gebracht met een ‘min of meer rechthoekige vorm’ en zonder rechte zijden die dan naar het oordeel van het hof eveneens ‘compact’ zouden zijn en de door het hof genoemde voordelen bieden. Daartoe verwijst Capri Sun naar haar mvg 59 en 61-62 (met verwijzing naar prods. 15, 17 en 18). Het hof mocht volgens de klacht deze essentiële stelling niet passeren.
helemaalof echt (kaars)rechte zijden. Het gaat niet om een vorm met helemaal rechte zijden, maar om (min of meer) rechte zijden, zo hebben we gezien bij de behandeling van de vorige (rechts)klacht, dat is iets anders in de context van de aangevallen beslissing van het hof.
specifiekerechthoekige vorm van het sta-zakje van Capri Sun langer is in de hoogte dan in de breedte. Die overweging laat onverlet dat de (min of meer) rechte zijden deel uitmaken van de (min of meer) rechthoekige vorm en die laatste vorm is waar het volgens het hof naar zijn feitelijke vaststelling om gaat. Capri Sun heeft in de aangehaalde passages bij grieven niet betoogd dat er alternatieve sta-zakjes bestaan zonder rechte zijden die wel een min of meer rechthoekige vorm hebben, zodat ook deze veronderstelling in de klacht volgens mij niet opgaat. Wel heeft Capri Sun gewezen op mogelijke alternatieve vormen voor sta-zakjes. Het hof is in rov. 3.3.4. ingegaan op de mogelijkheid om sta-zakjes met een (iets) afwijkende vorm te maken. Die overweging wordt in het tweede onderdeel bestreden en komt bij de bespreking daarvan aan bod.
tweede deel van de motiveringsklachtuit het eerste onderdeel is dat Capri Sun daarnaast gemotiveerd heeft aangevoerd dat de vorm van het sta-zakje – waaronder de rechte zijden – niet noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technische uitkomst (anders dan dat het kan staan en drank kan ontsluiten), maar het resultaat van een esthetische (design)keuze is [44] , welke stelling is onderbouwd met de als prod. 13 overgelegde verklaring van ir. A.R. Aalbers. Aalbers verklaart dat al naar gelang de plaatsing van de lassen en de vorm en maat van het gusset [45] , andere vormen van een sta-zakje met dezelfde functie kunnen ontstaan [46] . Door die stellingen te passeren, is het oordeel volgens deze klacht onbegrijpelijk.
derde deelvan de motiveringsklacht uit het eerste onderdeel is dat de rechte zijden van het sta-zakje volgens Capri Sun juist niet noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van een technische uitkomst, omdat de (scherpe) rechte zijden van het sta-zakje minder goed in de (kinder)hand liggen dan alternatieve vormen van het sta-zakje met afgeronde randen. Capri Sun heeft dit volgens de klacht gemotiveerd gesteld en het hof zou hierover niet anders hebben geoordeeld [47] .
subonderdeel II.IIzit nog een rechtsklacht verscholen tegen rov. 3.3.3 die systematisch ook hier te plaatsen is, zodat ik deze hier meeneem (vgl. procesinleiding in cassatie 31): het oordeel van het hof in rov. 3.3.3 dat het feitenmateriaal onvoldoende steun biedt voor de stelling dat bij het ontwerp van het sta-zakje creatieve keuzes zijn gemaakt is rechtens onjuist, nu het gemaakt hebben van dergelijke keuzes geen vereiste is voor het niet van toepassing zijn van de techniekexceptie, zo luidt deze klacht; ik begrijp dit als: het maken van dergelijke creatieve keuzes is geen vereiste om de techniekuitsluiting buiten toepassing te laten.
tweede onderdeelbevat twee subonderdelen en komt op tegen de verwerping in rov. 3.3.4. van het betoog van Capri Sun dat het mogelijk is sta-zakjes te maken met een (iets) afwijkende vorm waaraan een gelijke nuttige functie kan worden toegekend.
productie 15 CS).
productie 17 CS). De omstandigheid dat verschillende van deze verpakkingen buiten de Benelux in de handel worden gebracht, is in dit verband niet relevant omdat het hier uitsluitend gaat om te illustreren dat de vorm van het in IR 677.879 afgebeelde sta-zakje niet noodzakelijk is ter verkrijging van een technische uitkomst.
productie 18 CS).”
Philips/Remington [51] .
eerste rechtsklachtheeft het hof daarmee een onjuiste uitleg gegeven aan de rechtsregel uit
Philips/Remington. Weliswaar is in dat arrest gekozen voor de apparaatgerichte leer, maar dat betekent niet dat het hof in onze zaak het vormmerk mede op die grond nietig kon verklaren, omdat het HvJ EU de apparaatgerichte leer niet tot het uiterste doorgevoerd wil zien. Het Luxemburgse Hof heeft in
Lego Juris [52] immers overwogen dat de ratio van de techniekuitzondering is dat binnen de EU technische oplossingen slechts voor een beperkte duur kunnen worden beschermd, zodat zij daarna ongestoord door alle marktdeelnemers kunnen worden gebruikt (onder verwijzing naar punt 46 uit
Lego Juris). Die ratio staat er volgens de klacht aan in de weg dat voorhanden alternatieve vormen onder alle omstandigheden niet van belang zijn, in het bijzonder als er (schier) oneindige beschikbare alternatieve vormen zijn en er zodoende geen gevaar van monopolisering van een technische oplossing dreigt. In onze zaak speelt volgens de klacht een merkinschrijving van een vorm (van het sta-zakje voor drank) waarvoor
oneindigveel alternatieve vormen beschikbaar zijn. De vormeloze waar (drank) kan in elke denkbare vorm kan worden aangeboden, terwijl de verpakking ervan ook elke denkbare vorm kan hebben, zo stelt Capri Sun [53] . In haar s.t. en haar repliek in cassatie benadrukt Capri Sun dat bij verpakkingen voor vormeloze producten niet het risico op monopolisering bestaat – er is altijd een andere verpakking of vrije vorm mogelijk – zodat de ratio van de techniekuitzondering hier niet opgaat (s.t. 35, 36, 74 en 78 en repliek 22, 24 en 30).
tweede rechtsklachtvan subonderdeel II.II is dat het hof verder heeft miskend dat
Philips/Remingtonalleen betrekking heeft op vormvaste waar. Voor zover daarover onduidelijkheid mocht bestaan, moeten op dit punt volgens de klacht prejudiciële vragen aan het HvJ EU worden gesteld.
verdere rechtsklachtzit hier nog enigszins verstopt in subonderdeel II.II (vgl. 31 procesinleiding in cassatie) en is gericht tegen rov. 3.3.3 i.p.v rov. 3.3.4 waar onderdeel II voor het overige tegen gericht is: het maken van creatieve keuzes is
geenvereiste voor het
nietvan toepassing zijn van de techniekexceptie. Deze klacht is hiervoor bij onderdeel I al in afwijzende zin besproken (vgl. 2.38-2.39).
Philips/Remingtonis de strekking van de techniekuitzondering ook dat concurrenten niet mogen worden beperkt in hun vrijheid om technische oplossingen te kiezen. De uitzondering geldt ook als er andere vormen bestaan waarmee dezelfde technische uitkomst kan worden verkregen (zie hiervoor in 2.12). Deze uitgangspunten uit
Philips/Remingtongelden volgens mij onverkort voor de verpakking van vormeloze waar. Dat lijkt mij te volgen uit het arrest
Henkel [55] (in gelijke zin s.t. Riha 4.29). In die zaak oordeelde het Luxemburgse hof dat bij waren zonder intrinsieke vorm de verpakking gelijk moet worden gesteld met de vorm van de waar (zie hiervoor in 2.13). In zoverre is sprake een
acte éclairé. Het stellen van prejudiciële vragen is dan ook niet aangewezen [56] . Op dit laatste ketst de tweede rechtsklacht af.
Philips/Remingtontoegepast en hoefde niet nader in te gaan op de stelling dat de vormeloze waar in elke denkbare vorm kan worden aangeboden, terwijl de verpakking ervan ook elke denkbare vorm kan hebben. Die stelling laat namelijk onverlet dat een vormmerk op het sta-zakje concurrenten zou beperken in hun vrijheid om technische oplossingen te kiezen en dat beoogt de techniekuitzondering te voorkomen. Dat tekent het lot van de eerste rechtsklacht.
Philips/Remington-doctrine te reserveren voor intrinsiek vormvaste waren (zoals scheerkoppen, speelgoedbouwsteentjes, chocoladerepen en handvatten van messen), maar niet toe te passen op intrinsiek vormvrije waren zoals vloeistoffen die altijd een verpakking nodig hebben (vgl. s.t. 62-79), een betoog dat (ook) aanhangers heeft in literatuur en rechtspraak [57] , kan (of beter: moet) vanwege de hiervoor gegeven redenering in onze zaak volgens mij blijven rusten.
onder 31bovendien op de stelling dat een onbeperkt aantal alternatieve vormen beschikbaar is waarmee hetzelfde technische effect kan worden bereikt en dat een keuze uit deze mogelijkheden op zijn minst tot enige creativiteit dwingt [59] . Daarom is onbegrijpelijk dat volgens het hof in het feitenmateriaal onvoldoende steun is te vinden voor het standpunt dat bij het ontwerp van het zakje andere overwegingen dan die van praktische/technische aard een rol hebben gespeeld (rov. 3.3.3.).
in 33van de procesinleiding in cassatie dat onderdeel II rov. 3.3.3, 3.3.4, 3.4 en het dictum aantast, behoeft geen afzonderlijke bespreking, nu onderdeel II volgens mij niet opgaat.
derde middelonderdeelis gericht tegen rov. 3.5. dat geen sprake is van onrechtmatige slaafse nabootsing. Over slaafse nabootsing eerst kort het volgende.
Lego/Mega Brands [63] (2009) en
Mi Moneda [64] (2017) blijkt de volgende uitkristallisatie tot nu toe. Nabootsing van een stoffelijk product staat in beginsel vrij als het niet (langer) wordt beschermd door een absoluut recht van intellectuele eigendom. Dit lijdt uitzondering wanneer door die nabootsing verwarring bij het publiek valt te duchten en de nabootsende concurrent tekortschiet in zijn verplichting om bij dat nabootsen alles te doen wat redelijkerwijs mogelijk en nodig is om, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, te voorkomen dat door de gelijkheid van beide producten gevaar voor verwarring ontstaat. In dat geval is nabootsing een vorm van oneerlijke mededinging, waartegen uit hoofde van onrechtmatige daad kan worden opgekomen. Van verwarring kan pas sprake zijn indien dat product een ‘eigen gezicht’ heeft op de relevante markt, dat wil zeggen: zich in uiterlijke verschijningsvorm onderscheidt van andere, gelijksoortige producten op die markt.
subonderdeel III.Iheeft het hof miskend dat voor de beoordeling van het beroep op slaafse nabootsing het bestaan van ‘alternatieve vormen die eenzelfde technische functie vervullen’ een relevante omstandigheid is. Het bestaan daarvan toont aan dat het voor de deugdelijkheid en bruikbaarheid niet nodig is om het vormmerk na te bootsen. Het hof heeft hier volgens de klacht de juiste maatstaf miskend, namelijk dat verboden is verwarring te stichten door na te bootsen op punten waar dat voor de deugdelijkheid en bruikbaarheid van het product niet nodig is. De klacht verwijst naar de stellingen (i) dat het sta-zakje een ‘eigen plaats’ heeft op de relevante markt [69] , (ii) dat het op de markt brengen door Riha van haar sta-zakje tot verwarring leidt bij een weinig oplettend kopend publiek op de Nederlandse markt [70] en (iii) dat alternatieve vormen beschikbaar zijn waarmee dezelfde technische uitkomst kan worden verkregen [71] .
medein het licht van het voorgaande oordeel over de technische bepaaldheid van het als vormmerk ingeschreven sta-zakje. Het hof heeft daartoe overwogen dat het immers kenmerken betreft die noodzakelijk zijn om een technische uitkomst te verkrijgen. Het hof neemt daarom aan dat, voor zover door de vormgeving van het zakje bij het publiek verwarring ontstaat, deze niet vermijdbaar is zonder aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid van de verpakking afbreuk te doen. Dit oordeel impliceert dat het gebruik van dezelfde functionele kenmerken
op zichniet tot de slotsom leidt dat sprake is van slaafse nabootsing [72] . Anders dan subonderdeel III.I stelt, heeft het hof daarmee niet geoordeeld dat het gebruik van dezelfde technische oplossing voor de beoordeling van het beroep op slaafse nabootsing geen relevante omstandigheid kan zijn. Daar strandt de rechtsklacht eigenlijk al op.
Hyster Karry Krane [73] wees Uw Raad er al op dat technische nabootsing op zich geoorloofd is. In de vakliteratuur [74] en feitenrechtspraak [75] wordt ook aangenomen dat het gebruik van dezelfde functionele kenmerken op zichzelf nog niet kwalificeert als slaafse nabootsing.
onnodigverwarring wekken [76] met een nabootsing die even deugdelijk en bruikbaar is als het nagevolgde product, welke even deugdelijke en bruikbare nabootsing op zichzelf geoorloofd is, bij gebreke van IE-rechten die daar een stokje voor steken en daarbij moet gekeken worden naar alle omstandigheden van het geval. Dat verwarring kan worden gewekt door die nabootsing wordt op de koop toe genomen, als dat voor de deugdelijkheid en bruikbaarheid nu eenmaal onvermijdelijk is, zoals hier in de ogen van het hof gebruik van de dezelfde vorm en het foliemateriaal. Door wel flink af te wijken waar dat mogelijk was zonder een “technisch” inferieur product neer te zetten, is Riha niet tekort geschoten in haar verplichting af te wijken waar mogelijk met het oog op vermijding van verwarring. Zij heeft naar het feitelijk oordeel van het hof aan die verplichting voldaan met een (sterk) afwijkende opdruk en opmaak.
onder 45dat ook het dictum door onderdeel III wordt aangetast, kan onbesproken blijven.
- Capri Sun betaalt aan Riha € 33.000,- (inclusief verschotten) als het gehele cassatieberoep wordt verworpen.
- Capri Sun betaalt aan Riha € 18.000,- (inclusief verschotten) als één of meer van de klachten van onderdeel 3 tot vernietiging leidt, maar alle klachten van onderdelen 1 en 2 worden verworpen. De verschotten worden dan gecompenseerd.