Conclusie
1.Inleiding
Köbler-arrest, [3] evenals de rechtbank geconcludeerd dat er geen aansprakelijkheid is. [4]
2.Feiten en procesverloop
3.Het arrest van de Hoge Raad van 2012 en het oordeel van het hof daarover
-te worden onderzocht of het door art. 5.4 CAO gemaakte leeftijdonderscheid een legitiem doel dient en, indien zulks het geval is, of het gemaakte onderscheid passend en noodzakelijk is voor dat doel. Ingevolge art. 12 dient Pro te worden aangenomen dat de bewijslast dat sprake is van een objectieve rechtvaardiging op KLM (en daarmee ook op VNV) rust.
kennelijkheeft geschonden.
acte éclairé), (iii) de juiste toepassing van het EU-recht is zo evident dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan (
acte claire). Nu de Hoge Raad, ondanks dit verzoek, heeft nagelaten zijn beslissing te motiveren heeft de Hoge Raad in strijd gehandeld met art. 6 EVRM Pro en is de Staat volgens de piloten jegens hen op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk. De Staat betwist dat de piloten een verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen te stellen tot de Hoge Raad hebben gericht en stelt zich overigens op het standpunt dat de motivering voldoende duidelijk uit het arrest van de Hoge Raad volgt. Ook houdt volgens de Staat een eventuele schending van het motiveringsbeginsel op dit punt geen onrechtmatige daad in.
4.De door het cassatiemiddel opgeworpen vragen
onderdeel VIIvan het middel, dat ik als eerste bespreek (sub 5).
Köbler-maatstaf of het arrest van de Hoge Raad van 2012 een ‘voldoende gekwalificeerde schending’ van het Unierecht oplevert (rov. 3.8-3.10 en 4.4). Dat vereist niet alleen een beoordeling of er een schending van het Unierecht was, maar ook een waardering van de ernst daarvan. Niet elke schending van Unierecht levert aansprakelijkheid volgens de
Köbler-maatstaf op.
Köbler-maatstaf in beeld. Op vergelijkbare wijze beoordeelde het hof de kwestie van de motivering.
onderdelen IV en VI, die ik bespreek onder 6.
onderdeel Ivan het middel dat het hof de grondslag van hun vorderingen heeft miskend, omdat zij wél ook een onjuiste inhoudelijke beoordeling van zaak aan de hand van het toepasselijke Unierecht aan hun vorderingen ten grondslag zouden hebben gelegd (en niet slechts in het kader van het causale verband, zoals het hof oordeelde in rov. 2.2). Deze klacht bespreek in sub 7, tezamen met
onderdeel II, dat klaagt over de afdoening van de grondslag van art. 21 Handvest Pro in rov. 2.3. Beide onderdelen falen, zodat de zaak mijns inziens inderdaad alleen gaat over het verwijt (onvoldoende gemotiveerd) geen prejudiciële vragen te hebben gesteld.
onderdeel III) en over de begrijpelijkheid van rov. 3.9 (
onderdeel V). Het laatste onderdeel van het middel,
onderdeel VIII, bevat een zogenoemde veegklacht. Ik bespreek deze overige klachten onder 8.
5.Behandeling van dit cassatieberoep door de Hoge Raad (onderdeel VII)
onderdeel VIImiskent het hof in zijn arrest dat de Hoge Raad niet geschikt is om te oordelen over een vraag van staatsaansprakelijkheid, opgekomen in het kader van een onrechtmatige rechtspraakprocedure, waarin aan de orde is een gesteld verzuim van de Hoge Raad zelf.
Köbler-arrest heeft het (thans) HvJEU bevestigd dat het aan de rechtsorde van elke lidstaat is, om de rechterlijke instantie aan te wijzen die bevoegd is om geschillen betreffende de vergoeding wegens schending van (thans) Unierecht te beslechten. Wel dienen de lidstaten een effectieve bescherming van de aan de communautaire rechtsorde ontleende individuele rechten te verzekeren. [14] Niet valt in te zien waarom de Hoge Raad in zaken als de onderhavige geen effectieve rechtsbescherming zou kunnen verzekeren. Indien daartoe aanleiding is, kan de Hoge Raad ook in een dergelijke procedure over aansprakelijkheid prejudiciële vragen stellen aan het HvJEU. [15]
6.Beoordeling van de aansprakelijkheid (onderdelen IV en VI)
onderdelen IV en VIstellen, kort gezegd, de aansprakelijkheid voor het (onvoldoende gemotiveerd) niet stellen van prejudiciële vragen aan de orde. Ik schets [27] hieronder het toepasselijke juridische kader ten aanzien van de beoordelingsmaatstaf voor onrechtmatige rechtspraak, de verplichting tot prejudiciële verwijzing van de hoogste nationale rechter en de motiveringsvereisten ter zake. Vervolgens analyseer ik de klachten van de onderdelen IV en VI en besluit ik met een beoordeling daarvan.
Jan Luycken-maatstaf). [29]
Greenworld-maatstaf) − zou hebben ontwikkeld voor de aansprakelijkheid van (niet alleen arbiters, maar ook die van) gerechten. [31]
Köbler-maatstaf.
Köbler-arrest van het HvJEU worden voldaan aan de volgende voorwaarden: (a) de geschonden rechtsregel strekt ertoe particulieren rechten toe te kennen, (b) er is sprake van een voldoende gekwalificeerde schending en (c) er bestaat een rechtstreeks causaal verband tussen deze schending van de op de staat rustende verplichting en de door de betrokkenen geleden schade. [32]
Köbler-arrest het vereiste van de een voldoende gekwalificeerde schending als volgt:
Köbler-maatstaf beoordeeld of de Staat aansprakelijk is, omdat de Hoge Raad zijn zijn arrest van 2012 (i) geen prejudiciële vraag heeft gesteld (rov. 3.8-3.10) en (ii) de beslissing om dat niet te doen onvoldoende zou hebben gemotiveerd (rov. 4.3-4.4).
Jan Luycken-maatstaf en aan de
Greenworld-maatstaf en geoordeeld dat ook volgens die maatstaven er geen aansprakelijkheid is (rov. 4.5). Het middel klaagt daarover niet en ik laat dit verder rusten. [35]
Köbler-maatstaf toepast, is op zichzelf terecht. Voor het onderhavige geval van aansprakelijkheid van de rechter kent het Nederlandse recht immers niet een strengere maatstaf om de aansprakelijkheid van de Staat te beoordelen, dan de
Köbler-maatstaf van het Unierecht. [36] Zou er wel een dergelijke strengere maatstaf bestaan voor schending van nationaal recht door de Nederlandse rechter, dan zou het Unierecht vereisen dat die strengere maatstaf ook zou worden toegepast bij vergelijkbare gevallen van schending van Unierecht.
Köbler-maatstaf is het hof Den Haag in rov. 3.2 en 3.3 uitgegaan van een voor [eiser] c.s. in beginsel gunstige rechtsopvatting. Het hof oordeelt namelijk dat de verwijzingsplicht van art. 267 alinea Pro 3 VWEU rechten aan particulieren toekent (rov. 3.3) en gaat er voorts veronderstellenderwijs vanuit dat het nalaten om een prejudiciële vraag te stellen al een zelfstandige grondslag voor onrechtmatig handelen kan opleveren (rov. 2.2). Uitgangspunt is daarmee dat er
Köbler-aansprakelijkheid kan zijn voor het niet stellen van prejudiciële vragen door de Hoge Raad
zonderdat tevens vast staat dat deze in zijn arrest van 2012 het Unierecht over leeftijdsdiscriminatie inhoudelijk verkeerd heeft uitgelegd.
Köbler-aansprakelijkheid overigens wel gesproken van een ‘onverantwoord verzuim’ om aan de verwijzingsplicht te voldoen, [38] maar dat betrof niet een geval waarin alleen de verwijzingsplicht als zodanig in het geding was.
Köbler-arrest) volledig wordt betrokken op de vraag naar de beoordeling van de noodzaak van een prejudiciële verwijzing in het arrest van 2012 en op de motivering van de beslissing om geen vraag te stellen. [41]
acte éclairé) of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo voor de hand ligt dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan (
acte clair). Bij de beoordeling of een dergelijk geval zich voordoet, moet rekening worden gehouden met de eigen kenmerken van het Unierecht, de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan en het gevaar voor uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie. [44]
acte éclairémerk ik nog op dat er geen verplichting om prejudiciële vragen te stellen bestaat “wanneer de opgeworpen vraag zakelijk gelijk is aan een vraag die reeds in een soortgelijk geval voorwerp van een prejudiciële beslissing is geweest” [45] of “wanneer er al een vaste rechtspraak van het Hof bestaat over het punt waarop het geding betrekking heeft”; daarbij is niet van belang wat de aard van de procedure is of dat de vraagpunten in geschil niet volstrekt identiek zijn. [46] Wanneer een vraag niet identiek is aan een vraag waarover het Hof reeds uitspraak heeft gedaan, is dus in ieder geval vereist dat het antwoord op de vraag (duidelijk) uit de rechtspraak van het Hof kan worden afgeleid. [47]
acte clairwanneer de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de gestelde vraag moet worden opgelost. De nationale rechter dient ervan overtuigd te zijn dat die oplossing ook even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten en voor het Hof. [48]
acte clair-doctrine minder streng toe te passen en niet van de nationale rechter te vergen dat hij onderzoekt of de rechterlijke instanties van alle lidstaten evident tot dezelfde uitkomst zouden komen. [49] Het HvJEU heeft de leer vooralsnog niet versoepeld. [50] Wel erkent het HvJEU dat de hoogste nationale rechter kan oordelen dat sprake is van een
acte clairook al geven andere autoriteiten [51] of lagere rechters een andere uitleg aan het toepasselijke Unierecht; [52] voor dat oordeel is echter geen plaats als lagere rechterlijke instanties uiteenlopende beslissingen geven over de uitlegging van een bepaald Unierechtelijk begrip waarvan de uitlegging tevens herhaaldelijk moeilijkheden oplevert in de verschillende lidstaten. [53]
acte éclairévergt een waardering. Daarom wordt in de literatuur opgemerkt de nationale rechter een (ruime) beoordelingsruimte heeft als het aankomt op de vraag of een prejudiciële verwijzing nodig is. [55]
Cilfit-leer de hoogste nationale rechter dus in beginsel een zekere beoordelingsmarge toekent ten aanzien van de vraag of een prejudiciële vraag moet worden gesteld, geldt in sommige gevallen een stringenter regime.
AFNE. [59] Deze zaak betrof de bevoegdheid van de nationale rechter om, bij uitzondering en per geval, bepaalde gevolgen van een verklaring dat een bepaling van nationaal recht die is vastgesteld in strijd met de verplichtingen van Richtlijn 2001/42/EG (de strategische milieubeoordelingsrichtlijn) in de tijd te beperken. Deze bijzondere bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend wanneer aan een specifiek aantal, door het HvJEU geformuleerde, voorwaarden is voldaan, waaronder de voorwaarde dat door de bestreden nationale bepaling naar behoren uitvoering wordt gegeven aan het Unierecht op het gebied van de bescherming van het milieu. [60]
AFNEvraagt de nationale rechter of hij, alvorens gebruik te maken van die buitengewone bevoegdheid, in alle gevallen verplicht is het HvJEU om een prejudiciële beslissing te verzoeken. Daaromtrent overwoog het Hof – na een bespreking van de
acte clairuit het
Cilfit-arrest – als volgt:
acte clairzal hij ‘uitvoerig moeten aantonen’.
AFNEaf dat volgens het HvJEU dat de hoogste nationale rechter in het algemeen verplicht is om zijn beslissing om geen prejudiciële vraag te stellen, uitgebreid te motiveren. [61] Anderen menen echter dat de in dit arrest geformuleerde motiveringsplicht slechts geldt in de bijzondere omstandigheden van die zaak, althans dat dit niet valt uit te sluiten. [62] Die laatste opvatting is mijns inziens de juiste. Het arrest
AFNEbenadrukt het buitengewone karakter van de bevoegdheid en formuleert in dat verband, en niet in algemene zin (waarover hierna sub 6.15 e.v.), een daarop toegesneden motiveringsplicht.
Cilfit-arrest vooropgesteld dat de prejudiciële procedure geen rechtsmiddel is ten behoeve van de partijen in een bij de nationale rechter aanhangig geschil. [66] De nationale rechter beslist derhalve zelfstandig, en zo nodig ambtshalve, over de wenselijkheid van een prejudiciële beslissing over een vraag van uitlegging van Unierecht, ongeacht het standpunt van partijen.
Cilfitzijn geformuleerd. Het EHRM kan zich echter niet uitspreken over de juistheid van de toepassing van de verwijzingsplicht door nationale rechters, omdat het niet kan oordelen over de interpretatie en toepassing van nationaal recht en de vraag of deze in overeenstemming is met het Unierecht. [69]
Ullens de Schooten en Rezabek/Belgiëoverwoog het EHRM:
Cilfit-arrest. Zo had het Hof van Cassatie, onder verwijzing naar rechtspraak van het HvJEU, gemotiveerd dat sprake was van een
acte éclairé(zie § 22 en 64 van het arrest). [70]
Dhahbi/Italië. [71] Het Italiaanse Hof van Cassatie had geen prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU over, kort gezegd, de uitleg van de ‘Euro-Mediterranean Agreement’, terwijl daar uitdrukkelijk om was verzocht. De motivering van het Italiaanse Hof van Cassatie was naar het oordeel van het EHRM onvoldoende:
Cilfit-leer dan wel de vraag van Unierecht had genegeerd.
Dhahbiheeft geleid tot de nodige vragen omtrent de precieze eisen die het EHRM stelt aan de motivering door de hoogste nationale rechter. Soms wordt aangenomen dat het EHRM een uitdrukkelijke verwijzing naar een van de drie
Cilfit-gronden vereist, althans een motivering waaruit blijkt dat aan die gronde is getoetst. [72] De thans PG Silvis wijst er in een publicatie uit 2015 op, dat het EHRM in het arrest
Schipaniniet uitsluit dat de afwijzing van een prejudicieel verwijzingsverzoek impliciet kan geschieden zonder verwijzing naar de
Cilfit-criteria. [73] Het EHRM heeft ook wel een verkorte motivering toegestaan. [74] De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een uitspraak waarbij het cassatieberoep met toepassing van en onder verwijzing naar art. 80a dan wel art. 81 RO Pro niet-ontvankelijk wordt verklaard onderscheidenlijk wordt verworpen, een beknopte motivering van die beslissing bevat en dat de uitspraak daarmee impliceert dat zich in desbetreffende zaak één van de situaties voordoet waarin van het stellen van prejudiciële vragen kan worden afgezien. [75]
Aquinovan 15 maart 2017, heeft het HvJEU de vraag over de verenigbaarheid van het verkort motiveren van een weigering om prejudicieel te verwijzen met (onder meer) art. 47, tweede alinea, jo. art. 52 lid 3 Handvest Pro, onbeantwoord gelaten. [79]
AFNE. De op 25 november 2016 – na het arrest
AFNE– gepubliceerde geactualiseerde versie van de ‘Aanbevelingen aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures’ van het HvJEU bevat evenmin aanwijzingen voor een motiveringsplicht bij het afwijzen van een verzoek om prejudiciële vragen (zie hiervoor bij 6.13). [80]
Köbler-maatstaf. [84]
Köbler-maatstaf moet worden toegepast. Rov. 4.3 is in cassatie niet bestreden.
Palacios de la Villa,en C-45/09,
Rosenbladt), waaruit volgt dat doelstellingen van algemeen belang niet slechts door de overheid maar ook door de sociale partners kunnen worden nagestreefd en dat daarbij aan de sociale partners een ruime beoordelingsvrijheid toekomt, valt niet in te zien waarom een algemeen belang tevens zou moeten corresponderen met het beleid van de nationale overheid. Zaak C-447/09,
Prigge,ging om een ander geval, namelijk het bevorderen van de luchtvaartveiligheid (rov. 3.7).
Dhahbi-arrest van het EHRM betoogt het onderdeel dat de rechter in hoogste instantie geen, althans een geclausuleerde “margin of appreciation”, toekomt en deze rechter als primaire rechtsplicht heeft dat (indien daarom wordt verzocht) tot prejudiciële vraagstelling wordt overgegaan als onderdeel van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro, welk recht langs de weg van art. 6 en Pro art. 19 VEU Pro en art. 47 Handvest Pro tot uitdrukking is gebracht in het Unierecht.
Cilfit-arrest (vgl. rov. 4.1) als volgt.
AFNE-arrest van het HvJEU, dat een nationale rechterlijke instantie, waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor beroep, verplicht is prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU, zodat dit kan beoordelen of, bij uitzondering, de bepalingen van nationaal recht, die strijdig zijn geacht met het Unierecht, al dan niet kunnen worden gehandhaafd, aldus dat de nationale rechterlijke instantie slechts van deze plicht is vrijgesteld indien zij ervan overtuigd is, hetgeen zij uitvoerig moet aantonen, dat over de uitlegging en de toepassing van dat Unierecht redelijkerwijs geen enkele twijfel bestaat.
Cilfit-arrest) geen prejudiciële vragen hoeven te worden gesteld.
Palacios de la Villa,
Rosenbladten
Prigge− de aan hem voorgelegde vragen van Unierecht zelf kon beantwoorden. Met andere woorden, er was sprake van een
acte éclairéin zin van het
Cilfit-arrest. [88] Het hof Den Haag oordeelde voorts, onbestreden, dat dit ook voor [eiser] c.s. duidelijk moet zijn geweest.
Cilfit-rechtspraak van het HvJEU.
Onderdeel VIbetoogt onder meer dat er slechts een uitzondering bestaat op de verwijzingsplicht van de hoogste nationale rechter wanneer over de uitlegging en toepassing van het Unierecht redelijkerwijs geen twijfel bestaat.
Cilfit-arrest de hoogste nationale rechter niet verplicht is een prejudiciële vraag te stellen indien (onder meer) sprake is een een
acte éclairé.
acte éclairé.
onderdeel VImiskend, zoals hiervoor is uiteengezet, dat de voorwaarden en vereisten van het
AFNE-arrest van het HvJEU niet zien op de situatie waarover de Hoge Raad in 2012 diende te oordelen. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat het
AFNE-arrest ziet op de beoordeling van het bestaan van een
acte clair(in het in die zaak bedoelde bijzondere geval), terwijl het arrest van de Hoge Raad van 2012 toepassing geeft aan de uitzondering van de
acte éclairé.
onderdeel IV(gezien de verwijzing naar het arrest
Dhahbi) en
onderdeel VI(gezien de verwijzing naar het arrest
AFNE) het oordeel van het hof Den Haag over de motiveringsplicht van de Hoge Raad aan de orde stellen, falen de klachten eveneens.
onderdeel IVbetoogt dat het hof in rov. 3.7 en 3.8 zou hebben geoordeeld dat het ongemotiveerd ter zijde schuiven van een verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen geen voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht oplevert, mist het feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof in rov. 3.8 heeft immers uitsluitend betrekking op de vraag of een schending van de Hoge Raad van de verplichting om prejudiciële vragen te stellen op zichzelf leidt tot een voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht. Ook uit rov. 4.2 t/m 4.4 blijkt niet dat het hof van deze rechtsopvatting is uitgegaan.
Ullens de Schooten en Rezabek/Belgiëen dat daaruit voor [eiser] c.s. kenbaar is waarom geen prejudiciële vraag is gesteld. Uit de motivering van het arrest van 2012 blijkt immers, dat, in de bewoording van het arrest
Dhahbi, de “question was considered (…) to relate to a provision which (…) had already been interpreted by the CJEU”.
7.De grondslag van de vorderingen (onderdelen I en II)
8.De overige klachten (onderdelen III, V en VIII)
9.Slotsom; prejudiciële vragen stellen?
Köbler-arrest mogelijk is in een geval zoals het onderhavige waarin, naar moet worden aangenomen, de gestelde aansprakelijkheid uitsluitend zou berusten op het niet stellen van prejudiciële vragen.
Cilfit-rechtspraak daarop al een (ontkennend) antwoord geeft.
acte éclairé-uitzondering op de verwijzingsplicht – in overeenstemming is met de eisen die het Unierecht, in het bijzonder de
Cilfit-rechtspraak, stelt aan de (uitzonderingen op de) verwijzingsplicht.
Cilfit-rechtspraak, een prejudiciële verwijzing in een concreet geval achterwege kan blijven.
Köbler-maatstaf.
AFNE-arrest niet ziet op een geval als het onderhavige (zie bij 6.11.4, 6.21 en 6.32.2), zou de vraag kunnen rijzen of het HvJEU in dit arrest, desalniettemin, de in beginsel verwijzingsplichtige nationale rechter verplicht om zijn beslissing om geen vraag te stellen uitvoerig te motiveren in het licht van de in de
Cilfit-rechtspraak erkende uitzonderingen op de verwijzingsplicht.
AFNE-arrest, dat ziet op een ander geval dat het onderhavige geval, voor het onderhavige geval strengere motiveringseisen zou stellen dan voortvloeien uit art. 6 lid 1 EVRM Pro dan wel, eventueel, art. 47 Handvest Pro. Bovendien herinner ik aan het onbestreden oordeel van het hof Den Haag, dat de Hoge Raad zijn arrest van 2012 inderdaad, kenbaar, hééft gemotiveerd aan de hand van de gevallen waarin op grond van de jurisprudentie van het HvJEU geen prejudiciële vragen hoeven te worden gesteld (zie bij 6.29-6.30). Daaraan kan worden toegevoegd, dat deze motivering (zie bij 3.4) uitvoerig is.