Conclusie
1.Feiten en procesverloop
AG) (of haar rechtsopvolgers onder algemene titel) het recht om een perceel landbouwgrond, eigendom van (de man,
AG), ter grootte van ongeveer Zeven Hectaren Vijftig Centiaren, kadastraal bekend gemeente [woonplaats] sectie [X] nummer [001], grenzend aan een perceel dat toebehoort aan [betrokkene 1] , broer van (de vrouw,
AG), te kopen casu quo toegedeeld te krijgen tegen een waarde in vrije staat, in onderling overleg vast te stellen en bij gebreke daarvan vast te stellen door drie deskundigen.
indien het huwelijk tussen de echtgenoten wordt ontbonden”, niet kan worden uitgegaan van een waarde van die grond vóór de datum van ontbinding van het huwelijk (1 november 2012). Bij de toedeling van vermogensbestanddelen in het kader van de afwikkeling van een huwelijk is uitgangspunt de waarde van het betreffende vermogensbestanddeel op het moment van toedeling; waarom daarvan moet worden afgeweken, is door de vrouw niet toegelicht (rov. 4.3).
ten bate van” de vrouw, zoals art. 3 HV Pro voor het bestaan van een vergoedingsrecht vereist. De woning hoort immers niet aan de vrouw in eigendom toe, maar aan haar moeder (rov. 4.4.1).
AG] (meer) heeft. Bij de afwikkeling dient de wijze waarop partijen zich tijdens het huwelijk – al dan niet in afwijking van de huwelijkse voorwaarden – jegens elkaar hebben gedragen te worden betrokken. In dat kader is van belang dat partijen bewust, om in de potovereenkomst uitdrukkelijk weergegeven redenen, een van de huwelijkse voorwaarden afwijkende regeling zijn aangegaan en daarnaar – gelet op de in dat kader opgemaakte verrekeningsoverzichten – kennelijk ook hebben willen leven (hoewel ze daar uiteindelijk grotendeels niet zijn uitgekomen). De redelijkheid en billijkheid brengt dan met zich, dat voor zover die andere regeling tussen partijen is nagekomen, daarop thans niet meer kan worden teruggekomen, en de man derhalve in het kader van de potovereenkomst de aan de vrouw gedane betaling niet als onverschuldigd betaald kan terugvorderen (rov. 4.4.2). De door de man gevorderde waardevermeerdering van de woning wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen, en omdat de vrouw de woning niet in eigendom heeft en een (eventuele) waardevermeerdering van de woning dus ook niet aan haar toekomt (rov. 6.6).
primair
incidentele grief Aheeft de man in het kader van de verrekening tussen partijen een beroep gedaan op de grond voor uitsluiting van verrekening genoemd in art. 12 sub b HV Pro.
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
manhoudt in dat de rechtbank heeft nagelaten art. 12 sub b van Pro de huwelijkse voorwaarden in de oordeelsvorming te betrekken. De man stelt dat reeds op basis van dit artikel in geen van de relevante jaren sprake is geweest van een verrekenplicht, omdat de vrouw in alle huwelijkse jaren een negatief inkomen heeft gehad, met uitzondering van de jaren 2007, 2008 en 2009 (tot en met 21 mei) indien en voor zover er wordt geoordeeld dat de door de vrouw in 2007 ontvangen schadevergoeding moet worden gekwalificeerd als te verrekenen overgespaard inkomen.
vrouwheeft verweer gevoerd. Zij voert aan dat partijen op aandringen van haar ouders huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan, enerzijds om elkaar tegen het faillissement van de ander te behoeden, anderzijds met de bedoeling dat zij beiden uiteindelijk hetzelfde zouden overhouden. De nadien gesloten potovereenkomst is een nadere uitwerking van laatstgenoemde gedachte. In die context dient ook art. 12 sub b van Pro de huwelijkse voorwaarden te worden bezien. Immers de man wist toen hij in 1996 met de vrouw huwde dat zij ten gevolge van het haar in 1994 overkomen ongeval volledig arbeidsongeschikt was verklaard en dat er ernstig rekening mee gehouden moest worden dat er niet of nauwelijks kans zou zijn op significante wijzigingen van haar belastbaarheid.
hofoverweegt als volgt.
Onverschuldigde betaling op grond van potovereenkomst (voorwaardelijke incidentele grief C van de man)
medeter bescherming tegen de schuldeisers van de andere echtgenoot – rechtstreeks van toepassing te hebben verklaard op art. 12 sub b HV Pro, terwijl dit door partijen, althans de vrouw, niet is beoogd te stellen. Partijen hebben gedurende hun huwelijk en de procedure in eerste aanleg op geen enkel moment kenbaar gemaakt dat zij bekend waren met art. 12 sub b HV Pro en daar de door het hof beoogde gevolgen aan wilde toekennen. De potovereenkomst vormt ook geen inbreuk op de huwelijkse voorwaarden; de uitleg van een dergelijke overeenkomst aan de hand van de Haviltex-norm verschilt per geval, maar niet valt in te zien dat de partijbedoeling die in de potovereenkomst gestalte heeft gekregen, zich in dit geval niet zou verdragen met de huwelijkse voorwaarden.
In dat kaderwordt (ook) naar voren gebracht dat de potovereenkomst daarbij had moeten worden betrokken. Het onderdeel verzet zich in cassatie echter
niet(meer) tegen de uitleg van het inkomensbegrip van het hof in rov. 3.9.5.3, waarover de vrouw in eerdere instanties ook steeds had aangevoerd dat daarbij de potovereenkomst moest worden betrokken. Het onderdeel kan mijns inzien ook niet, zeker niet zonder meer, (mede) in die zin worden begrepen. Blijkens het standpunt van de man heeft ook de man dat niet gedaan.
indien(zoals ook de rechtbank doet) wordt uitgegaan van (de letterlijke, fiscale betekenis van) het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen inkomensbegrip van het ‘belastbaar inkomen’, geconstateerd moet worden dat er aan de zijde van de man geen sprake is (geweest) van overgespaarde inkomsten, geldt in cassatie als vaststaand. Dáártegen – tegen deze gevolgtrekking bij het door de rechtbank gehanteerde uitgangspunt – werd door de vrouw immers niet gegriefd. Gegriefd werd slechts, voor zover hier relevant, tegen het uitgangspunt zelf (met grief I en IV) en tegen het oordeel van de rechtbank over de vraag of bij dit uitgangspunt het aan de man uit zijn onderneming toegekende inkomen wel een reële beloning zou zijn (grief V). [5] Deze grieven werden afgewezen en daartegen wordt in cassatie niet opgekomen. Het hof heeft uiteindelijk weliswaar, overeenkomstig de incidentele grief A van de man, (daarenboven) geoordeeld dat
op basis van art. 12 sub b HV Prode verrekenvordering van de vrouw reeds moest worden afgewezen, maar daarmee werd niets afgedaan aan het in hoger beroep
nietaan de orde gestelde oordeel van de rechtbank dat ingeval van uitleg van het inkomensbegrip uit art. 6 HV Pro in de (letterlijke) betekenis van ‘belastbaar inkomen’ wordt uitgegaan (welke uitleg ook het hof – als gezegd in cassatie niet meer bestreden – hanteerde) als onvoldoende betwist vaststaat dat er aan de zijde van de man geen sprake is (geweest) van overgespaarde inkomsten.
bij de beoordeling van de uitleg en toepassing van art. 12 HV Probetrokken zou moeten worden, omdat dit anders een innerlijke tegenstrijdigheid met rov. 3.15.1 en 3.15.3 zou opleveren, dan wel dat deze beoordeling anderszins onbegrijpelijk is – gevolgen zou hebben voor bedoeld oordeel. Dat wordt door het onderdeel ook niet nader toegelicht, behalve met het betoog dat indien partijen op basis van de potovereenkomst moeten verrekenen, het inkomen van de man opnieuw dient te worden bezien en onderzocht aan de hand van het gestelde in de potovereenkomst. Zoals zojuist werd overwogen, is de conclusie van een vernietiging op basis van het slagen van het onderdeel echter niet dat partijen op basis van de potovereenkomst moeten verrekenen; partijen zullen dan immers moeten verrekenen op basis van het in cassatie niet bestreden, door het hof uitgelegde inkomensbegrip uit de huwelijkse voorwaarden. Als bedoeld is te betogen dat ook ten aanzien van rov. 3.9.5.4 sprake is van innerlijke tegenstrijdigheid met rov. 3.15.1 en 3.15.3, dan had daarover in cassatie moeten worden geklaagd (en daarbij moeten worden toegelicht waarom dat het geval zou zijn). Ik concludeer dan ook dat een dergelijke vernietiging geen gevolgen zou hebben voor rov. 3.9.5.4, en ook in dit opzicht voor de vrouw geen belang bestaat bij onderdeel 1.
vermogensin plaats van de verrekening van overgespaarde
inkomsten(een soort finale verrekening). Een beding als hier aan de orde (art. 12 sub b HV Pro) wordt daarin niet uitgelegd.
van dat bedingtoegekomen. [7]
partijenmet dit beding hebben gehad, zeker niet in het huidige tijdsgewricht. Het hof heeft in rov. 3.9.4 als ratio achter de in art. 12 sub b HV Pro opgenomen beperking op de verrekenplicht in ieder geval aangenomen dat deze is gelegen in de bescherming van de echtgenoot (en het gezin) tegen schuldeisers en faillissement van de andere echtgenoot – het gaat hierbij in dit geval dan dus om bescherming van (het vermogen van) de man – die noodzakelijkerwijs met zich brengt dat art. 12 sub b HV Pro in zijn uitwerking gevolgen heeft voor de interne rechtsverhouding tussen partijen, in die zin dat er in de jaren dat een van partijen een negatief inkomen heeft geen verrekeningsverplichting tussen hen bestaat. Het hof heeft zich hierbij gebaseerd op verklaringen van beide partijen ter zitting, die inhielden dat de huwelijkse voorwaarden (onder meer) zijn aangegaan ter bescherming tegen de schuldeisers van de andere echtgenoot. Met een dergelijke ratio verdraagt de uitleg van het hof van art. 12 sub b HV Pro zich wel degelijk. Het oordeel van het hof over de ratio achter art. 12 sub b HV Pro komt mij ook overigens niet onbegrijpelijk voor. De klacht dat door partijen, althans de vrouw, niet is beoogd te stellen dat de (kennelijk algemene) beweegreden om met de huwelijkse voorwaarden (onder meer) bescherming te bieden tegen de schuldeisers van de andere echtgenoot óók betrekking had op art. 12 sub b HV Pro, komt mij niet relevant voor. Immers, ook als deze beweegreden slechts in zijn algemeenheid bij partijen aanwezig was en zij zich bij het opstellen van hun huwelijkse voorwaarden en/of in de periode daarna niet steeds volledig bewust waren van de precieze gevolgen van elk beding in die huwelijkse voorwaarden – hetgeen eerder regel dan uitzondering zal zijn – kan dit een relevant aanknopingspunt voor de uitleg van art. 12 sub b HV Pro zijn. Daarbij geldt dat het de man gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep vrijstond om pas toen en daar een beroep op art. 12 sub b HV Pro te doen, en staat dit late beroep op zichzelf niet in de weg aan de door het hof aangenomen partijbedoeling. [8]
afwijkenvan de eerder in de juiste vorm opgemaakte huwelijkse voorwaarden en zelf ook neerkomen op huwelijkse voorwaarden – en dus, gelet op art. 1:115 BW Pro, nietig zijn – zullen de bedoelingen van partijen bij deze afspraken mijns inziens doorgaans niet veel (kunnen) zeggen over de bedoelingen van partijen bij de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden en dus geen (grote) rol (kunnen) spelen bij de uitleg daarvan. Dat vormvereiste dient ook een doel: het beoogt (onder meer) echtgenoten te beschermen tegen het maken van algemene, van het (eerder) tussen hen geldende huwelijksvermogensregime afwijkende afspraken – die zelf ook als huwelijkse voorwaarden hebben te gelden – zonder daarbij door een notaris te zijn bijgestaan en daarover te zijn voorgelicht. Van conversie in een enkel tussen partijen geldende regeling kan daarom ook geen sprake zijn. [9] Voor zover in een nadere overeenkomst afspraken worden gemaakt, die géén huwelijkse voorwaarden inhouden, kan tussen partijen verder (geldig) worden afgesproken wat ze wensen, en geldt geen vormvereiste. Het zal (onder meer) van de inhoud van die afspraken afhangen, of deze ook iets (kunnen) zeggen over de bedoelingen bij de eerder tot stand gekomen huwelijkse voorwaarden. [10]
nu deze overeenkomst, naar de stellingen van partijen ter zitting, niets toevoegde aan de huwelijkse voorwaarden, doch slechts uitvoering beoogde te geven aan de daarbij vastgestelde verrekeningsverplichting.”
niet om de huwelijkse voorwaarden op enigerlei wijze te wijzigen of opzij te zetten (hetgeen zou betekenen dat de potovereenkomst nietig is), maar juist om uitvoering te geven aan de bij de huwelijkse voorwaarden vastgestelde verrekeningsverplichting.” Om die reden heeft het hof geoordeeld dat de potovereenkomst als zodanig niet nietig is, maar een geldige (uitvoerings)overeenkomst inhoudt, en de door de man uit hoofde daarvan aan de vrouw gedane betaling derhalve niet als onverschuldigd betaald kan worden teruggevorderd.
de potovereenkomst zelfniet bedoeld zou zijn een verrekenplicht in het leven te roepen in het door art. 12 sub b HV Pro bestreken geval, doch slechts een nadere uitwerking van de verrekenplicht te geven in die gevallen dat die op grond van de huwelijkse voorwaarden bestaat (door het hof een uitvoeringsovereenkomst genoemd). [11] Maar dat is onverenigbaar met de overwegingen van het hof in dit geval; daarin ligt besloten dat (ook) met die betaling niet van de huwelijkse voorwaarden werd afgeweken. Het hof spreekt immers in rov. 3.15.3 van “
de door de manuit hoofde van de potovereenkomstaan de vrouw gedane betaling” die,
omdatdie potovereenkomst (dan dus niet afwijkt van de huwelijkse voorwaarden en) niet nietig, maar geldig is, niet als onverschuldigd betaald kan worden teruggevorderd.
uitvoeringte geven aan de bij de huwelijkse voorwaarden vastgestelde verrekenverplichting, en
niet nietigis. Bij de overeenkomst zijn dan dus geen afspraken tussen de echtgenoten gemaakt die zien op hun algemene huwelijksvermogensregime. In dat geval geldt geen vormvereiste en kan de inhoud van de potovereenkomst geldige afspraken tussen partijen bevatten, of die nu afwijken van wat concreet uit de huwelijkse voorwaarden zou voortvloeien of niet. Een dergelijk oordeel acht ik echter in dit concrete geval zodanig onbegrijpelijk, dat van de uitleg van het oordeel van het hof in deze zin niet (zonder meer) kan worden uitgegaan (bovendien ligt in het eerste onderdeel van het incidentele cassatieberoep – dat klaagt over het oordeel van het hof dat de potovereenkomst niet nietig is – mijns inziens ook een klacht tegen een oordeel in dergelijke zin besloten; zie over dat onderdeel hierna onder 3.11-3.12). De potovereenkomst bevat immers alléén al als slechts wordt gelet op de door het hof in rov. 3.3 vastgestelde feiten – hierboven weergegeven bij 1.1 onder (vii) – de afspraak dat partijen hun
jaarlijksewinsten uit onderneming bij elkaar zouden voegen en deze bij helfte zouden verdelen, waardoor hun
jaarlijkseongelijkmatige winsten enigszins genivelleerd worden. [13] Dat duidt er, zeker zonder nadere toelichting, die ontbreekt, bepaald niet op dat sprake zou zijn van een eenmalige, over een specifieke, reeds verstreken periode en niet voor de toekomst geldende, concrete verrekenings- en betalingsafspraak, die eventueel ook in deze vorm geldig zou kunnen zijn als die afwijkt van (wat uit) de huwelijkse voorwaarden (voortvloeit). [14] In theorie is nog mogelijk dat het hof heeft willen overwegen dat misschien wel
de potovereenkomst zelfinhoudelijke afspraken bevat die als huwelijkse voorwaarden moeten worden gezien (en die in ieder geval voor zover zij afwijken van de eerdere huwelijkse voorwaarden geen geldige afspraken weergeven), maar dat dit niet geldt voor de van de huwelijkse voorwaarden afwijkende concrete berekening van de verrekenplicht in casu en de voldoening daarvan door de man door betaling van € 27.433,-. Ook dan had het hof de afwijzing van de vordering uit onverschuldigde betaling echter niet kunnen baseren op de (geldigheid van de) potovereenkomst, maar had het deze afwijzing moeten baseren op een eenmalige, concrete en van de huwelijkse voorwaarden afwijkende afspraak tussen partijen tot verrekening en betaling achteraf.
vrouw, kort samengevat, het volgende aan. Op het moment dat de vrouw aangaf gebruik te willen maken van het recht als geformuleerd in art. 16 van Pro de huwelijkse voorwaarden is een obligatoire overeenkomst tot stand gekomen. De bepaling in art. 16 van Pro de huwelijkse voorwaarden geldt als een onherroepelijk aanbod en is een voorwaardelijke verbintenis als bedoeld in art. 6:21 BW Pro. Dit aanbod heeft de vrouw in mei 2009, toen de echtscheiding reeds zeker was, subsidiair op 28 september 2010, meer subsidiair in juni 2012 aanvaard. Subsidiair is de vrouw bij akte huwelijkse voorwaarden een koopoptie verleend, uit te oefenen door haar of haar rechtsopvolgers onder algemene titel op het tijdstip van ontbinding van het huwelijk.
manvoert hiertegen, kort samengevat, het volgende aan.
hofoverweegt hierover als volgt.
Nu het gaat om een recht op koop in geval van ontbinding van het huwelijk is er ook geen grond om – zoals de vrouw bepleit – uit te gaan van een datum gelegen voor ontbinding van het huwelijk.(cursivering toegevoegd,
AG)
indien het huwelijk tussen de echtgenoten wordt ontbonden” – kan niet worden ontleend dat de peildatum voor de waarde gevormd wordt door de ontbindingsdatum van het huwelijk. Het artikel bevat geen vervaltermijn of peildatum. Wanneer de vrouw de koopoptie een jaar na de ontbinding zou hebben ingeroepen, zou het evenmin in de rede hebben gelegen om uit te gaan van een waarde een jaar eerder. De strekking van de bepaling is dat de vrouw slechts in het kader van de ontbinding van het huwelijk levering kan verlangen van het gekochte, maar dat voor de waarde bepalend is de datum waarop de koopovereenkomst tot stand is gekomen.
voorwaardelijkekoopoptie inhield. Pas na intreding van de (opschortende) voorwaarde – in dit geval de ontbinding van het huwelijk – treedt deze koopoptie in werking en komt aan de vrouw het daaruit voortvloeiende (onvoorwaardelijke) wilsrecht daadwerkelijk ten dienste te staan. De vrouw heeft het wilsrecht echter reeds ingeroepen vóórdat de voorwaarde in vervulling is gegaan; die inroeping zal dus ook slechts onder de gestelde voorwaarde hebben kunnen geschieden. Uit die inroeping kan ook niet meer dan een voorwaardelijke koopovereenkomst ontstaan, waarvan (nog) geen nakoming kan worden gevorderd. Pas op het moment van de ontbinding van het huwelijk ontstaat een onvoorwaardelijk(e) (bindende) koopovereenkomst. Als het onderdeel er dus een beroep op doet dat de peildatum voor het bepalen van de koopprijs (de waardering) ligt op het moment waarop de koopovereenkomst tot stand is gekomen, dan moet daarbij mijns inziens in beginsel, tenzij partijen uitdrukkelijk anders overeenkomen, wel worden uitgegaan van het ontstaan van de
onvoorwaardelijkekoopovereenkomst. In het algemeen zal wellicht redelijk zijn dat de koper af mag gaan op de prijs ten tijde van het inroepen van de koopoptie (dat zal normaal gesproken, bij een onvoorwaardelijke koopoptie, ook het moment zijn dat de koopovereenkomst tot stand komt); dit geldt mijns inziens echter in ieder geval niet als de koper een voorwaardelijke koopoptie inroept op een moment dat de daarvoor gestelde voorwaarde nog niet in vervulling is gegaan en de koopoptie hem dus in feite nog niet daadwerkelijk ten dienst is komen te staan. In het theoretische geval dat de vrouw de koopoptie bijvoorbeeld al een jaar na de huwelijksvoltrekking zou hebben ingeroepen (in 1997), zou zij in het algemeen ook geen recht hebben om, na ontbinding van het huwelijk in 2012, het perceel tegen de waarde van 1997 over te nemen.
3.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
Pot overeenkomst
[de vrouw] kan erkennen dat de Pot overeenkomst partijen niet bindt om reden dat deze overeenkomst o.a. niet notarieel is vastgelegd en derhalve niet kan gelden als vervanging van de huwelijkse voorwaarden. [de vrouw] heeft een andere mening waar het de betekenis van de tekst van deze overeenkomst betreft. Zoals door [de vrouw] aangegeven, heeft zij nimmer een akkoord gegeven op enige door [betrokkene 2] [de accountant,
AG] gemaakte opstellingen o.a. om reden dat de bedragen telkens wijzigden.
[de vrouw] kan met [de man] erkennen dat de potovereenkomst nietig is. Evenwel wil dat niet zeggen dat de tekst van de potovereenkomst, als ook de wijze van opstellen door [betrokkene 2] van de diverse opstellingen zoals deze als productie zijn overgelegd, de bedoeling van partijen niet genoegzaam weergeeft.” [17]
huwelijkse voorwaardenkan gelden, en
als zodanigdus nietig is. In feite erkent zij dus slechts dat de potovereenkomst
als huwelijkse voorwaardennietig is (of zou zijn). Dat daarmee aan de inhoud van de daarin opgenomen afspraken geen enkel gevolg kan toekomen, heeft zij juist uitdrukkelijk betwist. Een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige erkenning dat de potovereenkomst nietig is in die zin dat daaraan dus ook geen enkel gevolg kan toekomen, en het op grond ervan betaalde onverschuldigd is geweest, dan wel een ondubbelzinnig prijsgeven van het verweer dat de potovereenkomst niet nietig is in deze zin, kan ik hier niet in lezen. Er is mijns inziens dan ook geen reden om van het hof te verlangen om iets dergelijks ambtshalve vast te stellen dan wel met ambtshalve aanvulling van rechtsgronden tot een dergelijk oordeel te komen, voor zover dat al aan de orde zou zijn. Ook is er geen reden om het feit dat het dit niet heeft gedaan, (nader) te motiveren.
De potovereenkomst heeft niet de betekenis van “huwelijkse voorwaarden” noch wordt in de overeenkomst daar naar verwezen; het betreft een aanvullende afspraak waarbij geen sprake is van een afwijking of wijziging van de huwelijksvermogensrechtelijke verrekenvorderingen.” – sluit daarbij juist aan. Ook de daarop volgende overwegingen van het hof in rov. 3.15.3 sluiten – los van de vraag of die tegenstrijdig zijn met andere overwegingen dan wel anderszins onbegrijpelijk – goed aan bij de uitlatingen van de vrouw in eerste aanleg dat de potovereenkomst niet als (vervanging van de)
huwelijkse voorwaardenkan gelden (en als zodanig dus ook nietig is of zou zijn), maar wel de tussen partijen geldende afspraken weergeeft, waar het oordeelt dat de potovereenkomst door de accountant voor partijen niet is opgesteld “
om de huwelijkse voorwaarden op enigerlei wijze te wijzigen of opzij te zetten (hetgeen zou betekenen dat de potovereenkomst nietig is), maar juist om uitvoering te geven aan de bij de huwelijkse voorwaarden vastgestelde verrekeningsverplichting” en de potovereenkomst “
als zodanig (…) niet nietig” is. Het hof is ook niet buiten de rechtsstrijd van partijen getreden.
omdat deze onderdelen niet een reactie zijn op het incidenteel appel, maar een (verkapte) nadere conclusie in het principale appel, hetgeen in strijd is met de twee-conclusieregel van art. 349 Rv Pro. Dit bezwaar heeft het hof gegrond geacht, behoudens voor zover het de nrs. 6-12 en 15 betreft, omdat de memorie van antwoord in incidenteel appel voor een groot deel het karakter van een aanvulling op de memorie van grieven draagt, hetgeen in strijd komt met de twee conclusie-regel. De nrs. 6-12 en 15 hebben volgens het hof echter wél te gelden als een verweer tegen de incidentele grieven van de man. Daarmee heeft het hof het bezwaar van de man in verband met de twee conclusie-regel, die een uitwerking vormt van de goede procesorde, op juiste en niet onbegrijpelijke wijze afgehandeld. Voor een strengere toepassing van de goede procesorde in de door het onderdeel betoogde zin dan in deze regel is vervat, zal in het algemeen geen, en in ieder geval niet snel, reden zijn. [18] Bijzondere omstandigheden die dat in dit geval anders zouden maken, zijn door de man niet gesteld en ook overigens niet gebleken.
verweervan de vrouw tegen de incidentele grieven van de man in de memorie van antwoord in incidenteel appel, en geen aanvulling op de memorie van grieven of nadere conclusie die in strijd zou komen met de twee conclusie-regel, lijkt van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor in het algemeen ook geen sprake, doordat het hof de man op zijn verzoek niet (uitdrukkelijk) in de gelegenheid heeft gesteld een nadere conclusie te nemen. De reactie van de vrouw in de nrs. 6-12 vormt naar het oordeel van het hof nu juist (slechts) de wederhoor op het incidenteel appel van de man. In bedoelde memorie van antwoord van de vrouw mogen in beginsel, voor zover daar al sprake van zou zijn, gelet op de herstelfunctie van het hoger beroep óók (ten opzichte van de eerste aanleg)
nieuweverweren worden aangevoerd. Het oordeel van het hof vormt mijns inziens dan ook wel degelijk een voldoende respons op een (eventueel) in het bezwaar van de man besloten liggend beroep op strijd met de goede procesorde en/of het recht van hoor en wederhoor, (zeker) nu als gezegd geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd of gebleken, anders dan dat de memorie van antwoord in incidenteel appel van de vrouw geen reactie is op het incidenteel appel, maar een (verkapte) nadere conclusie in het principale appel. Daar komt bij dat partijen in casu nadat de memorie van antwoord in incidenteel appel was genomen, hun standpunten nog ter zitting van 13 september 2017 hebben doen bepleiten. Ook deze klacht faalt derhalve.
om uitvoering te geven aan de bij huwelijkse voorwaarden vastgestelde verrekeningsverplichting” en dat het partijen vrijstaat “
een dergelijke (uitvoerings)overeenkomst te sluiten”. Dit oordeel is in het licht van de inhoud van de gedingstukken onnavolgbaar en voorts innerlijk tegenstrijdig met hetgeen het hof elders in zijn arrest overweegt. De man geeft een toelichting op deze klacht en wijst er daarbij kort gezegd op dat:
nietheeft geoordeeld dat met de potovereenkomst uitvoering werd gegeven aan de verplichtingen die voortvloeien uit het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding, maar de betaling krachtens de (nietige) potovereenkomst in de sleutel heeft geplaatst van (de rechtspraak over) consequent/langdurig ‘afwijkend gedrag’ van de huwelijkse voorwaarden, tegen welk laatste oordeel de man heeft gegriefd;
Vergoedingsrechten ten aanzien van de woning (incidentele grief B van de man)
manstelt dat hij op grond van art. 3 van Pro de huwelijkse voorwaarden een vordering heeft op de vrouw ter zake van de hierna nader te noemen betalingen.
vrouwheeft verweer gevoerd.
uitgaandevan de juistheid van de stelling van de man dat de door hem genoemde en aan of ten behoeve van de vrouw betaalde bedragen inderdaad, zoals hij stelt, zijn betaald ter dekking van de kosten van de verbouwing van de woning. Ook dat wordt immers door de vrouw betwist. De juistheid van die stelling van de man is door de rechtbank, en in navolging van de rechtbank ook door het hof, in het midden gelaten. In cassatie geldt dit dan ook als hypothetische feitelijke grondslag.
aan een niet aan de vrouw in eigendom toebehorende woning, zodat van enige waardevermeerdering van vermogen aan de zijde van de vrouw c.q. vermogensvorming door de vrouw geen sprake kan zijn. [24]
schuld ter zake van een tot het vermogen van de vrouw behorend goed. Het lijkt voor de hand te liggen dit in beginsel ook aan te nemen voor art. 3 HV Pro, waar dit artikel spreekt van “
hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot”, voor zover het daarbij gaat om de voldoening of aflossing van een privéschuld van de andere echtgenoot (en niet om de verkrijging van een goed door de ene echtgenoot ten laste van het vermogen van de andere echtgenoot). In die zin gelden voor deze artikelen dan ook geen verschillende criteria. Het oordeel van het hof geeft er echter geen blijk van hier inhoudelijk een ander criterium te hanteren, zodat het onderdeel in zoverre faalt. Ook in zoverre het betoogt dat bij toepassing van het criterium van art. 1:87 lid 1 BW Pro met de betaling van de verbouwingskosten ook direct vast zou staan dat sprake is van een (privé)schuld ter zake van een tot het vermogen van de vrouw behorend goed en dus van een (nominaal) vergoedingsrecht van de man op grond van het criterium van art. 1:87 lid 1 BW Pro en art. 3 HV Pro en/of de jurisprudentie die in eerstgenoemd wetsartikel is vastgelegd, faalt het onderdeel. [25]
ten bate van de vrouw(in die zin dat de man een schuld
ter zake van een tot het vermogen van de vrouw behorend goedheeft voldaan). Het heeft daartoe overwogen dat de gestelde investeringen ten bate van het vermogen van de moeder van de vrouw zijn geschied en niet ten bate van het vermogen van de vrouw, en dat de man ook aan zijn beroep op art. 5:99 BW Pro geen (nominaal) vergoedingsrecht kan ontlenen jegens de vrouw, nu dit artikel de rechtsverhouding tussen de erfverpachter (moeder) en de erfpachter (vrouw) betreft na het einde van de erfpacht. Het heeft daarbij echter miskend dat de man zijn gestelde recht op (nominale) vergoeding jegens de vrouw niet heeft gebaseerd op art. 5:99 BW Pro zelf, maar dit hij dit artikel slechts heeft aangehaald ter onderbouwing van zijn betoog dat zijn investeringen – via onder meer het vergoedingsrecht ten bedrage van de gedane investeringen dat
voor de vrouw jegens haar moederuit dit artikel zou zijn voortgevloeid – wel degelijk ten bate van de vrouw zijn gekomen. [26] Het heeft dus niet in zijn overwegingen meegenomen dat een eventueel vergoedingsrecht van de vrouw jegens haar moeder op grond van art. 5:99 Rv Pro. (als onderdeel van het erfpachtrecht) een relevant gezichtspunt kan zijn bij de bepaling of hier sprake is van een onttrekking aan het vermogen van de man die ten bate van de vrouw is gekomen in de zin van de voldoening van een schuld ter zake van een tot het vermogen van de vrouw behorend goed, op grond waarvan een (nominaal) vergoedingsrecht voor de man zou bestaan. Datzelfde geldt voor de door de man gestelde waardevermeerdering van het erfpachtrecht van de vrouw zelf door een waardevermeerdering van de opstallen, waarop dit erfpachtrecht (mede) betrekking heeft. [27] Kort gezegd komen de stellingen van de man met betrekking tot deze gezichtspunten erop neer dat het erfpachtrecht zowel tijdens als na de looptijd ervan meer waard is geworden door de investeringen van de man. Deze stellingen kunnen – als ze gevolgd zouden worden – erop duiden dat er, zoals ook de man betoogt, sprake is van een onttrekking aan het vermogen van de man die – althans voor een deel – ten bate van de vrouw is gekomen in de zin van een betaling door de man van een schuld die – althans voor een deel – betrekking heeft op een tot het vermogen van de vrouw behorend goed, en die dus – althans voor dat deel – niet of slechts mede ten bate van het vermogen van de moeder zijn geschied (en ook los staan van een eventuele verkrijging door de vrouw van het bloot eigendom als erfgename van haar moeder en van het eventuele (ten dele) tenietgaan daarbij van het recht van erfpacht door vermenging). Dan zou (voor dat deel) sprake kunnen zijn van een nominaal vergoedingsrecht van de door de man betaalde verbouwingskosten. Het feit dat het hierbij niet om een aan de vrouw zelf toebehorende onroerende zaak (waaronder de woning) gaat, maar om een aan haar toebehorend recht van erfpacht op (onder meer) die woning, maakt daarbij mijns inziens geen wezenlijk verschil. In zoverre slaagt het onderdeel mijns inziens dus wel.