Conclusie
4.Ontvankelijkheid
5.Het eerste en het tweede middel
eerste middelklaagt dat art. 552m, derde lid, Sv verkeerd is toegepast, dan wel dat algemeen motiveringsverplichtingen zijn geschonden nu de Rechtbank, in strijd met hetgeen namens de klager is aangevoerd, heeft overwogen dat de vereiste machtiging van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het advies van het Ministerie van Financiën tot de stukken van het geding behoren. Het
tweede middelklaagt dat art. 552m, derde lid, Sv verkeerd is toegepast, dan wel dat algemeen motiveringsverplichtingen zijn geschonden nu de Rechtbank heeft overwogen dat de vereiste machtiging van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het advies van het Ministerie van Financiën is afgegeven naar aanleiding van het rechtshulpverzoek, terwijl namens de klager is aangevoerd dat de (vermeende) machtiging niet ziet op het rechtshulpverzoek waarin om de betreffende dwangmiddelen is verzocht. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Standpunten [klager] en [A] B. V.
naoverleg met de Minister van Financiën” kan worden gegeven”. Dat het advies na de machtiging is gedateerd, wil echter niet zeggen dat er niet eerst mondeling overleg is geweest. Dát dit overleg waarschijnlijk ook voorafgaand aan de machtiging heeft plaatsgevonden, heeft de Rechtbank af kunnen leiden uit de omstandigheid dat in de machtiging - die zich bij de stukken van het geding bevindt – wordt verwezen naar het bedoelde advies van 2 november 2010 (zoals de Rechtbank zelf opmerkt) en dat deze machtiging verder inhoudt dat het advies van 2 november 2010 is bijgevoegd en dat op die machtiging een stempel is geplaatst inhoudende: “LIRC, ingekomen 05 nov. 2010”. Dat de machtiging mogelijk bij vergissing onjuist is gedateerd, maakt dat niet anders.
met pen genoteerd:i/o + handtekening – A-G
)
tweede middelkan voorts niet slagen omdat het feitelijke grondslag mist. In het middel wordt namelijk gesteld dat “klager uitgebreid gemotiveerd heeft aangegeven dat de (vermeende) machtiging die zich in het dossier bevindt niet ziet op het rechtshulpverzoek waarin om de betreffende dwangmiddelen is verzocht”, terwijl uit de processen-verbaal van de zittingen in raadkamer dan wel uit de aangehechte pleitnota niet blijkt dat namens de klager een dergelijk verweer is gevoerd. [7]