ECLI:NL:PHR:2019:580
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht bij bezwaar parkeerbelasting
Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting, waarbij het Hof Amsterdam oordeelde dat het bezwaarschrift niet tijdig was ingediend omdat het via een onjuist e-mailadres was verzonden. Het Hof nam kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht aan, omdat de gemachtigde bewust geen onderzoek had gedaan naar het juiste bezwaaradres en herhaaldelijk op vergelijkbare wijze handelde in andere procedures.
De Rechtbank Noord-Holland had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, en het Hof had dit oordeel bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde in cassatie dat het Hof onterecht misbruik van procesrecht aannam en dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden.
De Advocaat-Generaal concludeert dat het Hof terecht kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht heeft aangenomen, mede gelet op het patroon van handelen van de gemachtigde en de financiële belangen die uit de volmacht blijken. Ook is het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden omdat belanghebbende voldoende gelegenheid had zich te uiten en nadere stukken niet zijn ingediend.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond, bevestigt het oordeel over misbruik van procesrecht en de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar, en daarmee blijft de naheffingsaanslag in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting blijft niet-ontvankelijk wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.