Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:1193

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2019
Publicatiedatum
11 juli 2019
Zaaknummer
19/00298
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 3:45 AwbArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht

Belanghebbende ontving een naheffingsaanslag parkeerbelasting van de gemeente Beverwijk en diende bezwaar in via het e-mailadres van de gemeente. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende stelde de heffingsambtenaar in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing en startte beroep bij de rechtbank.

In hoger beroep stond centraal of het bezwaar tijdig was ingediend en of sprake was van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht volgens artikel 6:15, lid 3, Awb. Het hof oordeelde dat de gemachtigde van belanghebbende het bezwaar bewust aan het verkeerde e-mailadres had gestuurd om ontvangst en afhandeling te bemoeilijken, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk was.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het voor belanghebbende duidelijk moest zijn dat het bezwaar niet bij het bevoegde bestuursorgaan werd ingediend en dat geen aanvaardbare verklaring was gegeven voor het niet gebruiken van het juiste adres. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/00298
Datum12 juli 2019
ARREST
In de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE BEVERWIJK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 15 januari 2019, nr. 18/00021, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 17/1135) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Beverwijk. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 29 mei 2019 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2019:580, met bijlage ECLI:NL:PHR:2019:702).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de klachten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Aan belanghebbende is op 20 april 2016 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd door de heffingsambtenaar van de gemeente Beverwijk (hierna: de heffingsambtenaar). Op het door belanghebbende ontvangen (duplicaat) aanslagbiljet is vermeld dat bezwaar schriftelijk bij de gemeente Beverwijk kan worden ingediend.
2.1.2
Belanghebbende heeft op 2 juni 2016 via het e-mailadres
info@beverwijk.nlbezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag.
2.1.3
Op 2 januari 2017 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar en een kopie van het bezwaarschrift van 2 juni 2016 overgelegd. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 16 februari 2017 aan belanghebbende bericht dat niet eerder dan op 5 januari 2017 een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag is ontvangen, zodat geen sprake kan zijn van een ingebrekestelling.
2.1.4
Belanghebbende heeft wegens het uitblijven van een beslissing op het bezwaar op
27 februari 2017 beroep ingesteld bij de Rechtbank.
2.1.5
Bij uitspraak op bezwaar van 7 maart 2017 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.1
In hoger beroep was onder andere in geschil of het bezwaar tijdig is ingediend en in het bijzonder of sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 6:15, lid 3, Awb.
2.2.2
Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de gemachtigde van belanghebbende, die een professionele rechtshulpverlener is, het bezwaarschrift aan het e-mailadres van de gemeente Beverwijk heeft verzonden met kennelijk geen ander doel dan om de ontvangst door de heffingsambtenaar en tijdige afhandeling van het bewaarschrift te bemoeilijken. Naar het oordeel van het Hof is sprake van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 6:15, lid 3, Awb zodat als tijdstip van indiening van het bezwaarschrift niet geldt het tijdstip van ontvangst door het onbevoegde bestuursorgaan. Het bezwaar is daarom volgens het Hof terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.3
De klacht betoogt dat het oordeel van het Hof dat belanghebbende wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht geen beroep toekomt op de doorzendplicht van artikel 6:15, lid 3, Awb, onjuist en onbegrijpelijk.
2.4.1
Met zijn hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het voor belanghebbende ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift duidelijk moest zijn dat het bezwaar werd ingediend bij een andere instantie dan het bestuursorgaan dat tot beslissing op het bezwaar bevoegd is, en dat belanghebbende geen aanvaardbare verklaring heeft gegeven voor het ongebruikt laten van het adres dat is vermeld in de rechtsmiddelverwijzing als bedoeld in artikel 3:45 Awb Pro.
2.4.2
Het hierop berustende oordeel van het Hof dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 6:15, lid 3, Awb geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is voorts niet onbegrijpelijk en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet in verdergaande mate worden onderzocht. De tegen dit oordeel gerichte klacht faalt daarom.
2.5
De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2019.