Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- De rechtbank passeert het verweer dat de officier van justitie in zijn verzoek niet-ontvankelijk is. Het gaat hier om een terugverwijzing door de Hoge Raad. Voor niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn oorspronkelijke verzoek ontbreekt een juridische grondslag (rov. 3.7).
- De beslissing van 13 april 2018 betrof een machtiging waarvan de geldigheidsduur is verlopen. De rechtbank heeft intussen een nieuwe machtiging tot voortgezet verblijf verleend; die beslissing heeft kracht van gewijsde verkregen. Gelet hierop, ziet de rechtbank geen grond om
- De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek genoegzaam is gebleken dat op 13 april 2018 bij betrokkene reeds sprake was (en nog is) van schizofrenie en middelengebruik (rov. 3.9). Ook is voldoende onderbouwd dat causaal verband bestaat tussen de stoornis ‘schizofrenie’ en het door betrokkene veroorzaakte gevaar (rov. 3.10). Ook overigens is voldaan aan de criteria voor het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf (rov. 3.12).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel Ibevat de rechtsklacht dat de rechtbank ten onrechte een machtiging met terugwerkende kracht heeft verleend. Volgens betrokkene is dit in strijd met art. 17 lid 3 Wet Pro Bopz en (bijgevolg) ook met het in art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM neergelegde vereiste van een wettelijke grondslag voor de vrijheidsbeneming.
Onderdeel IIbouwt hierop voort met de klacht dat de rechtbank ten onrechte geen toetsing
‘ex nunc’heeft uitgevoerd. Volgens betrokkene had de rechtbank, ook al was (op 17 augustus 2018) een vervolgmachtiging verleend, naar de actuele toestand op 5 november 2018, dus
‘ex nunc’, moeten onderzoeken of de officier van justitie belang had bij toewijzing van zijn oorspronkelijke verzoek. Volgens de toelichting op deze klacht ontbrak dat belang omdat het onvrijwillig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de nieuwe verblijfstitel (bedoeld is kennelijk: de op 17 augustus 2018 verleende machtiging) in beginsel in de weg stond aan het alsnog verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf. [3] Deze twee middelonderdelen zullen gezamenlijk worden besproken.
retrospectiefoordeel over het gedwongen verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis krachtens een in cassatie vernietigde machtiging, anders dan gekoppeld aan een verzoek tot toekenning van schadevergoeding (art. 35 Wet Pro Bopz). Zo biedt de Wet Bopz bijvoorbeeld niet de mogelijkheid om op vordering van de patiënt een verklaring voor recht uit te spreken als bedoeld in art. 3:302 BW Pro. De ‘nawerking’ houdt in dat het gedwongen verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis rechtmatig voortduurt op de grondslag van de voorgaande machtiging zolang dit voor het onderzoek door de rechter ter zake van de verzochte aansluitende machtiging noodzakelijk is. Nawerking veronderstelt dus dat op enig tijdstip door de rechter een definitieve beslissing wordt genomen over het inleidend verzoekschrift van de officier van justitie. De rechtbank heeft door middel van de hier bestreden beschikking zo’n beslissing tot stand gebracht. Op grond van art. 5 lid 4 EVRM Pro heeft de patiënt recht op een beoordeling door de rechter van de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming. Dit maakt, naar mijn mening, dat de verwijzingsrechter in deze situatie het verzoek van de officier van justitie alsnog kan toewijzen voor een periode die al verstreken is.
ex tunc’, heeft praktische betekenis in de gevallen waarin de machtiging nog geheel of gedeeltelijk moet worden tenuitvoergelegd. Dan dient de rechter een oordeel te geven over de geestelijke toestand van de patiënt en eventueel daaruit voortvloeiend gevaar naar de toestand ten tijde van zijn uitspraak (‘
ex nunc’). Dit volgt onder meer uit een uitspraak van 23 mei 2008 [11] waarin de Hoge Raad overwoog:
op de toekomst gerichtemachtiging tot voortgezet verblijf: een zodanige machtiging was op 17 augustus 2018 al verleend en was inmiddels onherroepelijk geworden [12] . De officier van justitie behield belang bij toewijzing van zijn oorspronkelijke verzoek voor zover daarmee de definitieve beslissing werd gegeven, in afwachting waarvan het gedwongen verblijf in het ziekenhuis gedurende de periode van ‘nawerking’ is voortgezet.
‘ex nunc’geldt logischerwijs niet, indien en voor zover de definitieve beslissing op het verzoek uitsluitend betrekking heeft op een gedwongen verblijf
in het verleden. Zoals gezegd, heeft de rechtbank zich in dit concrete geval daartoe beperkt [13] . Om die reden was er ook geen aanleiding meer om in dit geval een nieuwe geneeskundige verklaring te laten opmaken. Enig verzoek om onmiddellijke opheffing van de vrijheidsbeneming op grond van de onherroepelijk geworden machtiging van 17 augustus 2018 was in het geding na verwijzing niet aan de orde. Evenmin is hier sprake van een willekeurige vrijheidsbeneming (een vrijheidsbeneming zonder rechtsgrond) die achteraf wordt gelegaliseerd. [14] Het gaat immers om een vrijheidsbeneming volgens een wettelijk voorgeschreven procedure, waarover een rechter binnen korte tijd een oordeel heeft gegeven (in dit geval: op 13 april 2018). Na de cassatie van die beschikking is een ander rechterlijk oordeel (namelijk de beschikking van de verwijzingsrechter) daarvoor in de plaats gekomen. De slotsom is dat art. 5 EVRM Pro niet geschonden is en dat de onderdelen I en II niet tot cassatie leiden.